Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:7

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-01-2017
Datum publicatie
03-01-2017
Zaaknummer
C/08/194245 / KG ZA 16-386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Verbieden executeren vonnis. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

Eerder vonnis: zie ECLI:NL:RBOVE:2016:759.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/194245 / KG ZA 16-386

Vonnis in kort geding van 3 januari 2017

in de zaak van

1 [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.J. Schaatsbergen te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.P. Koerselman te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 12 producties

  • -

    de e-mail van [gedaagde] van 14 december 2016 met 15 producties

  • -

    de e-mail van [gedaagde] van 15 december 2016 met productie 16 t/m 21

  • -

    de mondelinge behandeling op 16 december 2016

  • -

    de pleitnota (inclusief 4 foto’s) van [eisers]

  • -

    de pleitnotitie van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn buren van elkaar.

2.2.

Ten behoeve van het perceel van [gedaagde] en ten laste van het perceel van [eisers] is in 1994 – na een ruilverkaveling – een erfdienstbaarheid van weg gevestigd. Partijen moeten om bij hun woningen te komen een brug over en een (voet)pad volgen. Dit pad ligt gedeeltelijk op de grond van [eisers] en loopt door tot de voordeur van [gedaagde]. Tussen partijen is een geschil ontstaan over – onder meer – het gebruik en het onderhoud van het pad.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 7 maart 2016, hersteld op 11 maart 2016 (zaaknummer / rolnummer: C/08/182466 / KG ZA 16-49, hierna: het vonnis van 7 maart 2016), heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, voor zover hier van belang, het volgende beslist:

5.3.

veroordeelt [eisers] om binnen drie weken na betekening van dit vonnis onderhoud te plegen aan het dienende pad, voor zover dat op zijn perceel is gelegen, dusdanig dat de tegels opnieuw en adequaat worden bestraat, met niet meer dan de gebruikelijke ruimten tussen de tegels en vastgezet met stoepbanden,

5.4.

veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.2 en/of 5.3 uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van in totaal

€ 20.000,00 is bereikt,

2.4.

Op 17 maart 2016 heeft [gedaagde] het vonnis van 7 maart 2016 aan [eisers] laten betekenen met gelijktijdig bevel om aan de inhoud daarvan binnen twee dagen te voldoen.

2.5.

Ter uitvoering van het vonnis van 7 maart 2016 hebben [eisers] eind maart/begin april 2016 aan [bedrijf 1] te [woonplaats] opdracht verstrekt om bedoeld onderhoud aan het pad te plegen.

2.6.

Nadien verschillen partijen van mening over de vraag of [eisers] aan de bij gemeld vonnis van 7 maart 2016 uitgesproken veroordeling tot het plegen van onderhoud aan het pad hebben voldaan.

2.7.

Bij deurwaardersexploot van 15 juli 2016 heeft [gedaagde] aangezegd dat [eisers] ondanks het bevel daartoe hebben geweigerd, althans hebben nagelaten om tijdig aan de veroordeling zoals genoemd in het vonnis van 7 maart 2016 te voldoen en voorts dat [eisers] verzuimd hebben binnen drie weken na het exploot van betekening en bevel d.d. 17 maart 2016 aan het daarin genoemde bevel te voldoen en mitsdien thans verbeurd zijn de dwangsommen tot en met 2 juli 2016, aldus 86 dagen x € 100,00 = € 8.600,00. [gedaagde] heeft bevel gedaan om dit bedrag (exclusief explootkosten) aan haar te betalen. [eisers] heeft daaraan geen gevolg gegeven.

2.8.

Op 15 september 2016 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] onder de [stichting] te [plaats] executoriaal derdenbeslag laten leggen. Dit beslag is op 20 september 2016 aan [eiser] betekend.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal verbieden om uitvoering te geven aan het vonnis van 7 maart 2016, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met veroordeling van [eisers] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan hun vorderingen leggen [eisers], samengevat, ten grondslag dat het onderhoud dat zij aan het (dienende) pad hebben laten plegen overeenkomstig het vonnis van 7 maart 2016 tijdig en deugdelijk is uitgevoerd, zodat de stelling van [gedaagde] dat zij ter zake in gebreke zijn gebleven en daardoor dwangsommen hebben verbeurd, onjuist is. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben [eisers] onder meer een tweetal facturen van [bedrijf 1] en een aantal foto’s in het geding gebracht alsmede een schriftelijke verklaring van [bedrijf 1] van 18 juli 2016. [eisers] betogen dat [gedaagde] door de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2016 misbruik van recht maakt.

4.2.

