Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:736

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
AK_ZWO_16_2784
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank komt tot conclusie dat ook in de nu voorliggende zaak artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a van de Participatiewet buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR; ook overigens onvoldoende onderbouwing dat sprake is van wederzijdse zorg; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/103

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2784

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. V.J. Oranje, advocaat te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2016 heeft verweerder de (tweede) aanvraag van eiseres om bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) afgewezen.

Het door eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van

11 oktober 2016 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 24 november 2016 beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J. Vegt.

Overwegingen

1. Eiseres woont in een woning die door [naam] (hierna te noemen: [naam]) wordt gehuurd. Eiseres en [naam] hebben in een onderhuur-contract vastgelegd, dat eiseres onderhuurder is tegen een huurprijs van € 375,- per maand plus servicekosten van € 40,- per maand.

2. Vanwege haar medische situatie is op 11 maart 2016 aan eiseres voor het jaar 2016 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 42.515,49 toegekend voor ‘Formele Zorgaanbieder Persoonlijke Verzorging’ en ‘Informele Zorgaanbieder Persoonlijke Verzorging’. Dit pgb besteedt eiseres volledig aan de inhuur van verzorging en verpleging. Met [naam] heeft zij een zorgovereenkomst gesloten, waarin is vastgelegd dat eerstgenoemde aan haar 30 uur zorg per week verleent voor € 23,- per uur. Per maand betaalt eiseres uit het aan haar verleende pgb € 3.151,- aan [naam] voor de verleende zorg.

3. Op 15 februari 2016 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag om bijstand ingevolge de Pw ingediend. Verweerder heeft besloten deze aanvraag niet in behandeling te nemen, omdat eiseres niet binnen de gestelde termijn alle door verweerder gevraagde gegevens, waaronder een geldig identiteitsbewijs, heeft overgelegd.

4. Op 15 april 2016 heeft eiseres bij verweerder een tweede aanvraag om bijstand ingevolge de Pw ingediend. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen bij besluit van 9 juni 2016, omdat verweerder van mening is dat eiseres en [naam] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Pw voeren en het gezamenlijk inkomen boven de norm voor gehuwden ligt. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft verweerder bij besluit van 11 oktober 2016, met overname van het door de commissie bezwaarschriften gegeven advies, ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat zij op geen enkele wijze zorg verleent aan [naam]. Zij betaalt [naam] voor de zorg en verpleging die zij van haar ontvangt en is haar voor inwoning bij [naam] huur en servicekosten verschuldigd. Er is sprake van commerciële verhuur. Eiseres is niet in staat te helpen bij de boodschappen of welke feitelijke bijdragen in het huishouden dan ook. Zij is zodanig aan bed gekluisterd dat dat volstrekt buiten haar mogelijkheden ligt. Een bijdrage in de kosten van het huishouden levert zij evenmin. Eiseres wenst te benadrukken dat haar relatie met [naam] een eenzijdige is. [naam] doet alles en eiseres wordt slechts verzorgd. Haar bijdrage is nul.

Ter zitting is namens eiseres een beroep gedaan op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487. Eiseres stelt dat zij zorgbehoevende is en dat in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw sprake is van een verboden onderscheid. Eiseres meent dan ook dat zij recht heeft op bijstand als alleenstaande.

Verweerder blijft van oordeel dat een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en het inkomen boven de norm voor een gezamenlijk huishouden ligt. Verweerder heeft zich verder gemotiveerd tegen de genoemde uitspraak van de CRvB gekeerd.

6. De rechtbank stelt vast, dat het beroep geen betrekking heeft op het buiten behandeling stellen van de bijstandsaanvraag van eiseres van 15 februari 2016.

Bij de nu voorliggende (tweede) aanvraag van 15 april 2016 heeft eiseres als gewenste ingangsdatum voor de bijstandsuitkering 15 februari 2016 genoemd. De door de rechtbank te beoordelen periode is daarom de periode van 6 februari 2016 tot en met 9 juni 2016 (de datum van het primaire besluit).

7.1

Eiseres heeft zich eerst ter zitting op de uitspraak van de CRvB van 6 december 2016 beroepen. Verweerder heeft hier gemotiveerd op kunnen reageren, zodat de rechtbank de beroepsgrond inhoudelijk kan bespreken.

