Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:820

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
22-02-2017
Zaaknummer
C/08/15/750 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldsaneringsregeling; tussentijdse beëindiging; informatieverplichting, boedelachterstand en nieuwe schulden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht

Zittingsplaats Almelo

insolventienummer: C/08/15/750 R

Uitspraakdatum: 24 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken in de wettelijke schuldsaneringsregeling van:

[C] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

de schuldenares, verder ook [C] te noemen,

In deze schuldsaneringsregeling is de heer C. Gent, werkzaam bij Kolkman Advocaten te Almelo, tot bewindvoerder benoemd.

Het procesverloop

De rechter-commissaris heeft bij voordracht van 7 december 2016 verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

De voordracht is behandeld ter zitting van 17 januari 2017, waar [C] is verschenen, vergezeld van haar beschermingsbewindvoerder mevrouw [A] , werkzaam bij de Stadsbank Oost Nederland en van mevrouw [B] , werkzaam bij De Twentse Zorgcentra. Tevens is de bewindvoerder verschenen. Van de behandeling ter zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De voordracht van de rechter-commissaris:

De voordracht van de rechter-commissaris wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Kort weergegeven verzoekt de rechter-commissaris om tussentijdse beëindiging van deze schuldsaneringsregeling, omdat niet is voldaan aan de afdrachtplicht waardoor een achterstand in de boedelafdracht is ontstaan van € 2.487,30. Daarnaast bestaat het vermoeden dat die achterstand hoger is, omdat een ander vrij te laten bedrag, resulterend in een hogere spaarcapaciteit, berekend had moeten worden, aangezien [C] kostgangers heeft gehad: een meerderjarige zoon en een meerderjarige dochter en haar echtgenoot hebben bij [C] ingewoond en inkomsten ontvangen.

Daarnaast is sprake van een nieuwe schuld aan Menzis van € 251,- waarvoor een betalingsregeling is getroffen en aan energieleverancier Robin van € 350,-. Tevens bestaat het vermoeden dat een nieuwe schuld bij de Belastingdienst ontstaat doordat [C] huur- en zorgtoeslag ontvangt, terwijl daar mogelijk, door de inwoning van meerderjarige kinderen met inkomsten, geen recht op bestaat.

De – zakelijk weergegeven – toelichting van de bewindvoerder:

De bewindvoerder heeft ter zitting onder meer verklaard dat de inwonende zoon en dochter van [C] een inkomen hebben gehad van ongeveer € 650,- per maand. De inwonende schoonzoon heeft in de periode dat hij bij [C] inwoonde ongeveer € 1.300,- per maand verdiend. De bewindvoerder heeft voorts verklaard dat de Belastingdienst over 2015 een bedrag van € 1.500,- aan huur- en zorgtoeslag van [C] heeft teruggevorderd. Gelet op het inkomen van de inwonende kinderen en schoonzoon verwacht de bewindvoerder over 2016 een terugvordering van de Belastingdienst van een soortgelijk bedrag. De bewindvoerder heeft verder verklaard dat de nieuwe schuld aan energieleverancier Robin (thans) € 215,- bedraagt. De vordering is gesplitst in een periode voor en na de toelating tot de schuldsaneringsregeling, waarna [C] alsnog een bedrag van € 73,- aan energieleverancier Robin moet voldoen.

De bewindvoerder staat desgevraagd achter de voordracht omdat naar zijn mening ook met een verlenging van de looptijd van de regeling de achterstand in de boedelafdracht en de nieuwe schulden niet meer zijn in te lopen. Tevens krijgt de bewindvoerder geen grip op de schuldsaneringsregeling omdat niet met hem wordt overlegd wie bij [C] gaat inwonen.

De – zakelijk weergegeven – toelichting van [A] en [C] :

[A] heeft ter zitting ten aanzien van de boedelachterstand verklaard dat beslag was gelegd op de uitkering van [C] en dat om die reden geen afdracht had plaatsgevonden. [A] had die afdracht berekend op bijna € 2.000,-. Vervolgens is het beslag teruggedraaid en de teveel ingehouden gelden teruggestort, waarna de berekende afdracht per abuis is overgeboekt naar de leefgeldrekening van [C] in plaats van naar de boedelrekening. Toen [A] daar achter kwam, was het geld al door [C] opgenomen. [C] heeft hierover ter zitting verklaard dat zij het geld onder meer heeft gebruikt voor de aanschaf van een wasmachine en een bed. [C] dacht dat het geld voor haar bestemd was. Volgens [C] had zij het geld nooit van de leefgeldrekening moeten afhalen. Zij verklaart dat de maandelijkse afdracht aan de boedel nadien nog een paar keer op haar leefgeldrekening is gestort. Dat geld heeft [C] naar haar zeggen wel op haar leefgeldrekening laten staan.

[A] heeft ten aanzien van de nieuwe schulden aan Menzis en aan energieleverancier Robin verklaard dat daar betalingsregelingen voor zijn getroffen die netjes worden nagekomen.

