Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:666

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
AWB 16/1558
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2817, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat de provincie Overijssel de vergunning voor een mestverwerkingsinstallatie bij Twence B.V. in Zenderen (gemeente Borne) terecht heeft afgegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1558

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stichting behoud Elhorst/Vloedbelt, Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen (Dorpsraad) en [eiser], alle gevestigd, dan wel wonend te Zenderen, eisers,

gemachtigde: E.J.A. Mossel te Zenderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder

gemachtigde: mr. R. Orie.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Twence Holding B.V., te Hengelo,

gemachtigde: mr. M.A.A. Soppe te Almelo.

Procesverloop

Bij een op 28 april 2016 gepubliceerd besluit van 25 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan Twence Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor

- het bouwen van een mestverwerkingsinstallatie;

- het aanleggen van een weg en kabels en leidingen;

- de realisatie en exploitatie van een installatie voor de verwerking van maximaal 250.000 ton mest per jaar door scheiding en vergisting en het verlagen van de jaarcapaciteit voor stort en tijdelijke opslag tot 95.000 ton per jaar op het perceel gelegen aan de Almelosestraat 3 te Zenderen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is gevoegd met drie tegen hetzelfde besluit gerichte beroepen geregistreerd onder de nummers 16/1556 (ingesteld door [naam 1] ), 16/1560 (ingesteld door het college van burgemeester en wethouders van Borne en de raad van de gemeente Borne) en 16/1502 (ingesteld door [naam 2] ) ter zitting van 16 januari 2017 behandeld. Tevens zijn tegelijkertijd twee beroepen behandeld van enerzijds eisers en anderzijds het college van burgemeester en wethouders van Borne en de raad van de gemeente Borne, geregistreerd onder nummers 16/1561 en 16/1559 gericht tegen een met het bestreden besluit samenhangende aan derde-partij door het dagelijks bestuur van waterschap Vechtstromen verleende watervergunning.

[eiser] is verschenen, tevens als gemachtigde van de stichtingen, bijgestaan door

[naam 3] (secretaris van de Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen). De heer [naam 1] is in persoon verschenen en het college van burgemeester en wethouders van Borne en de raad van de gemeente Borne zijn verschenen in de persoon van

A. Otten, bijgestaan door de gemachtigde ing. M.H. Middelkamp. De heer [naam 2] is niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Vos, E.M. Susselbeek, E.C. Eggink, R. Koster en H. Hiltjesdam, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. R. Orie.

Derde-partij is verschenen in de personen van [naam 4] , [naam 5] en

[naam 6] , bijgestaan door haar gemachtigden mr. M.A.A. Soppe, mr. M. Blokvoort en mr. E. Hardenberg.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de behandeling van de gevoegde zaken gesplitst. In elke zaak zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

1. Op 30 september 2015 heeft Twence Holding B.V. bij verweerder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor de realisatie en exploitatie van een installatie voor de verwerking van mest door scheiding en vergisting op het perceel gelegen aan de Almelosestraat 3 te Zenderen, alsmede voor het aldaar beperken van de aanvoer van afvalstoffen voor stort en tijdelijke opslag.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder onder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 29 februari 2016 een ontwerpbesluit genomen. Tevens is daarbij medegedeeld dat bij besluit van 29 april 2015 is besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.

Het ontwerpbesluit heeft van 4 maart 2016 tot 15 april 2016 ter inzage gelegen. Hiertegen zijn onder meer door de stichtingen zienswijzen ingebracht.

Bij besluit van 25 april 2016 heeft verweerder de hiervoor onder procesverloop genoemde omgevingsvergunning verleend.

2. Procedurele aspecten

2.1

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt vooreerst vast dat beide stichtingen gelet op de in hun statuten vermelde doelstellingen in beginsel belanghebbend zijn bij het besluit nu zij, kort weergegeven, in ruime zin de belangen van de Zenderense gemeenschap behartigen. Waar dit op een onderdeel van het beroep door verweerder wordt bestreden zal de rechtbank daar bij dat onderdeel op in gaan.

Ten aanzien van het beroep voor zover ingesteld door de heer [eiser] in persoon overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 6:13 van de Awb geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Blijkens de tekst van de ingediende zienswijze van 5 april 2016 is de zienswijze door de heer [eiser] ingediend namens de beide stichtingen. Ook de ondertekening van de zienswijze, namelijk als gemachtigde namens beide stichtingen, duidt daar op. Niet gebleken is dat [eiser] heeft beoogd ook voor zichzelf een zienswijze in te dienen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep, voor zover ingesteld door de heer [eiser] in persoon, niet-ontvankelijk is.

2.2

Crisis- en herstelwet

De aanvraag van Twence Holding BV betreft een omgevingsvergunning voor een installatie voor de verwerking van dierlijke mest. Ingevolge van artikel 1.1, eerste lid, onder a, juncto Bijlage I, categorie 10.1 van de Crisis- en herstelwet (Chw), valt de aanvraag dus onder de werking van de Chw, zodat op het bestreden besluit afdeling 2 van hoofdstuk 1 van die wet van toepassing is. Gelet op artikel 1:6a van de Chw mogen daarom alleen de gronden die in het beroepschrift zijn vermeld door de rechtbank worden beoordeeld en is het niet mogelijk om buiten de beroepstermijn nieuwe beroepsgronden in te brengen. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen de stichtingen (hierna: eisers) nadien in de brieven van 23 oktober 2016 en 29 december 2016 en ter zitting hebben aangevoerd, voor zover daarbij (al dan niet in reactie op stukken van andere partijen) nadere beroepsgronden zijn genoemd.

3. Wettelijke regeling

Ingevolge het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,…….

d. …….

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

f. t/m i ……

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

Voorts kan op grond van het derde lid van dit artikel bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

4. Beroepsgronden

Eisers stellen zich, kort weergegeven, op het standpunt dat het project niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan omdat:

- de verwerking van meststoffen niet is aan te merken als het be- of verwerken van

afvalstoffen;

- op de plankaart van het ter plaatse geldende bestemmingsplan een aanduiding van een verwerkingslocatie ontbreekt;

- de afvalwerkingslocatie Elhorst/Vloedbelt, gelet op de voorgeschiedenis niet is

opgericht om daar een mestverwerkings- en vergistingsinstallatie te exploiteren;

- dierlijke mest, gelet op de jurisprudentie, de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen, het Landelijk afvalbeheerplan (LAP2) en de Kaderregeling Afvalstoffen geen afvalstof maar een bijproduct is.

Ten onrechte is de aanvraag niet opgevat als een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan, in welk geval een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist.

Daarnaast hebben eisers aangevoerd dat:

- de bekendmaking en de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, alsmede de bekendmaking van het bestreden besluit gebreken vertoonde;

- categorie D 18.1 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit Mer) van toepassing is, zodat onderzoek nodig is of er een zogenaamde Mer-plicht geldt;

- ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste

lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) aan de raad van de gemeente Borne is gevraagd;

- de omgevingsvergunning op punten afwijkt van de verleende vergunning op grond

van de Natuurbeschermingswet;

- de omgevingsvergunning niet kon worden verleend omdat ten tijde van de oprichting van de afvalverwerkingslocatie Elhorst/Vloedbelt van een exploitatieduur van maximaal 25 jaar werd uitgegaan, zodat de locatie thans dient te worden gesloten;

- ten onrechte door verweerder uitstel is verleend voor de definitieve bovenafdichting van afvalstortlocatie Elhorst/Vloedbelt;

- om het aantal verkeersbewegingen te beperken beter naar een alternatieve (geschikte) locatie had kunnen worden gezocht, zoals de voormalige stortlocatie Het Rikkerink in de gemeente Hof van Twente;

- ten onrechte bij de beoordeling van de milieu-effecten slechts is uitgegaan van de normen behorend bij de mestverwerkings- en vergistingsinstallatie en geen rekening is gehouden met cumulatie met de normen van de vuilstortactiviteiten. Hierdoor zal de overlast door geur, geluid, fijnstof, verkeer, stank etc. en de externe veiligheidsrisico’s groter zijn dan berekend en zal het woon- en leefklimaat verder worden aangetast;

- het plan bij een calamiteit onacceptabele milieu-effecten heeft op de directe omgeving;

- de financiële haalbaarheid van het project wordt betwijfeld;

- geen rekening is gehouden met plannen van de Christelijke Gemeenschap Nederland om in de directe nabijheid een ontmoetingscentrum met nevenactiviteiten te creëren.

Daarnaast hebben eisers aangegeven in hoeverre zij als belanghebbenden bij het besluit

kunnen worden aangemerkt.

