Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:828

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
21-02-2017
Zaaknummer
08/760242-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een minderjarige jongen uit Enschede is veroordeeld tot 133 dagen jeugddetentie, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Hij is medeplichtig aan een bedreiging met zware mishandeling in Enschede in een conflict over de afwikkeling van de verkoop van een auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/760242-15

Datum vonnis: 21 februari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 7 februari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.R.G. Nijpels en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op

28 oktober 2015 al dan niet samen met een ander heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De verdenking is in de volgende varianten tenlastegelegd:

primair: medeplegen van poging tot moord dan wel doodslag;

subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling;

meer subsidiair: medeplegen van bedreiging;

nog meer subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot moord dan wel doodslag;

als een na laatste subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot zware mishandeling, en

uiterst subsidiair: medeplichtigheid aan bedreiging.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen beluit, in elk geval opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, (meermalen) heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , terwijl voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althansopzettelijk, (meermalen) met een pistool, althans een vuurwapen, in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , althans (een) perso(o)nten), heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 28 oktober 2015 te Enschede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte en/of zijn mededader met een pistool, althans een vuurwapen, in de richting van (de auto waarin) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zaten), heeft geschoten;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 28 oktober 2015 te Enschede, althans in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk na

kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen beluit, in elk geval

opzettelijk, met een pistool, althans een vuurwapen, (meermalen) heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , terwijl voorgenomen misdrijf niet is voltooid

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 28 oktober 2015 te Enschede

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het vuurwapen op verzoek/in opdracht van [medeverdachte] in het dashboardkastje te leggen van de auto waarin verdachte en [medeverdachte] zaten en/of dat vuurwapen weer uit het dashboardkastje te halen en aan [medeverdachte] te overhandigen nadat [medeverdachte] tegen verdachte op dwingende wijze had gezegd ‘Geef mij het wapen, geef mij het wapen.”, althans woorden van gelijke strekking;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, ALS EEN NA LAATSTE SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 28 oktober 2015 te Enschede, althans in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit, althans opzettelijk, (meermalen) met een pistool, althans een vuurwapen, in de

richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 28 oktober 2015 te Enschede

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het vuurwapen op verzoek/in opdracht van [medeverdachte] in het dashboardkastje te leggen van de auto waarin verdachte en [medeverdachte] zaten en/of dat vuurwapen weer uit het dashboardkastje te halen en aan [medeverdachte] te overhandigen nadat [medeverdachte] tegen verdachte op dwingende wijze had gezegd “Geef mij het wapen, geef mij het wapen.”, althans woorden van gelijke strekking;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, UITERST SUBSIDIAIR, terzake dat

[medeverdachte] op of omstreeks 28 oktober 2015 te Enschede, althans in Nederland, een persoon genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door met een pistool, althans een vuurwapen in de richting van (de auto waarin) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (zaten), te schieten;

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 28 oktober 2015 te Enschede opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door het vuurwapen op verzoek/in opdracht van [medeverdachte] in het dashboardkastje te leggen van de auto waarin verdachte en [medeverdachte] zaten en/of dat vuurwapen weer uit het dashboardkastje te halen en aan [medeverdachte] te overhandigen nadat [medeverdachte] tegen verdachte op dwingende wijze had gezegd “Geef mij het wapen, geef mij het wapen.”, althans woorden van gelijke strekking.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en als een na laatste subsidiair ten laste gelegde en het uiterst subsidiair ten laste gelegde bewezen te verklaren.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 133 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, alsmede met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de jeugdreclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een werkstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen jeugddetentie, op te leggen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte het uiterst subsidiair tenlastegelegde heeft gepleegd.1

Als bewijsmiddelen gelden daarvoor:

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 februari 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv;

Het proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2015 van [slachtoffer 2] , pagina 139 t/m 142;

Het proces-verbaal van aangifte van 3 november 2015 van [slachtoffer 1] , pagina 136 t/m 138.

