Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:796

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
08/760023-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/760023-16

Datum vonnis: 20 februari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 mei 2016, 20 september 2016 en 6 februari 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Revis en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. W.K. Cheng, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd een persoon van het leven te beroven dan wel heeft geprobeerd die persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

feit 2: heeft geprobeerd, al dan niet samen met een ander, door geweld of bedreiging met geweld goederen bij een persoon weg te nemen, dan wel heeft geprobeerd, al dan niet samen met een ander, een persoon af te persen;

feit 4: een persoon heeft bedreigd;

feit 5: een hoeveelheid amfetamine voorhanden heeft gehad.

Voluit luidt de tenlastelegging – na wijziging ter terechtzitting van 3 mei 2016 - aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [A] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes meermalen, althans eenmaal in het lichaam van die [A] heeft gestoken, en/of

meermalen, althans eenmaal met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik, althans het lichaam van die [A] heeft gemaakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes meermalen, althans eenmaal in het lichaam van die [A] heeft

gestoken, en/of meermalen, althans eenmaal met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik, althans het lichaam van die [A] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Almelo op of aan de openbare weg, de Ootmarsumsestraat , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een mobiele telefoon en/of geld en/of één of meer (andere) goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [B] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- die [B] op een bromfiets is/zijn genaderd en/of

- die bromfiets voor die [B] tot stilstand heeft/hebben gebracht en/of

- tegen die [B] heeft/hebben gezegd te blijven staan en/of

- tegen die [B] heeft/hebben gezegd dat hij zijn mobiele telefoon moest pakken en/of

- die [B] achterna heeft/hebben gerend,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [B] te dwingen tot de afgifte van een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [B] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededaders, door

- die [B] op een bromfiets te naderen en/of

- die bromfiets voor die [B] tot stilstand te brengen en/of

- tegen die [B] te zeggen te blijven staan en/of

- tegen die [B] te zeggen dat hij zijn mobiele telefoon moest pakken en/of

- die [B] achterna rennen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Almelo [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in een opgeheven hand in de richting van die [C] is gelopen en/of daarbij de woorden "laat mijn vriend los" heeft gebruikt/geroepen;

5.

hij op of omstreeks 23 januari 2016 te Almelo opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,89 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, zijnde Amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank overweegt dat, nu kennelijk abusievelijk feit 3 is weggevallen, de hiervoor onder 4 en 5 vermelde feiten hierna als de feiten 3 en 4 zullen worden vermeld.

3 Het standpunt en de vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 4 wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor die feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 80 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd en met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft vrijspraak voor feit 3 gevorderd.

Met betrekking tot de civiele vordering van [A] (feit 1) is de officier van justitie van mening dat die vordering voor wat betreft het immateriële deel met € 500,-- dient te worden gematigd, zodat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 1.406,59, met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het bedrag van € 500,-- dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de civiele vordering van [B] (feit 2) is de officier van justitie van mening dat die vordering geheel kan worden toegewezen.

De officier van justitie is voorts van mening dat [C] (feit 3) in zijn civiele vordering

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de gevorderde vrijspraak voor feit 3.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen, te weten een broek, merk Hugo Boss, en een (grijs) mes is de officier van justitie van mening dat de broek dient te worden teruggegeven aan de eigenaar [A] en dat het mes dient te worden onttrokken aan het verkeer.

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, conform de op 20 september 2016 overgelegde pleitnota, dat verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 dient te worden vrijgesproken en dat alleen een veroordeling kan volgen voor feit 4, het aanwezig hebben van amfetamine.

De raadsman is van mening dat er geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, omdat verdachte reeds geruime tijd in voorarrest heeft doorgebracht.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen, welke indien hoger beroep wordt ingesteld als bijlage aan het vonnis zullen worden gehecht. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het wettige en overtuigende bewijs voor dat feit.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat verdachte het onder 1 primair, 3 en onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 23 januari 2016 te Almelo ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [A] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in het lichaam van die [A] heeft gestoken en met een mes stekende bewegingen in de richting van de buik van die [A] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 23 januari 2016 te Almelo [C] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes in een opgeheven hand in de richting van die [C] gelopen en heeft hij daarbij de woorden "laat mijn vriend los" geroepen;

4.

hij op 23 januari 2016 te Almelo opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,89 gram van een materiaal bevattende Amfetamine, zijnde Amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, onder 3 en onder 4 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Met betrekking tot feit 1 primair heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Uit het verhandelde ter terechtzitting en gelet op de inhoud van de afgelegde verklaringen van met name [A] , [C] en [D] (bij zowel de politie als de rechter-commissaris) staat naar het oordeel van de rechtbank het volgende vast.

Verdachte is op de fiets naar zijn medeverdachte [E] en de groep mensen onder wie aangever [A] toegereden. Verdachte is, nadat hij van de fiets is gesprongen, op agressieve wijze en zwaaiend met een fors en scherp ogend mes op aangever afgelopen, daarbij roepend dat “ze” zijn vriend los moesten laten. Vervolgens heeft verdachte, op korte afstand van aangever [A] stekende bewegingen gemaakt in de richting van de buik (het lichaam) van die [A] . Verdachte had tevoren drugs, te weten amfetamine, gebruikt.

Het slachtoffer heeft de stekende bewegingen in de richting van zijn buik ternauwernood weten te ontwijken.

In de worsteling die nadien tussen verdachte en [A] is ontstaan heeft verdachte het mes in zijn handen gehouden en is [A] twee keer is geraakt in zijn linker (boven)been.