4.1

Strijd met het bestemmingsplan

4.1.1

Ontbrekende aanduiding op de bestemmingsplankaart

De gronden waar het plan wordt gerealiseerd zijn gelegen binnen het bestemmingsplan ”Buitengebied Borne (2004)” en hebben daarin de bestemming “Afvalverwerkingsplaats”. In artikel 17 van de bij dat bestemmingsplan behorende voorschriften is ten aanzien van die bestemming het navolgende opgenomen:

17.1

Doeleinden

De op de plankaart voor “afvalverwerkingsplaats” aangewezen gronden zijn bestemd voor het storten, opslaan, be- en verwerken van afvalstoffen, met dien verstande dat:

a het storten van afvalstoffen uitsluitend is toegestaan op de als zodanig op de plankaart aangeduide stortlocatie, met inachtneming van de daarbij aangegeven maximale hoogte en maximale helling;

b het opslaan, sorteren en be- of verwerken van afvalstoffen, waaronder begrepen het terugwinnen van stoffen en het winnen van stortgas, uitsluitend is toegestaan op de als zodanig op de plankaart aangeduide verwerkingslocatie;

een en ander met bijbehorende bouwwerken en onbebouwde gronden, waaronder maximaal één dienstwoning per bestemmingsvlak.

Wat betreft de stelling van eisers dat op de plankaart een aanduiding van een verwerkingslocatie ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het gelet op de tekst van artikel 17.1 van de planregels volstrekt duidelijk is dat wel is beoogd om een aanduiding te plaatsen. Van de zijde van het college van burgemeester en wethouders van Borne is ook erkend dat het de bedoeling van de planwetgever was om zowel het storten als het verwerken op specifiek aangeduide locaties toe te staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ontbreken van een aanduiding op de plankaart op een kennelijke misslag berust en dat dit niet aan de vergunningsverlening in de weg kan staan.

4.1.2

Be- en verwerken van afvalstoffen.

Van de zijde van eisers is voorts gesteld dat de planwetgever met de bestemming “Afvalverwerkingsplaats” nimmer heeft beoogd ook een mestverwerkingsinstallatie toe te staan. Daarbij is aangegeven dat mest niet is aan te merken als een afvalstof.

Verweerder stelt dat overtollige mest in het geval van mestverwerking kan worden aangemerkt als afvalstof en dat het be- en verwerken van mest op de locatie Elhorst-Vloedbelt binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan past.

De rechtbank overweegt dat het bestemmingsplan geen definitie van het begrip “afvalstof” kent. In de Europese kaderrichtlijn afvalstoffen zijn regels vastgesteld om te bepalen of een stof of voorwerp een afvalstof is of niet. Nu de kaderrichtlijn afvalstoffen is geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm) acht de rechtbank het juist om aansluiting te zoeken bij het begrip “afvalstof” uit die wet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid van de Wm wordt onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3057, is de rechtbank voorts van oordeel dat het begrip “afvalstof” moet worden uitgelegd met inachtneming van de door het Hof van Justitie over dit begrip gevormde jurisprudentie. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2000:318, en het arrest van 18 april 2002, Palin Granit, ECLI:EU:C:2002:232). Bij beantwoording van die vraag is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant (arrest van 18 december 2007, Commissie/Italië, ECLI:EU:C:2007:808, punt 32, en het arrest van 24 juni 2008, Commune de Mesquer, ECLI:EU:C:2008:359, punt 53). In dit verband verdient volgens het Hof bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen (arrest van 12 december 2013, Shell Nederland, ECLI:EU:C:2013:821, punt 42).

Uit het arrest van het Hof van 3 oktober 2013, Brady, ECLI:EU:C:2013:627, overwegingen 43, 44 en 60, volgt dat in een intensieve veehouderij geproduceerde mest onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een bijproduct in plaats van een afvalstof. Daarvoor is vereist dat de producent van de mest voornemens is de mest in een later stadium onder voor hem gunstige economische omstandigheden te exploiteren of op de markt te brengen, mits het hergebruik van de mest niet slechts mogelijk, maar zeker is, geen voorafgaande bewerking vereist en plaatsvindt als voortzetting van het productieproces.

De in de mestverwerkingsinstallatie toe te passen mest zal bestaan uit mestoverschotten van veehouders uit de regio Twente, welke overschotten niet kunnen worden uitgereden op eigen landbouwgronden en evenmin voor dat doel onder economisch gunstige omstandigheden aan anderen kunnen worden geleverd. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de mest een last is waarvan de veehouders zich, mede gelet op de sinds 1 januari 2014 in de Meststoffenwet opgenomen mestverwerkingsplicht, moeten ontdoen, zodat deze mest moet worden aangemerkt als afvalstof. Dat de mest door een tussenpersoon wordt opgehaald en bij Twence wordt afgeleverd en mogelijk om administratief-technische redenen niet geheel als overschot wordt geregistreerd, doet daar niets aan af.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de mest die in de mestverwerkingsinstallatie zal worden bewerkt en verwerkt is aan te merken als afvalstof.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er wel degelijk sprake is van het be- en verwerken van afvalstoffen, activiteiten die op grond van de bestemming “Afvalverwerkingsplaats” zoals bedoeld in het bestemmingsplan zijn toegestaan. .

4.1.3

Ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1.2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het project niet in strijd met het bestemmingsplan is, zodat geen sprake is van een situatie waarin een verklaring van geen bedenkingen van de raad is vereist. Voor zover eisers er op wijzen dat in de aanvraag is aangevinkt dat er sprake is van strijd met het vigerende bestemmingsplan is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan leiden tot een andere conclusie nu de beoordeling of sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan niet door de aanvrager plaatsvindt.

4.2

Bekendmaking ontwerpbesluit.

Eisers hebben gesteld dat sprake is van een gebrekkige kennisgeving en ter inzagelegging van het ontwerpbesluit.

Dienaangaande oordeelt de rechtbank dat met de vermelding in de kennisgeving dat een aanvraag van Twence Holding BV is ontvangen voor de realisatie en exploitatie van een installatie voor de verwerking van mest door scheiding en vergisting en het beperken van de aanvoer van afvalstoffen voor stort en tijdelijke opslag op het adres Almelosestraat 3 te Zenderen conform het bepaalde in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb de zakelijke inhoud is weergegeven. Voorts is gewezen op het indienen van zienswijzen. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende informatie verstrekt om te beoordelen of men mogelijk kennis diende te nemen van de stukken teneinde te bezien of en in hoeverre men in zijn belangen kon worden geraakt. Dat daarbij niet direct is aangegeven dat ook de voorschriften van de eerder afgegeven oprichtingsvergunning deels zijn ingetrokken en nieuwe voorschriften zijn toegevoegd, doet daar niets aan af. Conform het bepaalde in artikel 3:11, eerste lid van de Awb heeft verweerder immers het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage gelegd, zodat een ieder kennis kon nemen van die gewijzigde voorwaarden.

Dat, in tegenstelling tot de vermelding in de kennisgeving, niet alle stukken ingezien konden worden op de website van de provincie Overijssel, levert wel een gebrek op omdat artikel 3:11 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt. Dat neemt niet weg dat men zich met vragen over ontbrekende informatie tot verweerder had kunnen wenden en de desbetreffende stukken wel op het gemeentehuis van Borne en het provinciehuis te Zwolle kon inzien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers niet in hun belangen zijn geschaad. Evenmin acht de rechtbank aannemelijk dat derden hierdoor de kans is ontnomen om een zienswijze in te dienen, ook al niet omdat onweersproken is verklaard dat in de lokale pers aandacht is besteed aan de procedure. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

4.3

MER-plicht

Namens eisers is in het beroepschrift van 7 juni 2016 gesteld dat sprake is van een inrichting als bedoeld in categorie D18.1 uit de bijlage van het Besluit Mer, om welke reden een milieueffectrapport zou moeten worden opgesteld. In categorie D18.1 is sprake van een installatie voor de verwijdering van afval. Voor zover van de zijde van verweerder is opgemerkt dat een nuttige toepassing van een (niet-gevaarlijke) afvalstof daar niet onder valt, stelt de rechtbank vast dat, naar ook in het op 13 mei 2015 gepubliceerde Mer-beoordelingsrapport van Royal Haskoning DHV van 29 april 2015 is aangegeven, op grond van Europese jurisprudentie ook de nuttige toepassing van afval onder categorie D18.1 valt en daarmee een m.e.r. beoordeling nodig is. Gelet op de conclusie in het voornoemde Mer- beoordelingsrapport, te weten dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu gezien de aard, omvang en ligging van de aangevraagde installatie kunnen worden uitgesloten en er geen sprake is van negatieve cumulatieve effecten met ander projecten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt kon stellen dat van een Mer-plicht geen sprake is. Wat van de zijde van eisers is aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.4

Afstemming met Natuurbeschermingswet 1998

Voor zover eisers hebben gesteld dat de aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegde feiten deels afwijken van de aan de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) ten grondslag gelegde feiten, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste zich er tegen verzet dat eisers zich kunnen beroepen op de bepalingen van de Nbw 1998.

