Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:742

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
24-02-2017
Zaaknummer
5237405 \ CV EXPL 16-5365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegen makelaar gerichte terugvordering bemiddelingskosten door vader van dochter die de onderliggende huurovereenkomst is aangegaan. Onduidelijk is echter of sprake is van lastgeving om de betaalde vergoeding terug te vorderen. Geen ruimte voor bewijsopdracht. Volgt afwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 5237405 \ CV EXPL 16-5365

Vonnis van 21 februari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAXX VASTGOED B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde partij, hierna te noemen Maxx,

gemachtigde: mr. A.P. Maes.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 juni 2016

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de vader van [A] , die is geboren op 14 september 1996 (hierna: de dochter). De dochter was op zoek naar woonruimte. Via Maxx is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de huur van een kamer in het pand aan de Groenestraat 8 te Zwolle. [eiser] heeft aan Maxx een bedrag van € 429,55 betaald ten titel van bemiddelings-kosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat Maxx bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 15 juni 2016 tot aan de dag waarop alles is betaald. Daarbij vordert hij dat Maxx wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

3.2.

Maxx concludeert - samengevat - dat [eiser] niet ontvankelijk is in zijn vordering, omdat zij geen zaken heeft gedaan met [eiser] maar met de dochter. Subsidiair heeft Maxx de afwijzing van de vordering bepleit.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft gesteld dat ‘er sprake is van lastgeving’, waarbij hij als lasthebber op eigen naam optreedt. Gelet op HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4665, HR 28 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0490 en 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0231 kan een schuldeiser aan een ander de last geven zijn vordering in eigen naam te innen en kan deze lasthebber deze vordering ook in rechte in eigen naam innen. Als het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden (HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665).

4.2.

[eiser] is niet helder in de hoedanigheid waarin hij optreedt, of wie als de eisende partij optreedt. Zo stelt hij dat ‘eiseres’ heeft gereageerd op een woning (dagvaarding), maar ook dat ‘eiser’ de kamer zelf heeft gevonden op de website van Maxx (conclusie van repliek). ‘Eiseres’ stelt zich primair op het standpunt dat er geen bemiddelingsopdracht is verstrekt (repliek, onderdeel 8), maar subsidiair stelt ‘eiser’ zich op een ander standpunt (repliek, onderdeel 9). Dat [eiser] lasthebber is tot het innen van een vordering van de dochter wordt daardoor twijfelachtig. Te meer, gelet op de stelling dat [eiser] de huurovereenkomst heeft ondertekend omdat de dochter destijds minderjarig was. Daarmee suggereert [eiser] immers dat hij de huurovereenkomst heeft getekend in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn – inmiddels meerderjarige – kind. Wat het bereiken van de meerderjarige leeftijd van de dochter kort nadien betekent voor deze procedure, heeft [eiser] onbesproken gelaten.

4.3.

Dat [eiser] lasthebber is tot inning van onderhavige vordering middels een gerechtelijke procedure, heeft hij niet anders onderbouwd dan met zijn stelling dat ‘sprake is van lastgeving’. Hij verwijst verder naar de ondertekening van de ‘Principeovereenkomst Zwolle’, als productie 4 overgelegd bij repliek, maar die overeenkomst behelst de totstandkoming van een huurovereenkomst tussen de dochter en verhuurder van het gehuurde en houdt geen opdracht van de dochter aan [eiser] tot inning van een vordering in. Dat de bemiddelingskosten door [eiser] zijn voldaan stuit, gelet op artikel 6:30 BW, op geen kenbaar bezwaar. En het eigenhandig optreden van [eiser] , zoals blijkt uit de brief van [eiser] aan Maxx van 15 februari 2016, is geen bewijs van een opdracht tot lastgeving van de dochter.

4.4.

De kantonrechter is al met al van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te kunnen dragen dat hij lasthebber is om in opdracht van de dochter onderhavige vordering te innen. Zo de uitkomst van de inhoudelijke beoordeling ertoe zou leiden dat Maxx de bemiddelingskosten terug dient te betalen, dan is het maar zeer de vraag of zij bevrijdend kan betalen aan [eiser] . Nu die onduidelijkheid niet is opgehelderd en [eiser] onvoldoende heeft gesteld om toegelaten te worden tot het bewijs van zijn stellingen, zal de kantonrechter de vordering afwijzen.

4.5.

[eiser] is daarbij de partij die in het ongelijk is gesteld. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van deze procedure, die aan de zijde van Maxx worden begroot op € 120,00 wegens salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Maxx begroot op € 120,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017. (CT)