Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:721

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
16-02-2017
Zaaknummer
ak_16 _ 1345
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in kader Participatiewet terecht aan eiseres de verplichting opgelegd om van haar ex-partner kinderalimentatie te eisen; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1345

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. K.J. Coenen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres in het kader van de Participatiewet (PW) de verplichting opgelegd om alimentatie voor haar kind op te eisen.

Bij besluit van 7 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I. Brouwer en M. Spoolder.

De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. Partijen hebben vervolgens toestemming verleend voor het doen van een uitspraak zonder nadere behandeling ter zitting.

Overwegingen

1.1.

Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiseres is in de periode van [datum] tot en met [datum] gehuwd geweest met [naam] (hierna: [naam]). Samen hebben zij een zoon, geboren op [geboortedatum] Eiseres en [naam] hebben voor hun zoon een omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat hij om de twee weken een weekend naar [naam] gaat. Eiseres ontvangt geen partner- of kinderalimentatie van [naam].

1.3.

Met ingang van 28 augustus 2015 is eiseres in aanmerking gebracht voor een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verweerder heeft een onderzoek verricht naar de mogelijkheden van eiseres om kinderalimentatie te eisen van [naam]. De resultaten van dit onderzoek hebben geleid tot de besluitvorming zoals die hierboven onder ‘Procesverloop’ is uiteengezet.

2.1.

Verweerder acht zich op grond van artikel 55 van de PW bevoegd tot het opleggen van de verplichting tot het opeisen van kinderalimentatie. Als de niet-verzorgende ouder zijn verplichting nakomt dan hoeft er minder beroep op de bijstand te worden gedaan. Het is niet van belang of daadwerkelijk kinderalimentatie wordt verstrekt, maar wel dat eiseres actie onderneemt om het te verkrijgen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat nog niet duidelijk is wat er zal gebeuren als eiseres de opgelegde verplichting niet nakomt.

2.2.

Eiseres heeft – samengevat – betoogd dat het gewijzigde systeem van de PW per

1 januari 2015 geen ruimte biedt voor het opleggen van de verplichting om alimentatie te eisen. Voor dit standpunt ziet eiseres steun in jurisprudentie. Ook maakt het besluit van verweerder op onaanvaardbare wijze inbreuk op de privacy van [naam], waardoor de relatie tussen eiseres en [naam] wordt geschaad en waarmee tevens de positie van hun kind ten opzichte van zijn ouders in gevaar kan komen. Nu eiseres het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan aan verweerder heeft overgelegd en daaruit voldoende blijkt van de wijze waarop overeenstemming is bereikt tussen de ouders over alle voor hun kind noodzakelijke regelingen, waaronder een financiële regeling, dient van het opleggen van de verplichting kinderalimentatie te eisen van [naam] te worden afgezien.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Artikel 55, eerste lid, van de PW bepaalt, voor zover van belang, dat, naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, het college vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplichtingen kan opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.

3.1.

Ingevolge de Wet hervorming kindregelingen (Staatsblad 2014, 227) is per 1 januari 2015 de bijstandsnorm voor de alleenstaande ouder vervallen. De aanvulling in de bijstand voor alleenstaande ouders is afgeschaft en de bijstandsnorm voor de alleenstaande ouder is gelijkgesteld aan die voor een alleenstaande. Daarvoor in de plaats is de zogenoemde ‘alleenstaande ouder-kop’ gekomen, als onderdeel van het ‘kindgebonden budget’, een toeslag die wordt uitbetaald door de Belastingdienst.

3.2.

Tussen partijen is in geschil of aan eiseres onder de nieuwe regeling de verplichting opgelegd mag worden om alimentatie voor haar kind te eisen. Gelet op het bepaalde in artikel 55 van de PW is daarvoor van belang, of het ontvangen van alimentatie zou kunnen strekken tot vermindering van bijstand. Eiseres heeft betoogd dat dit als gevolg van de wijzigingen in de PW per 1 januari 2015 niet het geval is. Eiseres heeft daarbij onder andere een beroep gedaan op het arrest van Gerechtshof Den Haag van 22 april 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:1011) en een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van

