Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:683

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
08/910015-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee mannen zijn veroordeeld tot een plofkraak op een geldautomaat in Enschede. De rechtbank legt hen beiden een gevangenisstraf op van 21 maanden. Voor de ene verdachte is er van deze 21 maanden een voorwaardelijk deel van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Beide mannen moeten een schadevergoeding betalen van 13.900 euro aan de ING. Een derde en vierde verdachte zijn vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/910015-16

Datum vonnis: 14 februari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] , wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. Overijssel, Huis van Bewaring Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 januari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Tromp en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. T. Geerdink, advocaat te Borne, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met anderen door middel van braak een hoeveelheid geld van de ING Bank NV heeft gestolen;

feit 2: samen met anderen een plofkraak heeft gepleegd, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was;

feit 3: samen met anderen opzettelijk een winkelpand heeft vernield door een geldautomaat tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was.

Voluit luidt de – gewijzigde – tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Enschede

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan/in een winkelpand ingebouwde geldautomaat heeft weggenomen E. 227.520, althans E. 30.500,- althans

E. 17.050,-,

althans een grote hoeveelheid geld,

geheel of ten dele toebehorende aan ING Bank NV in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

geld onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Enschede,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door op de [adres]

aldaar op/bij een, in/aan voornoemd pand, ingebouwde geldautomaat aangebrachte explosieve substanties en/of (al dan niet vloeibare) stoffen tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, (een zogeheten ‘plofkraak’) en daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of het gebouw waarin die geldautomaat zich bevond en de aangrenzende en nabij die geldautomaat gelegen pand(en) te duchten was, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de

nabijheid van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval

levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing plaatsvond bevonden, in elk geval gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Enschede

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een gebouw en/of een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten een

gebouw (winkelpand van [winkel] ) aan de [adres] aldaar,

opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd, door een zich in/aan het

gebouw ingebouwde geldautomaat tot ontploffing te laten brengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemd gebouw en de in dat gebouw

aanwezige inboedel en/of de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig in voornoemd gebouw en de

inpandige woningen en/of de personen aanwezig in en/of in de nabijheid van het

gebouw, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen. te duchten was;

art 170 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 170 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs 1

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie staat vast verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] betrokken waren bij de plofkraak, aangezien zij direct daarna door de politie zijn achtervolgd en aangehouden. Bij hen lag een tas met de buit erin. Daarnaast blijkt uit de camerabeelden van de plofkraak en de in genoemde tas aangetroffen papieren van de ING dat verdachte één van de daders was. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat er, gelet op het tijdstip, de plaats en de impact van de ontploffing, naast gemeen gevaar voor gebouwen ook sprake is geweest van levensgevaar voor personen. Er had brand kunnen ontstaan, wat tot levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van het appartementencomplex had kunnen leiden. Ook voor de overvallers zelf was levensgevaar te duchten, doordat zij zo dicht bij de explosie waren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij de plofkraak. De identiteit van de daders is onbekend en uit het feit dat verdachte in de buurt van de plofkraak op een scooter reed kan niet zonder meer worden afgeleid dat de scooter wegreed van de plaats delict. Daarbij had medeverdachte [medeverdachte] de zwarte sporttas bij zich en niet verdachte. Er is geen DNA-materiaal van verdachte gevonden in of op de tas. Ook de medeverdachten hebben niets verklaard over de mogelijke rol van verdachte bij de kraak en uit de camerabeelden noch uit het sporenonderzoek kan worden afgeleid dat verdachte bij de plofkraak aanwezig was. Er is ook onvoldoende bewijs dat verdachte medepleger is geweest.

Hieruit volgt dat het wettige en overtuigende bewijs ontbreekt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer van de tenlastegelegde feiten. Afgezien daarvan is er geen sprake geweest van (levens)gevaar voor personen, immers blijkt niet uit het forensisch onderzoek welk soort explosief is gebruikt, wat de gebruikte hoeveelheid is geweest en op welke wijze het explosief is ingebouwd.

Hieruit volgt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op 11 maart 2016 omstreeks 06.30 uur ontvangt de centrale meldkamer van de politie Twente een melding dat er op dat moment een geldautomaat aan de [adres] te Enschede met een koevoet wordt opengebroken2. Tevens komen er meldingen binnen van omwonenden die zijn opgeschrikt door een enorme explosie en die zien dat er drie mannen op twee scooters wegrijden. Op de ene scooter zitten twee personen, waarvan er één een zwarte sporttas draagt. Op de andere scooter zit één persoon3. Twee verbalisanten horen van de meldkamer dat drie verdachten op twee scooters wegrijden in de richting van de Roomweg in Enschede. Zij zijn in de omgeving en rijden in een surveillanceauto die Roomweg op. Daar zien de verbalisanten twee scooters op het trottoir rijden in de richting van de Stroinkbleekweg. Op de voorste scooter rijdt één persoon, op de andere scooter zitten twee personen, waarvan de achterste een helm op heeft en een sporttas over zijn schouder draagt. De beide scooters zijn niet voorzien van een kentekenplaatje. Wanneer de scooters uit elkaar gaan, gaat de surveillanceauto achter de scooter met het duo aan. Na een korte achtervolging tikt de surveillanceauto de scooter aan, waarna de twee opzittenden ten val komen en wegrennen. Beiden worden vervolgens, terwijl zij ook na sommering van de politie niet blijven staan, om 06.40 uur aangehouden4. Het blijkt dat de aangehouden personen medeverdachte [medeverdachte] en verdachte zijn5. In de bij de scooter achtergelaten sporttas worden de volgende goederen aangetroffen: een aanzienlijke hoeveelheid biljetten van € 50,--, twee zwarte breekijzers, een oranje/zwarte bijl, een groen/zwarte schroevendraaier, een stuk plafondplaat en meerdere stroken wit papier met in oranje kleur het logo en de letters van de ING-bank6. Nadat de biljetten geteld zijn, blijkt dat het om een bedrag van € 17.050,-- gaat7.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte de plofkraak mede heeft gepleegd.

Gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Zowel uit het proces-verbaal van aangifte van de eigenaar van de nabijgelegen [winkel]8 als uit het proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant]9 volgt dat er sprake is van aanzienlijke schade aan de geldautomaat, het gebouw waarin die geldautomaat zich bevond en aan de nabij die geldautomaat gelegen panden. Daarmee is wettig bewezen dat er door de explosie gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Niet is komen vast te staan dat iemand ten gevolge van de ontploffing (zwaar) gewond is geraakt of het leven heeft verloren. De vraag is vervolgens of het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest, met ander woorden: dat dit gevaar had kunnen intreden. Vast staat dat er geen brand is geconstateerd en dat er op het moment van de ontploffing, omstreeks 06:30 uur, geen passanten waren. Van het bovengelegen appartementencomplex was de eerste etage niet bewoond. In een “Constructieve beoordeling schade”, opgemaakt door Lucassen Bouwconstructies, luidt de conclusie dat de plofkraak de veiligheid van de hoofddraagconstructie van het gebouw aan de [adres] – waarin zich de winkels en appartementen bevonden – niet heeft aangetast. Uit het proces-verbaal sporenonderzoek en gevaarzetting blijkt dat het loskomen van een tegelplint van de muur de integriteit van de draagconstructie had kunnen aantasten, maar dat dit niet is gebeurd.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het wettige en overtuigende bewijs ontbreekt dat ten gevolge van de plofkraak er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Overigens volgt uit het bestanddeel “een ander”, dat bedoeld gevaar geen betrekking heeft op de daders zelf.

Zwijgrecht

Bij de waardering van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank mede betrokken dat verdachte zich bij de politie, bij de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Hoewel hij daartoe ter terechtzitting meermalen is uitgenodigd en op de mogelijke consequenties van zijn stilzwijgen is gewezen, heeft verdachte geen redelijke, ontzenuwende verklaring willen geven voor de omstandigheden waaronder hij is aangehouden. Die omstandigheden gaven daar naar het oordeel van de rechtbank echter wel aanleiding toe.10

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 maart 2016 te Enschede tezamen en in vereniging met anderen, met het 0ogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan/in een winkelpand ingebouwd geldautomaat heeft weggenomen een grote hoeveelheid geld, toebehorende aan ING Bank NV, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

hij op 11 maart 2016 te Enschede, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht door op de [adres] aldaar op/bij een, in/aan voornoemd pand, ingebouwd geldautomaat aangebrachte explosieve substanties en/of (al dan niet vloeibare) stoffen tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, (een zogeheten ‘plofkraak’) en daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en het gebouw waarin die geldautomaat zich bevond en de aangrenzende en nabij die geldautomaat gelegen panden te duchten was;

3.

hij op 11 maart 2016 te Enschede tezamen en in vereniging met anderen, een gebouw

(winkelpand van [winkel] ) aan de [adres] aldaar, opzettelijk heeft vernield en/of beschadigd, door een zich in/aan het gebouw ingebouwde geldautomaat tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in dat gebouw aanwezige inboedel en de aangrenzende panden/woningen en de inboedel daarvan te duchten was.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 47, 157, 170 en 310/311 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3:

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk enig gebouw vernielen of beschadigen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar wordt opgelegd. Daarbij is zij er vanuit gegaan dat er ten gevolge van de plofkraak sprake was van levensgevaar voor personen, aanzienlijke schade aan gebouwen en dat er ruim € 30.000,-- is buitgemaakt, waarvan er slechts € 17.050,-- is teruggevonden. Ten slotte neemt de officier van justitie het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft willen nemen door zich halsstarrig op zijn zwijgrecht te beroepen.

De raadsman heeft aangevoerd dat bij een bewezenverklaring de rol van verdachte bij de plofkraak een ondergeschikte is geweest. Hij was niet het brein achter de kraak en heeft geen wapens dan wel explosieven voorhanden gehad. Verder is verdachte door huiselijk geweld beschadigd en getraumatiseerd en er is sprake van een agressieproblematiek, reden waarom hij een agressietraining volgt en dat ook gemotiveerd doet. Voorts is hij nooit voor soortgelijke delicten veroordeeld en heeft hij een marginaal strafblad. Verdachte is bereid mee te werken aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, een klinische behandeling en zo nodig een behandelverplichting.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft met zijn mededaders een groot geldbedrag gestolen uit een geldautomaat in Enschede door deze automaat te laten ontploffen. Door de ontploffing van de geldautomaat is een enorme schade ontstaan aan de automaat zelf en aan de in de nabijheid van die automaat gelegen panden. De impact op de bewoners van het bovengelegen appartementencomplex was, gelet op de zich in het strafdossier bevindende getuigenverklaringen, groot. De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met de professionele wijze waarop de plofkraak is gepleegd. Er was sprake van een bewuste planning waarbij gebruik werd gemaakt van een zwaar explosief. De plofkraak is binnen een paar minuten gepleegd waarbij sprake was van een vaste rolverdeling, waarna de daders zich met behulp van gestolen snelle scooters waarvan de kentekenplaten waren verwijderd uit de voeten maakten. Niet gebleken is dat verdachte een marginale rol bij deze plofkraak had. Verdachte en zijn mededaders hebben bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en hebben zich niet bekommerd om de belangen van de benadeelden en de in de nabijheid van het pand wonende personen.

Hoewel de rechtbank er rekening mee houdt dat verdachte een beperkt strafblad heeft waaruit blijkt dat hij is veroordeeld voor een tweetal vernielingen en een diefstal, houdt de rechtbank anderzijds rekening met de omstandigheid dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven. Er is over verdachte een reclasseringsrapport uitgebracht, waarin geadviseerd wordt een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een opname in een zorginstelling en een behandelverplichting.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf verder rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals deze onder meer tot uitdrukking komen in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) heeft als oriëntatiepunt voor het in georganiseerd verband plegen van een ramkraak met aanzienlijke schade een gevangenisstraf van negen maanden vastgesteld. Ten aanzien van een overval van een winkel, bank, benzinestation of postagentschap waarbij sprake is van bedreiging heeft het LOVS een gevangenisstraf van twee jaren als oriëntatiepunt vastgesteld. Gelet hierop acht de rechtbank als uitgangspunt achttien maanden gevangenisstraf voor het plegen van een plofkraak passend.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank, alles afwegende, een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Met name in de omstandigheid dat verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven waar dat wel geboden was, ziet de rechtbank aanleiding om deze gevangenisstraf geheel onvoorwaardelijk op te leggen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

ING Bank NV, gevestigd te Amsterdam, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Ter terechtzitting van 31 januari 2017 is gebleken dat de benadeelde partij veroordeling van de verdachte tot betaling vordert van in totaal € 87.321,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    schade aan automaat + bouwkundige kosten € 62.321,46;

  • -

    afhandelingskosten ING 2.160,--;

  • -

    buit 19.130,--.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde. De opgevoerde schadeposten zijn betwist en onvoldoende onderbouwd voor zover deze zien op de schade aan de automaat en bouwkundige kosten en de afhandelingskosten ING Bank NV.

Voor wat betreft de buit heeft de vertegenwoordiger van ING Bank NV ter terechtzitting op 31 januari 2017 verklaard dat na een nadere telling is vastgesteld, dat het nog niet gevonden deel van de buit van de plofkraak € 13.900,-- bedraagt. De rechtbank zal de vordering deels toewijzen, te weten voor genoemd bedrag van € 13.900,--, vermeerderd met de van rechtswege verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betref een bedrag van € 73.421,46 is door de benadeelde partij niet althans niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de vordering ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens de benadeelde naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door feiten is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1: het misdrijf: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: het misdrijf: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

feit 3: het misdrijf: medeplegen van opzettelijk enig gebouw vernielen of beschadigen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 (éénentwintig) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ING Bank NV, gevestigd te Amsterdam, van een bedrag van € 13.900,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 maart 2016, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van de bewezen verklaarde feiten 1, 2 en 3 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 13.900,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 104 dagen zal worden toegepast, (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij ING Bank NV, gevestigd te Amsterdam, voor een deel van € 73.421,46 niet-ontvankelijk is, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor rechtsbijstand met betrekking tot deze vordering. De rechtbank begroot die kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. E.J.M. Bos en mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit een drietal ordners van de regiopolitie Oost-Nederland, waarvan de rug onder meer vermeldt: “ON2RO16080 KRIMDEN”, van 22 juli 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2016 (blz. 34). Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 12 maart 2016 (blz. 108).

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 11 maart 2016 (blz. 114). Het proces-verbaal van [verbalisant] d.d. 11 maart 2016 (blz. 122). Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 21 maart 2016 (blz. 134).

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2016 (blz. 39 en 40).

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2016 (blz. 40 en 41).

6 Het deel-proces-verbaal d.d. 11 maart 2016 (blz. 43).

7 Het proces-verbaal Algemeen relaas van onderzoek d.d. 22 juli 2016 (blz. 2).

8 Een proces-verbaal van aangifte van [naam] d.d. 12 maart 2016 (blz. 61 en 62).

9 Het op 1 augustus 2016 door [verbalisant] , brigadier en Senior Forensische Opsporing, opgemaakte proces-verbaal.

10 Zie in dit verband onder meer Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2764.