Naar het oordeel van de rechtbank levert het handelen, zoals hierboven beschreven, een aanmerkelijke kans op de dood op, immers bevinden zich in het gebied waar verdachte trachtte te steken (buik) vitale organen. Vervolgens heeft verdachte meerdere keren met het mes het lichaam van [A] geraakt, terwijl zij beiden volop in beweging waren, waardoor naar het oordeel van de rechtbank evenzeer de aanmerkelijke kans bestond dat het mes [A] zodanig zou raken dat hij daardoor op enige plaats aan zijn lichaam dodelijk letsel op zou lopen.

Door op die wijze te handelen heeft verdachte ook bewust de kans aanvaard dat aangever zou komen te overlijden, indien hij in zijn voornemen zou zijn geslaagd.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto 45 (feit 1 primair) en artikel 285 (feit 3) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en artikel 10 van de Opiumwet (feit 4). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair het misdrijf: poging tot doodslag;

feit 3 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 4 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte, die verslaafd is, heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig agressief delict door te proberen een persoon met een mes van het leven te beroven. Een feit als dit houdt doorgaans een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, maar brengt ook gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de maatschappij. Verdachte heeft zich hier geen enkele rekenschap van gegeven en heeft het leven van een ander in gevaar gebracht.

Verdachte heeft met voornoemd mes bovendien een ander bedreigd. Ook heeft hij een geringe hoeveelheid amfetamine voorhanden gehad.

Verdachte is eerder veroordeeld ter zake misdrijven.

Omtrent verdachte is door de reclassering gerapporteerd op 26 januari 2016, 5 april 2016 en 12 januari 2017. Ook is over verdachte een voortgangsrapportage uitgebracht door [F] , werkzaam bij de zorginstelling Insieme Cura.

Op 27 december 2016 heeft de GZ-psycholoog [G] over verdachte gerapporteerd. Verdachte heeft aan dat onderzoek niet mee willen werken.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van de op te leggen straf acht geslagen op de inhoud van voornoemde rapporten.

Verdachte is op 3 mei 2016 na een detentie van 100 dagen voor de onderhavige zaak in vrijheid gesteld en sindsdien is hij niet meer met justitie en politie in aanraking geweest.

De gevolgen voor het slachtoffer bij feit 1 zijn beperkt gebleven, hetgeen weliswaar geen verdienste is geweest van verdachte, maar uitsluitend een zeer gelukkige bijkomstigheid.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een aanmerkelijk hogere straf dan geëist op zijn plaats is.

Ter zitting van 6 februari 2017 is gebleken dat verdachte intensief met zichzelf aan de slag is gegaan en dat hij naar eigen zeggen goede - maar langzame - progressie boekt.

Een hernieuwde onvoorwaardelijke detentie zou, naar het oordeel van de rechtbank, de positieve ontwikkelingen bij verdachte ernstig kunnen verstoren.

De rechtbank zal, alles afwegend, een straf opleggen, waarvan een groot gedeelte voorwaardelijk zal zijn. Verdachte krijgt aldus de kans zich verder in positieve zin te blijven ontwikkelen en weet, indien hij zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig zou maken, dat hem dan alsnog een aanmerkelijke gevangenisstraf boven het hoofd hangt.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank overweegt dat de inbeslaggenomen broek, merk Hugo Boss, dient te worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar, te weten [A] , terwijl verdachte van het inbeslaggenomen mes, kleur grijs met houten handvat, ter zitting afstand heeft gedaan. De rechtbank zal om die reden over dit mes geen beslissing nemen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij [A]

[A] , wonende te [woonplaats 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van verdachte tot betaling van in totaal € 1.906,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    broek/pantalon € 109,95

  • -

    overhemd € 100,00

  • -

    iPhone € 289,95

  • -

    schoenen € 126,14

  • -

    eigen risico zorg € 30,55

  • -

    immateriële schade € 1.250,00.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten, te weten broek/pantalon, overhemd en eigen risico zorg zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. Bovendien acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 750,00 redelijk en billijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen voor een bedrag van € 990,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De overige of meer gestelde schades, tot een bedrag van in totaal € 916,09, zijn naar het oordeel van de rechtbank door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De vordering van de benadeelde partij [C]

[C], wonende te [woonplaats 3] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van verdachte tot betaling van in totaal

€ 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post immateriële schade.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde immateriële schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom geheel toewijzen voor een bedrag van € 350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.3

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal bij de vorderingen zoals hiervoor vermeld onder rechtsoverweging 9.1 en 9.2 telkens de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 en feit 3 is toegebracht.

9.4

De vordering van de benadeelde partij [B]

[B] , wonende te [woonplaats 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 300,00. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij [B] dient in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien verdachte voor feit 2 wordt vrijgesproken.

De benadeelde partij kan zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36d, 57 en 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: poging tot doodslag;

feit 3 het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 4 het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van driehonderdzestig (360) dagen, waarvan tweehonderdzestig (260) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan:

de benadeelde partij [A] van een bedrag van € 990,50

en aan de benadeelde partij [C] van een bedrag van € 350,00

telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over die bedragen vanaf 23 januari 2016 ;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door die benadeelde partijen gemaakt, tot op heden telkens begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de onder 1 primair en onder 3 bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 990,50 ten behoeve van de benadeelde [A] en tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 350,00 ten behoeve van de benadeelde [C], met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van respectievelijk 19 en 7 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partijen het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partijen het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [A] voor een deel van € 916,09 niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [B] in het geheel niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat de benadeelde partij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van een broek, merk Hugo Boss, aan de rechtmatige eigenaar, te weten [A] .

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. A.M. Rikken en

mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2017.

Buiten staat

Mr. Rikken en mr. Skerka zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.