[A] heeft ten aanzien van het inwonen van de meerderjarige zoon en dochter ter zitting verklaard dat zij al vanaf de datum toelating tot de schuldsaneringsregeling inwonen bij [C] . [C] heeft ter zitting verklaard dat haar schoonzoon één maand bij haar heeft ingewoond. Volgens [C] heeft zij het inwonen van haar schoonzoon doorgegeven aan de Stadsbank en is dit akkoord bevonden. [C] moest wel de loonspecificaties van haar schoonzoon aan de Stadsbank verstrekken. Volgens [C] wist zij niet dat deze loonspecificaties ook naar de bewindvoerder moesten worden gestuurd.

De motivering van de beslissing:

Ingevolge artikel 350 lid 3 onder c en d Faillissementswet (Fw) kan de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen indien de schuldenaar een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of nieuwe schulden laat ontstaan. Gezien de bevindingen van de bewindvoerder, die door [C] niet zijn weersproken, is van deze gronden tot beëindiging sprake.

Gebleken is immers dat een berekening van het vrij te laten bedrag tot op heden niet is goedgekeurd omdat de bewindvoerder, ondanks herhaald verzoek, onvoldoende informatie heeft ontvangen. Uitgangspunt is derhalve artikel 295 lid 2 Fw, te weten dat de schuldenares slechts de beschikking heeft over de beslagvrije voet, zijnde € 925,65.

Gebleken is voorts dat [C] in de periode oktober 2015 tot en met november 2016 een achterstand in de boedelafdrachten heeft laten ontstaan van tenminste € 2.487,30. Gezien hetgeen ter zitting is verklaard, valt [C] het ontstaan van de achterstand in de boedelafdrachten aan te rekenen. Weliswaar is een boedelafdracht van bijna € 2.000,- door de Stadsbank per abuis op de leefgeldrekening van [C] gestort, maar het is haar verantwoordelijkheid om dit bedrag op haar leefgeldrekening te laten staan en niet te gebruiken voor de aanschaf van een aantal gebruiksgoederen. Ter zitting heeft zij ook erkend dat zij het geld nooit van de leefgeldrekening af had moeten halen. Het instellen van een (meerderjarigen)bewind ontslaat [C] evenmin van een eigen verantwoordelijkheid voor de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

Daarnaast bestaat het vermoeden dat de boedelachterstand nog hoger is, omdat een ander vrij te laten bedrag, resulterend in een hogere spaarcapaciteit berekend had moeten worden, omdat een meerderjarige zoon en een meerderjarige dochter en haar echtgenoot bij [C] hebben ingewoond en inkomsten hebben ontvangen. De bewindvoerder heeft van [C] noch van haar beschermingsbewindvoerder voldoende informatie ontvangen om een behoorlijke berekening op te kunnen maken.

Voorts bestaat het vermoeden dat een nieuwe schuld ontstaat omdat [C] huur- en zorgtoeslag ontvangt, terwijl daar mogelijk, door de inwoning van de meerderjarige kinderen met inkomsten, geen recht op bestaat. Blijkens de behandeling ter zitting heeft de Belastingdienst om die reden over 2015 een bedrag van € 1.500,- aan huur- en zorgtoeslag van [C] teruggevorderd en verwacht de bewindvoerder dat over 2016 een soortgelijk bedrag zal worden teruggevorderd. Tot slot heeft [C] nieuwe schulden laten ontstaan aan Menzis en energieleverancier Robin waarvoor betalingsregelingen zijn getroffen.

De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard geen oplossing te zien om de openstaande achterstanden binnen de resterende looptijd in te kunnen lopen. Ook bij een maximale verlenging van twee jaar verwacht hij niet dat [C] in staat zal zijn om vanuit het vrij te laten bedrag de achterstand in de boedelafdracht en de nieuwe schulden in te lopen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 onder c en d Fw.

Gebleken is dat er geen baten zijn om de vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Om die reden is artikel 350 lid 5 Fw niet van toepassing en zal de schuldsaneringsregeling eindigen op de dag dat deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

De rechtbank zal de vergoeding van de bewindvoerder berekenen en zijn salaris vaststellen als hiernavolgend te bepalen.

Met betrekking tot het na betaling van de boedelkosten en –schulden resterende boedelactief, overweegt de rechtbank dat dit actief, indien aanwezig, door de bewindvoerder informeel onder de bekende schuldeisers zal worden verdeeld.

De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- berekent het bedrag van de vergoeding van de bewindvoerder op € 2.064,- (inclusief onkosten en omzetbelasting);

- stelt het salaris van de bewindvoerder vast op de vergoeding, onder aftrek van de door de bewindvoerder reeds opgenomen voorschotten;

- bepaalt dat de bewindvoerder het restant-actief, indien aanwezig, informeel onder de bekende schuldeisers zal verdelen.

Gewezen door mr. M.L.J. Koopmans, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.1

1