7.2

Tussen eiseres en verweerder is niet in geschil, dat bij eiseres sprake is van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. De CRvB heeft in genoemde uitspraak geoordeeld, dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, voor zover de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graag, wegens strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR) buiten toepassing dient te worden gelaten.

7.3

Verweerder brengt hier tegenin, dat er geen sprake is van gelijke situaties; de situatie waarin twee willekeurige meerderjarigen samenwonen, waarbij er een zorgbehoeftig is, is volgens het college een andere dan die van een zorgbehoeftige bijstandsgerechtigde met een inwonende, verzorgende broer, zus of grootouder.

De rechtbank merkt hierover op, dat de CRvB zich duidelijk heeft uitgesproken over de vraag of er een aanknopingspunt is voor een gerechtvaardigd verschil in behandeling van samenwonende bloedverwanten in de tweede graad en andere ongehuwd samenwonenden, indien er bij één van hen sprake is van zorgbehoefte. De CRvB heeft min of meer impliciet aangenomen dat bloedverwanten in de tweede graad en niet-bloedverwanten in de situatie dat er sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf, terwijl één van hen zorgbehoeftig is, “gelijke gevallen” zijn.

In hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de met de situatie waarop de uitspraak van de CRvB ziet vergelijkbare situatie van eiseres en [naam] niet gelijk is aan die van een zorgbehoeftige bijstandsgerechtigde met een inwonende, verzorgende broer, zus of grootouder. De enkele omstandigheid dat er geen sprake is van (bloed)verwantschap tussen eiseres en [naam] acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

7.4

Verder meent verweerder dat, naar de rechtbank begrijpt, voor zover er niettemin sprake is van gelijke gevallen, voor het onderscheid in hun behandeling wel een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, waarbij verweerder er op wijst, dat de Hoge Raad (HR) heeft uitgesproken dat het oordeel van de wetgever moet worden geëerbiedigd, zolang er geen sprake is van onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras of etnische afkomst. Verweerder heeft hiermee het kader dat wordt gehanteerd voor toetsing van formele wetgeving aan een ieder verbindende discriminatieverboden als hier aan de orde, niet juist weergegeven. Zoals (deels) ook in de uitspraak van de CRvB van 6 december 2016 is vermeld, houdt dit kader in, dat artikel 26 van het IVBPR niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Daarbij verdient opmerking dat op het terrein van de sociale zekerheid aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en, in het bevestigende geval, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is.

Dat de keuze van de wetgever (reeds) moet worden gevolgd, nu er geen sprake is van onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras of etnische afkomst, is dan ook niet juist.

De CRvB heeft verder geen objectieve rechtvaardigingsgrond gevonden voor het in de betreffende wettelijke bepaling gemaakte onderscheid tussen bloedverwanten in de tweede graad en niet-bloedverwanten, in de wetsgeschiedenis, noch anderszins. De CRvB heeft daarbij van belang geacht dat de familieband tussen bloedverwanten in de eerste graad juridisch nauwer is dan die tussen tweedegraads bloedverwanten, dat de aanwezigheid van een kleine groep met een klemmend maatschappelijk probleem geen aanleiding is om een grote(re) groep met hetzelfde probleem anders te behandelen en dat het een feit van algemene bekendheid is dat in de huidige tijd familiebanden bij de invulling van concrete zorg niet langer allesbepalend zijn. Zo komt het regelmatig voor dat een intensieve zorgrelatie aanwezig is tussen personen met een speciale band zonder dat sprake is van enige bloedverwantschap, aldus de CRvB. Ten slotte is de categorie bloedverwanten in de tweede graad uit diverse andere wetten geschrapt uit bepalingen die in beginsel eenzelfde begrip gezamenlijke huishouding kennen. Verweerder heeft tegen dit oordeel geen gronden ingebracht, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet de CRvB hierin niet te volgen.