[gedaagde] voert als verweer dat [eisers] - in strijd met het vonnis van 7 maart 2016 - alleen de achterste 6 meter van het pad, grenzend aan haar perceel, opnieuw hebben laten bestraten; de overige circa 49 meter van het pad is (nog) niet opnieuw bestraat. Voorts betwist [gedaagde] dat de bestrating voldoet aan de kwaliteitsnormen van de Stichting Erkenning voor het Bestratingsbedrijf (SEB). Zo zijn de tegels niet aaneengesloten gelegd (met ruimtes van 1-5 cm), zijn er hoogteverschillen tussen de tegels (1-3 cm) en is sprake van gebroken stoepbanden en losliggende/wiebelende tegels. Van adequate bestrating is dus evenmin sprake, aldus [gedaagde]. Ter onderbouwing van haar stellingen verwijst [gedaagde] onder meer naar de brief van [naam] ([bedrijf 2] te [plaats]) van 7 juni 2016 en heeft zij diverse foto’s en filmbestanden overgelegd.

4.3.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.4.

Vooropgesteld zij dat het vonnis van 7 maart 2016 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, zodat dat vonnis onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd. Uitgaande van de bevoegdheid tot executie over te gaan en teneinde te voorkomen dat het executiegeschil met een beroep op het leerstuk van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) alsnog wordt gebruikt als verkapt appèl, dient de executierechter niet snel te beslissen dat sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot executie en dienen de in rechtsoverweging 4.3 genoemde voorbeelden restrictief te worden uitgelegd.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eisers] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt – en dat door [gedaagde] voldoende gemotiveerd is betwist – dat zij (tijdig) hebben voldaan aan de bij vonnis van 7 maart 2016 uitgesproken veroordeling om “binnen drie weken na betekening van dit vonnis onderhoud te plegen aan het dienende pad, voor zover dat op zijn perceel is gelegen, dusdanig dat de tegels opnieuw en adequaat worden bestraat, met niet meer dan de gebruikelijke ruimten tussen de tegels en vastgezet met stoepbanden”. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.6.

Op basis van het aanwezige fotomateriaal en de filmbestanden, die ter zitting zijn getoond, in onderlinge samenhang bezien, heeft [gedaagde] voldoende aangetoond dat slechts een klein deel van het pad opnieuw is bestraat, terwijl bovendien niet kan worden gezegd dat dit deel adequaat is bestraat. Zo is het grootste deel van de tegels op veengrond blijven liggen en zijn niet alle tegels aangebracht op een laag straatzand of brekerzand waardoor deze tegels instabiel liggen (“wiebelen”). Daarnaast zijn de tegels niet over de gehele oppervlakte van het pad aaneengesloten gelegd waardoor op diverse plekken sprake is van meer dan de gebruikelijke ruimten tussen de tegels. Ook is op diverse plekken sprake van een forse afwijking in de hoogteligging van de tegels en van een aantal stoepbanden die – ook op het rechte stuk van het pad – gebroken zijn, niet op elkaar aansluiten en ten opzichte van de tegels te laag zijn aangebracht. Een en ander klemt te meer, nu [eisers] onvoldoende hebben weersproken dat ter plaatse van het pad slechts summiere verlichting is, die ook niet altijd aanstaat, waardoor – zie ook rechtsoverweging 4.9 van het vonnis van 7 maart 2016 – niet onaannemelijk is dat gebruikers van het pad kunnen struikelen over de tegels. Anders dan [eisers] betogen, is de voorzieningenrechter met [gedaagde] van oordeel dat aan het onderhavige (voet)pad hoge eisen mogen worden gesteld, nu dit pad niet alleen voor [gedaagde] maar ook voor anderen een ontsluitingsfunctie naar de openbare weg vervult. In dit verband heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat het tegelpad ook door twee andere buren wordt gebruikt en in de toekomst ook zal worden gebruikt door de bewoners van een aangrenzend bungalowvakantiepark, waarvan de eigenaar ook een recht van erfdienstbaarheid heeft en daarover in conclaaf is met [eisers] De stelling van [eisers] dat (slechts) sprake is van een tuinpad waaraan minder hoge eisen mogen worden gesteld, wordt daarom verworpen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval, zoals [gedaagde] terecht heeft aangevoerd, bij de kwaliteitsnormen van de SEB mag worden aangeknoopt.

4.7.

Al met al komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat [gedaagde] een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 maart 2016. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake. Dit betekent dat het gevorderde verbod om het vonnis van 7 maart 2016 te executeren dient te worden afgewezen.

4.8.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 288,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.104,00

4.9.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal eveneens, op de hierna te melden wijze, worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.104,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de achtste dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2017.1

1 type: coll: