Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:686

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 265
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek af om een voorlopige voorziening te treffen tegen een vergunning voor een vrachtwagenparkeerterrein Truckpoint langs de A1 bij Deventer. De rechter oordeelt dat zowel de omwonenden als de Vereniging Dorpsraad Epse & Joppe geen belanghebbenden zijn.

De verleende vergunning is voor de aanleg van een (klinker- of asfalt)verharding op een relatief klein gedeelte van 25 x 25 meter en op het maken van een uitweg (uitwegvergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/265

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Vereniging Dorpsraad Epse & Joppe en een dertiental omwonenden te Epse, verzoekers,

gemachtigde: mr. G.J.I.M. Seelen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer, verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Deventer,

gemachtigde: M. Bootsma.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Deventer (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen van een parkeerterrein voor vrachtwagens op een perceel gelegen op het bedrijvenpark A1, kadastraal bekend: gemeente Deventer, sectie N, nr. 00414 (thans N476 en N481). Het project, bekend als Truckpoint (toevoeging Rb) bestaat uit de volgende vergunningplichtige activiteiten:

- uitvoeren van een werk of van werkzaamheden;

- aanleggen of veranderen van een uitweg.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit op 10 en 12 december 2016 bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2017. Verzoekers zijn verschenen bij enerzijds de Vereniging Dorpsraad Epse & Joppe (hierna: de vereniging), vertegenwoordigd door E.R. Oldenboom, voorzitter van voornoemde vereniging,

en anderzijds de navolgende omwonenden:

[omwonenden] ,

allen bijgestaan door hun gemachtigde mr. G.J.I.M. Seelen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Hutten-Bekemeijer en ing. M.G.M. Wolbrink-Meijerink.

Voor vergunninghouder zijn verschenen [naam 1] , projectmanager en [naam 2] , exploitant van Truckpoint.

Tevens is verschenen, daartoe door verzoekers meegebracht, als geluidsdeskundige,

ir. J.H. Granneman van Peutz te Zoetermeer.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Voor een goed begrip van het geschil geeft de rechter hierna eerst de standpunten van partijen weer, alvorens tot een oordeel te komen.

2. Verzoekers voeren onder verwijzing naar hun bezwaarschiften, aan dat:

- sprake is van een ongeldige vergunningsverlening door de tenaamstelling van de aanvraag te wijzigen. Verzoekers zien dat als misbruik van regelgeving;

- de kadastrale aanduiding in de omgevingsvergunning niet overeenkomt met de in de aanvraag genoemde kadastrale aanduiding;

- ondanks het op 20 april 2016 door de raad van de gemeente Deventer genomen “Coördinatiebesluit Truckpoint” er geen gecoördineerde aanvraag is gedaan;

- er sprake is van een inrichting als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, onder 13.1, sub b, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en gelet op de omstandigheid dat niet valt uit te sluiten dat er meer dan 3 voertuigen met gevaarlijke stoffen geparkeerd zullen zijn, tevens sprake is van een vergunningplichtige inrichting als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, onder 13.4, aanhef en onder g;

- er, vooral tijdens de nachtelijke uren, kans is op toenemende geluidsoverlast;

- de geluidsbelasting, die is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, zal worden overschreden;

- de geluidswal een opening van 50 meter kent en dus niet af is;

- uit een door Peutz B.V., in opdracht van onder meer verzoekers, op 26 januari 2017 opgestelde reactie op het aan het besluit ten grondslag liggende akoestisch rapport van AnteaGroup van 23 april 2015, blijkt dat er onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd door AnteaGroup en dat aangenomen moet worden dat er hogere geluidsimmissienieveau’s bij de omringende woningen optreden en er gegronde redenen zijn om te vrezen dat de geluidsnormen als gevolg van het gebruik van truckpoint zullen worden overschreden.

Verzoekers erkennen dat slechts een omgevingsvergunning is vereist voor het deel van het terrein met de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie” en de uitweg, maar menen dat desondanks het geheel van het parkeerterrein met voorzieningen moet worden bezien. Zij hebben op zich geen bezwaar tegen de aanleg van de uitweg, maar stellen dat het spoedeisende belang er in is gelegen dat zodra de werkzaamheden zijn uitgevoerd en de parkeerlocatie wordt opgeleverd Truckpoint in gebruik zal worden genomen en er gegronde redenen zijn dat als gevolg daarvan de geluidnormen zullen worden overschreden. Zij vrezen een onomkeerbare situatie indien de aanlegwerkzaamheden niet worden stilgelegd.