7.5

Verweerder brengt naar voren, dat de CRvB zich kennelijk niet realiseert wat de verstrekkende gevolgen zijn bij het ontstaan van zorgbehoefte tijdens de bijstand. De rechtbank merkt daarover op, dat het aan de wetgever is om de gevolgen van de uitspraak in kaart te brengen en te bezien of en zo ja welke actie nodig is. In dat kader acht de rechtbank van betekenis, dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in reactie op kamervragen heeft opgemerkt dat, zolang de Pw niet is gewijzigd, gemeenten gehouden zijn om in voorkomende individuele gevallen rekening te houden met de genoemde CRvB-uitspraak. Dit betekent volgens de Staatssecretaris dat de uitzondering die volgens de huidige wettelijke regeling alléén geldt voor tweedegraads bloedverwanten op alle ongehuwd samenwonenden van toepassing is, mits aan de voorwaarde voor zorgbehoefte wordt voldaan (www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2017/01/24/beantwoording-kamervragen -over-uitspraken-centrale-raad-van-beroep, kenmerk 2016Z24582 en 2016Z24892).

7.6

De rechtbank komt tot de conclusie dat, gelet op de inhoud van de uitspraak van de CRvB, in welke uitspraak ook expliciet aandacht is besteed aan de situatie dat een intensieve zorgrelatie aanwezig is tussen personen met een speciale band zonder dat sprake is van enige bloedverwantschap, ook in de nu voorliggende zaak artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR, voor zover de uitzondering wegens het bestaan van een zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad. De rechtbank herhaalt daarbij, dat zij in hetgeen van de zijde van verweerder naar voren is gebracht, geen aanleiding ziet de genoemde uitspraak van de CRvB niet te volgen. Daarbij betrekt de rechtbank de reactie van de Staatssecretaris op deze uitspraak. Mede gelet op de voorliggende situatie acht de rechtbank het niet opportuun de resultaten van een mogelijke cassatieprocedure af te wachten.

7.7

Nu verder niet ter discussie staat dat bij eiseres sprake is van een zorgbehoefte in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, kan het bestreden besluit in rechte geen stand houden wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR.

7.8

De rechtbank kan geen verder vervolg geven aan de vernietiging van het bestreden besluit. De rechtsgevolgen kunnen niet in stand worden gelaten en de rechtbank heeft geen mogelijkheden zelf in de zaak te voorzien, nu geen duidelijkheid bestaat over de middelen van eiseres, de toepasselijke (kostendelers-)norm en het standpunt van verweerder over de gewenste ingangsdatum van de uitkering. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet in het toepassen van de bestuurlijke lus geen versnelling, mede nu verweerder het fundamenteel oneens is met de door de CRvB gekozen lijn.

8. Hoewel ten overvloede wil de rechtbank ten slotte niet nalaten het volgende op te merken. Ook los van hetgeen onder 7.1 tot en met 7.8 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, nu verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat eiseres en [naam] blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Van een bepaalde mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van (woon)lasten, hiermee samenhangende vaste lasten en betaling van pgb-gelden door eiseres aan [naam] vanwege (eenzijdige) zorgverlening is de rechtbank niet gebleken. Ook andere feiten en omstandigheden die voldoende zijn om aan te nemen dat eiseres en [naam] in zorg voor elkaar voorzien zijn de rechtbank niet gebleken. Dat door eiseres en [naam] bepaalde activiteiten gezamenlijk worden ontplooid is onvoldoende voor het oordeel dat aan het wederzijdse zorgcriterium is voldaan. Ook hetgeen voorafgaand aan de te beoordelen periode is gebeurd is niet bepalend. Dat geen sprake is van een zuiver zakelijke relatie maakt ook niet dat daarmee is voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg, nu intenties noch omstandigheden van subjectieve aard een doorslaggevende rol spelen. De rechtbank benadrukt, dat ook van zorg van de zijde van eiseres sprake moet zijn. Dat eiseres wel eens alleen een boodschap haalt, ongeveer drie kwalitatieve uren per dag heeft, heeft verklaard dat zij wel kan koken, (maar daar vaak te moe voor is en dus niet vaak kookt) en de omstandigheid dat de auto van [naam] geparkeerd wordt op de plek waarvoor eiseres een invalidenparkeerkaart heeft, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om onder de omstandigheden van dit geval wederzijdse zorg aan te nemen. Ten slotte acht de rechtbank het niet juist om eiseres tegen te werpen dat zij niet daadwerkelijk (onderhuur) heeft betaald aan [naam], nu eiseres geen bron van inkomen heeft, mede ten gevolge van de afwijzing van haar bijstandsaanvragen.

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder dit nieuwe besluit op bezwaar binnen zes weken na deze uitspraak neemt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, welke kosten worden begroot op € 990,- in beroep wegens verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, rechter, in aanwezigheid van

C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.