Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:852

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
23-02-2017
Zaaknummer
C/08/15/607 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldsaneringsregeling; afwijzing; niet aannemelijk geworden dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen worden nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/15/607 F

uitspraakdatum: 12 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[A] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook [A] te noemen.

Het procesverloop

[A] heeft op 13 juli 2016 een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken onder gelijktijdige opheffing van het op 2 december 2015 uitgesproken faillissement.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 22 december 2016, waar [A] is verschenen. Tevens is de heer H. Koop, curator in het faillissement van [A] , verschenen. Van de behandeling ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[A] is een alleenstaande man. Ten tijde van zijn faillietverklaring woonde hij samen, maar deze relatie is inmiddels beëindigd. [A] heeft uit een eerdere relatie een kind, dat bij de moeder woont.

[A] werkt via een uitzendbureau en heeft wisselende inkomsten.

[A] heeft van 28 februari 2008 tot 16 juni 2011 een eenmanszaak geëxploiteerd onder de handelsnaam [A] , met als activiteiten bouwtimmeren en montagebedrijf (wanden e.d.).

Bij vonnis van 2 december 2015 is [A] op eigen aangifte failliet verklaard.

De totale schuldenlast van [A] bedraagt blijkens de meest recente crediteurenlijst

€ 53.182,40, waaronder de volgende schulden:

  • -

    Belastingdienst ad € 16.077,19;

  • -

    LBIO ad € 7.721,59;

  • -

    Rabobank ad € 11.538,51;

  • -

    CJIB ad € 1.176,- (WAHV-boete);

  • -

    ABN AMRO Bank ad € 3.686,30;

  • -

    gemeente Amsterdam ad € 1.058,20.

De – zakelijk weergegeven – toelichting van de curator:

Het verzoek van [A] dient volgens de curator te worden afgewezen omdat de schuld aan het CJIB niet te goeder trouw is ontstaan en omdat [A] na het staken van zijn ondernemersactiviteiten in 2011 langere tijd geen betaald werk heeft verricht, waardoor de onbetaald gebleven zakelijke schulden en de privéschulden zijn opgelopen.

Daarnaast heeft [A] niet aan zijn afdrachtverplichting voldaan. Hij heeft kort na het uitspreken van zijn faillissement op 2 december 2015 van zijn toenmalige werkgever vakantiegeld en reserveringen uitbetaald gekregen. Volgens de curator hadden de uitbetaalde reserveringen moeten worden afgedragen aan de boedel, voor zover deze het vrij te laten bedrag overschreden. [A] heeft dit niet gedaan, waardoor sprake is van een achterstand in de boedelafdrachten van € 980,-.

Volgens de curator heeft [A] sinds het ontstaan van de boedelachterstand geen enkel voorstel gedaan om tot aflossing van deze achterstand over te gaan. Gezien het inkomen op bijstandsniveau, zonder uitbetaling van toeslagen, was daartoe tot september 2016 ook geen mogelijkheid, aldus de curator. Echter, in september 2016 zijn de aangevraagde toeslagen tot een totaalbedrag van € 1.500,- uitbetaald, waarna [A] , ondanks herhaald verzoek, geen betalingsvoorstel heeft gedaan.

Daarnaast is [A] gewezen op de mogelijkheid om budgetbeheer aan te vragen en op het belang van dit budgetbeheer. [A] is daartoe niet overgegaan. Volgens de curator heeft [A] geen enkele reservering gemaakt voor onvoorziene kosten. Hij heeft [A] erop gewezen dat in geval van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling de kans op het ontstaan van nieuwe schulden omvangrijk is wanneer geen reserveringen worden gemaakt.

De curator heeft ter zitting verklaard dat het wat tekort door de bocht is dat het overgrote deel van de schuldenlast is ontstaan na het staken van de ondernemingsactiviteiten van [A] in 2011. De schulden waar ter zitting is langsgelopen, zijn allemaal vóór 2012 ontstaan, aldus de bewindvoerder.

Wat betreft de boedelachterstand heeft de curator ter zitting verklaard dat de berekening van het vrij te laten bedrag in februari 2016 gereed was. Het klopt dus dat [A] daarvóór niet wist wat hij aan de boedel diende af te dragen. In maart 2016 kwam vervolgens naar voren dat de eind 2015 uitbetaalde reserveringen er niet meer waren. De curator heeft toen meermalen gevraagd om een betalingsvoorstel om de achterstand in de boedelafdracht af te lossen. Volgens de curator ontving [A] op dat moment geen toeslagen. Hij wil daarom nog wel aannemen dat er toen geen ruimte was om deze achterstand af te lossen. [A] heeft echter in augustus 2016 alsnog huurtoeslag uitgekeerd gekregen tot een bedrag van

€ 1.500,-. Op dat moment was er volgens de curator ruimte om de achterstand in de boedelafdracht te voldoen. Desondanks volgde, ondanks herhaald verzoek, geen betalingsvoorstel van de zijde van [A] . De curator heeft voorts aangevoerd dat [A] contact met hem heeft opgenomen over zijn persoonlijke problemen, waarbij de curator hem meermalen heeft geadviseerd beschermingsbewind of psychische bijstand aan te vragen omdat op deze wijze de wettelijke schuldsanering niet tot een goed einde zal komen.

De curator heeft ter zitting ten aanzien van de schuld aan het CJIB verklaard dat de vordering in 2015 is ingediend. Telefonische navraag bij het CJIB leerde de curator dat de opgelegde boete zag op een niet verzekerd voertuig met als ontstaansdatum mei 2012.