3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat:

- de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning niet-ontvankelijk zijn, omdat zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden aangemerkt; de vereniging vanwege haar te algemene doelstellingen en de omwonenden aangezien zij allen op meer dan 300 meter afstand van de locatie wonen.

Subsidiair stelt verweerder ten aanzien van het inhoudelijke geschil dat:

- slechts een aanlegvergunning is vereist voor zover er een dubbelbestemming op de grond ligt en de juridische toets zich daarom beperkt tot het onderhavige besluit dat ziet op het aanleggen van een (klinker- of asfalt)verharding op een archeologisch waardevol stuk grond van 25 x 25 meter en een uitwegvergunning voor het maken van een uitweg;

- de wijziging van de tenaamstelling conform het bepaalde in artikel 2.25, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is gebeurd;

- er sprake is geweest van vernummering van de kadastrale nummers en dit in de beslissing op bezwaar op juiste wijze zal worden weergegeven;

- de coördinatieregeling beoogt om een gecoördineerde aanvraag/behandeling te bevorderen, maar geen coördinatieplicht inhoudt;

- er weliswaar sprake is van een inrichting als bedoeld in bijlage I, onderdeel C, onder 13.1, sub b, van het Bor, maar dat dit een zogenaamde type A-inrichting betreft, waarvoor geen vergunning- en/of meldingsplicht geldt. Dat wellicht in de toekomst voor onderdelen zoals het tankstation wel een meldingsplicht geldt, doet daaraan niet af;

- de in het bestemmingsplan opgenomen geluidzone en de daarbij behorende geluidscontour van 50 dB(A) niet geldt voor de onderhavige locatie;

- de opening in de grondwal dient om de Olthofboerderij te verbinden met het bedrijvenpark en met de bufferzone tussen het bedrijvenpark en de dorpsrand van Epse.

4. Het belang van vergunninghouder is er in gelegen dat afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de (spoedige) oplevering van het parkeerterrein aan de exploitant van Truckpoint die op haar beurt weer afspraken heeft gemaakt omtrent de verhuur van het Truckpoint gedurende 3 jaar aan Rijkswaterstaat.

5.1

Omvang van het geschil.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de verleende omgevingsvergunning voor wat betreft het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden (aanlegvergunning) niet ziet op dat het merendeel van de parkeerplaats voor Truckpoint maar slechts op de aanleg van een (klinker- of asfalt)verharding op een relatief klein gedeelte van 25 x 25 meter met de dubbelbestemming “Bedrijventerrein” en “Waarde-Archeologie” volgens het bestemmingsplan “Bedrijvenpark A1” en op het maken van een uitweg (uitwegvergunning).

Het juridische geschil beperkt zich dus tot de aanleg van de parkeervoorziening op dat kleinere gedeelte van het terrein en de uitweg. Ter zitting is van de zijde van verzoekers bevestigd dat zij geen bezwaar hebben tegen de uitwegvergunning.

De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat verzoekers van mening zijn dat verweerder en vergunninghouder (lees: de gemeente Deventer) zich niet houden aan vroeger gemaakte afspraken en dat omgevingsrechtelijke regels niet worden gehandhaafd. Dit doet er echter niet aan af dat de rechter slechts kan beslissen omtrent het thans voorliggende geschil. Het staat verzoekers vanzelfsprekend vrij om verweerder om handhaving van die afspraken en regels en te verzoeken. Een dergelijk handhavingsverzoek is thans evenwel niet aan de orde.

5.2

Ontvankelijkheid.

Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2, eerste lid, van de Awb).

5.2.1

Ontvankelijkheid Vereniging Dorpsraad Epse & Joppe.

Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen (artikel 1.2, derde lid, van de Awb).

Deze bepaling is nader uitgelegd in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uit die jurisprudentie volgt dat de toetsingscriteria, voor wat betreft de ontvankelijkheid, afhankelijk zijn van de vraag of de rechtspersoon een algemeen belang behartigt dan wel dat de rechtspersoon in het bijzonder het collectieve belang van omwonenden behartigt.