5.2

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en als een na laatste subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het uiterst subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[medeverdachte] op 28 oktober 2015 te Enschede [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een pistool in de richting van de auto waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten, te schieten;

tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 28 oktober 2015 te Enschede opzettelijk behulpzaam is geweest door het vuurwapen op verzoek van [medeverdachte] in het dashboardkastje te leggen van de auto waarin verdachte en [medeverdachte] zaten en dat vuurwapen weer uit het dashboardkastje te halen en aan [medeverdachte] te overhandigen nadat [medeverdachte] tegen verdachte op dwingende wijze had gezegd “Geef mij het wapen, geef mij het wapen”.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte uiterst subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 48 en 285 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

7 De strafbaarheid van de verdachte

7.1

Psychische overmacht

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat sprake is van psychische overmacht en verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte op het moment dat [medeverdachte] hem dwingend riep het wapen te pakken, een zodanige druk bestond dat hij daar geen weerstand aan heeft kunnen bieden en hem zijn gedraging niet strafrechtelijk toegerekend kan worden. Immers voorafgaand aan het moment dat verdachte het wapen aan [medeverdachte] geeft, is er twee keer op verdachte geschoten.

Door de heftigheid van het moment is verdachte de kluts kwijt en wanneer [medeverdachte] dan dwingend tegen hem zegt dat hij het wapen moet geven, kan redelijkerwijs niet worden gevergd van verdachte dat hij daaraan weerstand biedt. Daar komt bij dat ook de psycholoog tot de conclusie komt dat verdachte de consequenties van zijn handelen niet steeds overziet en dat hem het handelen op dat moment niet kan niet worden aangerekend. Volgens de psycholoog is bij verdachte sprake van een gebrekkige gewetensontwikkeling en een gebrekkig probleembesef.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat onvoldoende aannemelijk is dat verdachte zich in de voor psychische overmacht vereiste geestestoestand bevond waarin hij geen keuzevrijheid had dan wel niet van hem gevergd kon worden dat hij zich zou onttrekken. Volgens de officier van justitie zijn er meer momenten geweest waarop verdachte zich had kunnen realiseren dat een vuurwapen gebruikt zou worden, temeer daar er een opbouw in de gebeurtenissen zat. Het beroep op psychische overmacht moet dan ook worden verworpen.

De overwegingen van de rechtbank

Vooropgesteld dient te worden dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is vereist dat de gedraging(en) van verdachte voortkom(en) vanuit een van buitenaf komende dwang dan wel drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstond kon en ook niet behoefde te bieden.

De rechtbank volgt de lezing van de gebeurtenissen in zoverre dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] werden achtervolgd door een grijze VW Polo met als inzittende onder andere [naam] , dat verdachte kon vermoeden dat [naam] in het bezit was van een wapen en dat medeverdachte [medeverdachte] hem op dwingende wijze heeft gevraagd het wapen uit het dashboardkastje te pakken en aan hem te overhandigen. De rechtbank wil eveneens aannemen dat verdachte geschrokken is van de gebeurtenissen en dat deze de nodige emoties bij verdachte hebben opgeroepen.

Echter is niet aannemelijk geworden dat verdachte onder een zodanige druk stond dat hij als gevolg daarvan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden en geen andere reactie dan het plegen van het verdachte verweten strafbare feit mogelijk was. Dit geldt te meer nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte er meer dan in aanmerkelijke zin rekening mee had moeten houden dat er sprake zou kunnen zijn van vuurwapengebruik door [medeverdachte] . Verdachte wist immers dat [medeverdachte] en [naam] een conflict hadden, dat [medeverdachte] een vuurwapen had en dat [medeverdachte] dat vuurwapen bij zich had. Verdachte heeft immers op verzoek van [medeverdachte] zelf het vuurwapen in het dashboardkastje gelegd. Eveneens wist verdachte, blijkens gehoorde telefoongesprekken tussen [medeverdachte] en [naam] dat ook [naam] in het bezit van een vuurwapen was en dat beiden uit waren op een confrontatie.

De rechtbank hecht waarde aan de verklaring die verdachte vlak na zijn aanhouding heeft afgelegd. Verdachte verklaart dan dat hij het vuurwapen aan [medeverdachte] heeft gegeven tijdens de achtervolging, na het moment dat de VW Polo was gedraaid op de Broekheurnering en vóór het schietincident op de Rekkenbrink. Verdachte had kunnen en moeten nadenken of hij het vuurwapen aan [medeverdachte] wilde geven. Nu verdachte dat niet heeft gedaan, heeft hij zich daarmee dan ook verwijtbaar in deze situatie gebracht.