De – zakelijk weergegeven – toelichting van [A] :

[A] heeft ter zitting ten aanzien van de schuld aan het LBIO verklaard dat het hierbij gaat om (achterstallige) kinderalimentatie. [A] werkte als zzp-er en kon naar zijn zeggen door de economische crisis de kinderalimentatie niet meer betalen. Volgens [A] moest hij een rechtszaak aanspannen om deze alimentatie te wijzigen, waarvoor hij geen geld had. De kinderalimentatie is inmiddels op nihil gesteld.

[A] heeft ten aanzien van de schuld aan de Rabobank verklaard dat het gaat om een krediet dat begin 2008 aan hem is verstrekt toen hij als zzp-er begon. Volgens [A] is het opstartkapitaal geweest.

[A] heeft ten aanzien van de schuld aan de ABN AMRO Bank verklaard dat hij (middels een krediet) geld heeft geleend aan zijn vader dat niet is terugbetaald. [A] stelt dat deze schuld vóór 2012 is ontstaan.

Wat betreft de schuld aan de gemeente Amsterdam heeft [A] verklaard dat het daarbij gaat om parkeerbelasting. [A] woonde in [plaats] (2010/2011). Volgens [A] had hij destijds geen pinpas, waardoor hij het parkeren niet kon betalen.

[A] heeft ten aanzien van de boedelachterstand van € 980,- ter zitting bevestigd dat hij al een tijdje wist dat dit bedrag aan de boedel moest worden afgelost. Volgens [A] zijn hij en zijn vriendin uit elkaar gegaan, waardoor het inkomen anders is geworden. [A] stelt dat het toen ‘een dikke chaos’ voor hem was. [A] weet naar zijn zeggen niet hoe hij dit probleem moet oplossen. Hij heeft moeite om rond te komen.

Wat betreft de schuld aan het CJIB heeft [A] verklaard het vreemd te vinden dat deze schuld op de crediteurenlijst staat vermeld. Volgens [A] is hij bij de politie geweest om te vragen of er nog boetes openstaan, waarbij zou zijn gezegd dat er geen boetes openstaan.

De overwegingen van de rechtbank:

Het faillissement van [A] is uitgesproken op eigen aangifte. Er heeft geen vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement plaatsgevonden en in het faillissement is geen dag bepaald voor een verificatievergadering. Gebleken is voorts dat er – wegens het uitgesproken faillissement en gelet op het ontbreken van de mogelijkheid voor [A] om via een schenking van een derde gelden te verkrijgen – geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. [A] is ontvankelijk in zijn verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [A] moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat de houding van een gefailleerde tijdens het faillissement een indicatie is voor diens bereidheid om zich tijdens de schuldsaneringsregeling in te spannen ten behoeve van zijn schuldeisers en zich te houden aan alle verplichtingen die gedurende de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing zijn, welke verplichtingen in de schuldsaneringsregeling strikter zijn en strikter worden gecontroleerd dan tijdens het faillissement.

De rechtbank is van oordeel dat [A] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, zoals het (tijdig) verstrekken van inlichtingen, het afdragen van de spaarcapaciteit en het voorkomen van nieuwe schulden, naar behoren zal nakomen.

De rechtbank baseert dit oordeel op het feit dat [A] sinds het ontstaan van de boedelachterstand van € 980,- over december 2015 en januari 2016 tot op heden, ondanks herhaald verzoek van de curator, geen enkel voorstel aan de curator heeft gedaan om tot aflossing van deze achterstand over te gaan. Per september 2016 zijn de door [A] aangevraagde toeslagen tot een bedrag van € 1.500,- uitbetaald. Sindsdien is [A] ook verzocht om een betalingsvoorstel te doen, waarbij eventueel een betalingsregeling kon worden getroffen welke voortgezet zou worden gedurende de schuldsaneringsregeling. Ook hierop volgde geen betalingsvoorstel van [A] . Daarmee is [A] zijn afdrachtverplichting in deze niet nagekomen.

Daarnaast is gebleken dat [A] moeite heeft zijn financiën zelfstandig te behartigen. Hij heeft duidelijk problemen met het budgetbeheer en heeft moeite om rond te komen. Voorts is onweersproken dat [A] tijdens het faillissement geen enkele reservering heeft gemaakt voor onvoorziene kosten. [A] is er op gewezen dat in geval van toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling de kans op het ontstaan van nieuwe schulden omvangrijk is wanneer er geen reserveringen worden gemaakt. Tevens is [A] gewezen op het aanvragen van budgetbeheer en/of beschermingsbewind. [A] is daartoe niet overgegaan. De rechtbank is anderszins ook niet gebleken van ondersteuning bij de behartiging van de financiële zaken van [A] . De conclusie dat [A] niet in staat is zijn financiën zelfstandig te beheren, brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat er gegronde vrees bestaat dat [A] zijn inlichtingenplicht, met name op het financiële vlak, niet naar behoren zal nakomen. Ook bestaat de gegronde vrees dat hij de verplichting om tijdens de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden te laten ontstaan niet zal nakomen. Het niet in evenwicht hebben van inkomsten en uitgaven is een obstakel voor toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het is aan [A] om, wanneer hij zelf niet (voldoende) in staat is om zijn financiën zelfstandig te behartigen, daarvoor hulp in te schakelen.

Nu niet aannemelijk is geworden dat [A] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen, zal zijn verzoek reeds om die reden worden afgewezen. De schuldenlast van [A] behoeft daarom geen nadere bespreking.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen op grond van artikel 288, lid 1, onder c, Faillissementswet (Fw).

Omdat het verzoek is afgewezen op grond van artikel 288, lid 1, aanhef en onder c, Fw is de toepassing van de hardheidsclausule, zo daar al sprake van zou kunnen zijn, niet mogelijk.

De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.