2 september 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:6424). Volgens eiseres strekt de aan een alleenstaande ouder verleende bijstand niet langer mede ten behoeve van de tot diens gezin behorende minderjarige kinderen. Als gevolg hiervan zou de ontvangen kinderalimentatie niet van invloed mogen zijn op de aan de bijstandsgerechtigde verleende uitkering, die enkel voor de volwassene is bedoeld. Een alleenstaande ouder heeft meer kosten dan een alleenstaande zonder kinderen, zoals een grotere woning met meer slaapkamers, meer stookkosten en hogere vaste lasten, en voor dat overige is het afzonderlijk inkomen in de vorm van onder andere alimentatie bestemd.

3.3.

In het arrest van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1138, gewezen in cassatie op het door eiseres aangehaalde arrest van het Hof, heeft de Hoge Raad geoordeeld over de rechtsvraag of per 1 januari 2015 nog verhaalsrecht bestaat ten laste van de man ter zake van ten behoeve van de kinderen gemaakte kosten van bijstand. Blijkens het arrest wordt bijstand ook na

1 januari 2015 ondeelbaar als gezinsbijstand verstrekt, zodat aan een alleenstaande ouder verleende bijstand steeds mede ten behoeve van de tot diens gezin behorende minderjarige kinderen strekt. De HR heeft daarbij verwezen naar de wetshistorie: “Met de voorgestelde wijziging wordt de aanvulling in de bijstand voor alleenstaande ouders afgeschaft (…). De normen voor alleenstaande ouders worden gelijkgesteld met die van alleenstaanden. Vandaar dat in de betreffende artikelen de aparte normen voor alleenstaande ouders kunnen vervallen. (…) De alleenstaande ouder draagt als gezinshoofd de volledige zorg voor de tot zijn last komende kinderen. De bijstand wordt zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen verstrekt. Dit blijft zo. Kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen. Een voorbeeld hiervan is kinderalimentatie. Dit sluit aan bij het complementaire karakter van de bijstand. In lijn hiermee brengt dit wetsvoorstel geen wijziging in het verhaal van bijstand op degene die zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind niet of niet behoorlijk nakomt.”

(Kamerstukken II, 2012-2013, 33 716, nr. 3, p. 34).

3.4.

Hoewel dit arrest ziet op verhaalsrecht is duidelijk dat de HR oordeelt dat aan een ouder verstrekte bijstand ook in het tijdvak vanaf 1 januari 2015 mede betrekking heeft op de kosten van levensonderhoud van de minderjarige kinderen die tot diens huishouding behoren. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder gerechtigd is om de kinderalimentatie, als deze wordt ontvangen, in mindering te brengen op de bijstandsuitkering van eiseres. Verweerder kan dan ook op de voet van artikel 55 van de PW aan eiseres de verplichting opleggen om van haar ex-partner kinderalimentatie te eisen.

3.5.

Dat het eisen van kinderalimentatie destructief zou zijn voor de kwetsbare relatie tussen eiseres en haar ex-partner, en om die reden niet van haar mag worden verlangd, zoals door eiseres betoogd, is een argument dat is gebaseerd op een verwachting van een onzekere gebeurtenis in de toekomst. De rechtbank kent hier geen doorslaggevende betekenis aan toe, en merkt daarbij op dat er sprake is van een situatie, waarbij het vragen van kinderalimentatie niet de persoonlijke keuze van eiseres betreft, maar een verplichting die haar wordt opgelegd. Dat eiseres het voelt als een inbreuk op haar privacy moge zo zijn, maar de rechtbank acht deze inbreuk gerechtvaardigd, nu deze het gevolg is van het ontvangen van een bijstandsuitkering. Dit brengt immers voor iedere bijstandsgerechtigde zowel rechten als verplichtingen met zich. Tot slot acht de rechtbank de belangen van eiseres om [naam] met een dergelijk verzoek niet te willen belasten niet zwaarwegender dan de algemene belangen van verweerder gemeenschapsgeld zorgvuldig te besteden. Om die reden is het betoog van eiseres ter zitting dat het slechts gaat om ‘peanuts’ evenmin relevant.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter en mr. H.R. Schimmel en mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.