Daarnaast is de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet gebleken dat sprake was van een dusdanige druk van de kant van [medeverdachte] dat geen andere reactie dan het plegen van het verdachte verweten strafbare feit mogelijk was. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van psychische overmacht. De bevindingen van

drs. D.W.M. Kragt, GZ-psycholoog, van 8 april 2016 leiden niet tot een ander oordeel, nu zij ook geen uitspraak heeft gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

In het bijzonder heeft de rechtbank daarbij het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een bedreiging met zware mishandeling. [medeverdachte] , vriend van verdachte, en [naam] hebben een conflict over de afwikkeling van de verkoop van een auto die [naam] halverwege oktober 2015 aan [medeverdachte] heeft verkocht. [medeverdachte] heeft zich naar aanleiding daarvan schuldig gemaakt aan bedreigingen jegens [naam] via het sturen van Whatsappberichten. Toen [medeverdachte] en verdachte op 28 oktober 2015, rijdend in een auto, de auto van [naam] , met daarin [naam] , diens echtgenote, zus en toenmalige vriend tegenkwamen, is een wilde achtervolging tussen de beide auto’s gevolgd, uitmondend in twee schietincidenten. Deze achtervolging en schietincidenten vonden plaats op klaarlichte dag en in de buurt van een uitgaande school. Het eerste schietincident vond plaats jegens [medeverdachte] en verdachte aan de Rekkenbrink te Enschede. [medeverdachte] , als bestuurder van de auto, heeft een schot in de lucht gelost en is daarop weggereden. Korte tijd daarna vond een tweede incident plaats, waarbij de auto van [naam] – waar op dat moment enkel nog zijn echtgenote en zus in zaten – op een kruising van de Broekheurnering stond om linksaf te slaan. [medeverdachte] is daarop met zijn auto de auto van [naam] genaderd, heeft zijn snelheid geminderd, het raam naar beneden gedraaid en heeft vanuit de auto op de grond geschoten naast de auto van [naam] . Daarna zijn hij en verdachte weggereden.

Verdachte heeft voortdurend bij [medeverdachte] in de auto gezeten en heeft hem voorzien van dat vuurwapen. Hij heeft het vuurwapen op Chamouns verzoek uit het dashboardkastje gehaald en aan hem overhandigd. Door het vuurwapen aan [medeverdachte] te overhandigen heeft verdachte het plegen van het strafbare feit mede gefaciliteerd. Door het afgeven van het vuurwapen kon verdachte weten dat [medeverdachte] het vuurwapen zou gaan gebruiken.

Door het gebruiken van een vuurwapen onder deze omstandigheden is de samenleving ernstig geschokt. Feiten als dit wekken immers gevoelens van schrik, afschuw angst en onveiligheid op in de samenleving. Door dit soort feiten raakt de rechtsorde dan ook geschokt. De impact van het schietincident is door beide slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - de inzittenden van de auto - treffend verwoord in hun ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring. Verdachte is hiervoor medeverantwoordelijk. [medeverdachte] heeft door het plegen van de bedreiging een vorm van eigenrichting gepleegd, hij wilde immers de dreiging van [naam] afwenden, en verdachte heeft dat mede mogelijk gemaakt. Dat het daarbij voor verdachte in zekere zin enkel tot de juridisch te kwalificeren medeplichtigheid aan bedreiging met zware mishandeling heeft geleid in plaats van tot zwaardere levensdelicten, heeft onder de gestelde omstandigheden als gunstig te gelden.

Over de persoonlijkheid van verdachte is op 8 april 2016 een Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. D.W.M. Kragt, GZ-psycholoog. Volgens de psycholoog loopt verdachte achter in zijn ontwikkeling waarbij gesproken kan worden van een narcistische dynamiek. Daarnaast is sprake van een gebrekkige gewetensontwikkeling. Verdachte is in een situatie gekomen waarin hij de consequenties onvoldoende heeft voorzien. Ook is de gewetensontwikkeling van verdachte onvoldoende ontwikkeld, zowel wat betreft het cognitieve vermogen om te kunnen beoordelen wat ‘goed’ of ‘slecht’ is als het beschikken over de juiste emotionele reacties van gevoelens als schuld, schaamte of spijt. Hierdoor is het geweten weinig sturend geweest in het bepalen van verdachte’s handelwijze. De psycholoog heeft evenwel in haar rapport geen uitspraak gedaan over een verband tussen een gebrekkige ontwikkeling zijdens verdachte en het bewezenverklaarde, alsmede over een kans op recidive, zulks vanwege het feit dat verdachte ten tijde van het opmaken van het rapport het hem tenlastegelegde heeft ontkend. De rechtbank onderschrijft de hiervoor weergegeven bevindingen van de psycholoog en maakt deze tot de hare. Daarom zal de rechtbank verdachte als volledig toerekeningsvatbaar aanmerken.