Indien er sprake is van een rechtspersoon die blijkens zijn doelstelling een algemeen belang behartigt, dient te worden beoordeeld of de statutaire doelstelling geografisch en functioneel (enigszins) is toegesneden op datgene wat met het bestreden besluit mogelijk wordt gemaakt. Het statutaire doel van de rechtspersoon mag niet zo veelomvattend zijn dat het onvoldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen oordelen dat het belang van de rechts-persoon rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit. Verder dient de rechtspersoon feitelijke werkzaamheden te verrichten waaruit blijkt dat hij het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt.

Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar Statuten heeft de vereniging ten doel:

-het (doen) bevorderen en/of (doen) beschermen van de materiële en/of immateriële belangen van de bewoners van de kernen Epse en Joppe en bijbehorend buitengebied, hierna ook te noemen “de kern”, en al wat met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

Ingevolge het tweede lid tracht zij dit doel te bereiken door:

a. het (doen) bevorderen van het leefklimaat in en de leefbaarheid binnen de kern;

b. (het (doen) geven van ondersteuning aan sociale, culturele, educatieve, recreatieve en/of sportieve activiteiten in de kern;

c. het vinden van aansluiting bij en/of meewerken met andere organisaties en/of instellingen ter bereiking van het doel;

d. het gevraagd en/of ongevraagd adviseren van de gemeente Lochem en/of andere overheidslichamen en/of instellingen;

e. het tonen van betrokkenheid bij ontwikkelingen in de kern;

f. het voeren van procedures met betrekking tot de in deze statuten genoemde doelstellingen;

g. het houden van vergaderingen, hoorzittingen en/of andere bijeenkomsten;

h. het bevorderen van een goede onderlinge band tussen de betrokkenen in de kern en in de omgeving van de kern.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de in voornoemd artikel omschreven doelstellingen te algemeen en te veel omvattend zijn en niet zijn toegesneden op datgene dat met het bestreden besluit mogelijk wordt gemaakt. In dat verband wijst de voorzieningenrechter er nogmaals op dat het besluit slechts ziet op de aanleg van een deel van het parkeerterrein op een stuk grond van circa 25 bij 25 meter met een dubbelbestemming.

Evenmin is sprake van het behartigen van het collectieve belang van omwonenden. In dat verband wijst de voorzieningenrechter erop dat de vereniging desgevraagd, naar niet is weersproken, tegenover verweerder heeft verklaard dat zij niet beoogt om de belangen van individuele omwonenden te behartigen.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de vereniging niet kan worden aangemerkt als belanghebbende en dat het bezwaar voor zover ingesteld namens de vereniging niet-ontvankelijk naar verwachting zal worden verklaard.

Voor zover van de zijde van de vereniging ter zitting is gesteld dat haar voorganger, de Vereniging Woonmilieu Epse, wel in verschillende procedures met betrekking tot het bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark A1” als belanghebbende is aangemerkt, stelt de voorzieningenrechter vast dat die vereniging, zoals onder meer blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV0602) blijkens haar statuten een op dat bestemmingsplan toegeschreven doelstelling behartigde en daarnaast ook een bundeling van rechtstreeks bij het bestemmingsplan betrokken individuele belangen van een deel van haar leden tot stand heeft gebracht waarin de artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten werden geacht.

5.2.2

Ontvankelijkheid omwonenden.

Naar niet in geschil is wonen de omwonenden op 390 meter of verder van de rand van het plangebied van Truckpoint en is de afstand tot het in geschil zijnde terreingedeelte van 25 bij 25 meter nog groter. Mede gelet op de aard en omvang van de met het besluit mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkelingen, te weten de aanleg van een gedeelte van het parkeerterrein, is deze afstand naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Evenmin hebben de omwonenden feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat zij ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectieve vrees voor mogelijke overlast ná de ingebruikneming van het grotere geheel, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

Ook de omwonenden kunnen niet als belanghebbende als hiervoor bedoeld worden aangemerkt en het bezwaar zal naar verwachting ook ten aanzien van hen niet-ontvankelijk worden verklaard.

6. Aangezien naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de bezwaren niet-ontvankelijk zijn, bestaat geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.