Door de jeugdreclassering is eveneens over verdachte gerapporteerd, laatstelijk bij brief van 24 januari 2017. Daaruit volgt dat dat verdachte in 2016 is gestopt met zijn opleiding. Nadat de druk van school wegviel is het zichtbaar beter met verdachte gegaan. Verdachte werkt momenteel vier tot vijf dagen per week bij een groothandel en denkt na over zijn toekomst. Ter zitting heeft verdachte daarover verklaard dat hij voornemens is in september 2017 zijn opleiding te vervolgen. Wat betreft de afdoening heeft de jeugdreclassering geadviseerd de door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd als onvoorwaardelijke straf op te leggen en een voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde toezicht van de jeugdreclassering voor de duur van twee jaren, met zo nodig een werkstraf.

Gelet op het vorenstaande en alles overziend is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit, gezien de ernst daarvan, jeugddetentie rechtvaardigt. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte een first offender is en met de jeugdige leeftijd van verdachte. Overeenkomstig het advies van de jeugdreclassering zal de rechtbank de tijd van het onvoorwaardelijk strafdeel bepalen op de duur van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel jeugddetentie zal de rechtbank bepalen op negentig dagen, waarbij de door de jeugdreclassering geadviseerde bijzonder voorwaarden zullen worden opgelegd. De rechtbank acht deze straf passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

De vordering van [slachtoffer 2]

, wonende te [adres 1] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 3.779,83 (drieduizendzevenhonderdennegenenzeventig euro en drieëntachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    autoschade van € 2.526,48;

  • -

    reiskosten ten behoeve van het doen van aangifte van € 3,35;

  • -

    immateriële schade van € 1.250,-.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De vordering van [slachtoffer 1]

, wonende te [adres 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.275,95 (eenduizendtweehonderdvijfenzeventig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

- reiskosten ten behoeve van het doen van aangifte van € 9,-;

- geneesmiddelen van € 16,95;

- immateriële schade van € 1.250,-.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade dient te worden toegewezen en dat de gevorderde immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 500,- met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het resterende deel omdat er bij [slachtoffer 2] al sprake was van psychische klachten voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd verdachte hoofdelijk te veroordelen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat er sprake is van enige mate van eigen schuld van

[slachtoffer 1] bij het ontstaan van de schade en zij al psychische klachten had voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite ontslag van alle rechtsvervolging wegens een beroep op psychische overmacht, de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging, in het geval de rechtbank het beroep op psychische overmacht verwerpt en tot een strafoplegging komt, zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde materiële schade is voldoende komen vast te staan en onderbouwd. De rechtbank zal dan ook de gevorderde materiële schadevergoeding hoofdelijk toewijzen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat, nu is gebleken dat het slachtoffer reeds psychische klachten had op het moment van het bewezenverklaarde feit, onvoldoende is komen vast te staan welke klachten voortkomen uit het feit. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden; enkel de omvang staat in dit stadium niet vast. De rechtbank ziet aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten en is van oordeel dat de omvang van de schade naar redelijkheid en billijkheid gesteld kan worden op een bedrag van € 500,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank zal de gevorderde immateriële schade tot dit bedrag hoofdelijk toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

De rechtbank is van oordeel dat enerzijds op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting gesteld kan worden dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij, maar dat anderzijds op basis van de inhoud van het proces-verbaal eveneens aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij een eigen aandeel in het ontstaan van de door haar gestelde schade heeft gehad. Voorts is gebleken dat het slachtoffer reeds psychische klachten had op het moment van het bewezenverklaarde feit, zodat onvoldoende is komen vast te staan welk deel van die klachten voortkomen uit het feit. De rechtbank is van oordeel dat het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal bij het toegewezen deel van de vordering van [slachtoffer 2] de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het primair, subsidiair, meer subsidiair, nog meer subsidiair en als een na laatste subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het uiterst subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte uiterst subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het uiterst subsidiair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 133 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te 7607 ES Almelo aan de Haven Noordzijde 39;

  • -

    draagt deze jeugdreclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , wonende te [adres 1] , van een bedrag van € 3.029,82 (drieduizendnegenentwintig euro en tweeëntachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

28 oktober 2015, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.029,83, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 oktober 2015 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 40 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor een deel van € 750,- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] , wonende te [adres 2] , in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. E.J.M. Bos, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van

mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.

Mr. Berg is wegens afwezigheid niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland, district Twente, met dossiernummer 2015526034 (onderzoek Fluweelboom). Tenzij anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.