De rechtbank overweegt dat artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

De bepalingen van de Nbw 1998 hebben, naar verweerder terecht stelt, met name ten doel om het algemeen belang van natuur en landschap ter plaatse van Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten te beschermen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is op circa 11 kilometer van de projectlocatie gelegen en het dichtstbijzijnde beschermde natuurgebied op circa 2,7 kilometer. Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen (Dorpsraad) behartigt de belangen van de Zenderense gemeenschap op o.a. recreatief gebied, zulks in de meest ruime zin van het woord. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de beschermde natuurgebieden geheel buiten het werkgebied van de Dorpsraad zijn gelegen. Gelet op artikel 8:69a van de Awb kunnen de beroepsgronden, die hierop gericht zijn, voor zover ingediend door de Dorpsraad dan ook niet leiden tot een vernietiging van het besluit.

De Stichting Behoud Elhorst/Vloedbelt behartigt blijkens artikel 2.a onder 1 van haar statuten het belang van de Zenderense bevolking waar het het behoud van het gebied Elhorst/Vloedbelt als recreatief en natuurlijk landschap betreft. Nu de dichtstbijzijnde op grond van de Nbw 1998 beschermde gebieden hier niet onder vallen geldt voor deze stichting naar het oordeel van de rechtbank hetzelfde.

Voor zover deze stichting ingevolge het tweede lid van voornoemd artikel ook als doel heeft om de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden, de natuur, het landschap en milieu te beschermen, zowel betrekking hebbende op de omliggende gebieden als de daarvoor in aanmerking komende Natura 2000-gebieden, is de rechtbank van oordeel dat, zo al gesteld kan worden dat daarmee kan worden gezegd dat de Nbw 1998 tevens dient ter bescherming van de belangen van deze stichting, de door de stichting aangevoerde argumenten niet kunnen leiden tot een vernietiging van het besluit. De enkele stelling dat de omgevingsvergunning afwijkt ten opzichte van de op grond van de Nbw 1998 verleende vergunning omdat in de omgevingsvergunning sprake is van een tonnage van 250.000 per jaar en 1 gasketel en in de Nbw-vergunning ziet op een tonnage van 240.000 en 2 ketels, acht de rechtbank in het licht van de door de Nbw 1998 te beschermen belangen, een verwaarloosbaar verschil. Door de stichting is niet aangetoond waarom dat dit een relevant negatief effect zou kunnen hebben.

4.5

Afspraken sluiting inrichting na 25 jaar.

Voor zover eisers stellen dat bij de oprichting van de afvalverwerkingsplaats afspraken zouden zijn gemaakt om de exploitatie na 25 jaar te stoppen, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat, nog afgezien van het gegeven dat deze afspraken nergens zijn vastgelegd, verweerder slechts hoeft te bezien of de aangevraagde activiteiten gelet op de geldende regels kunnen worden vergund. Ook deze beroepsgrond kan niet slagen.

4.6

Afdichting

Ook de beroepsgrond met betrekking tot het verleende uitstel voor de afdichting van de stortplaats kan geen doel treffen, aangezien dat punt geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit.

4.7

Alternatieve locaties

Voor zover eisers stellen dat het mede gelet op de wens om het aantal verkeersbewegingen te beperken wenselijk was geweest om onderzoek te doen naar mogelijke alternatieve locaties is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het zoeken naar alternatieve locaties geen onderdeel van de besluitvorming betreft. Verweerder dient slechts de ingediende aanvraag op zijn merites te bezien.

4.8

Cumulatie van milieueffecten

Ten aanzien van de gestelde vrees voor extra overlast door milieu-effecten omdat slechts is uitgegaan van de normen behorend bij de mestverwerkings- en vergistingsinstallatie en geen rekening is gehouden met cumulatie met de normen van de vuilstortactiviteiten heeft verweerder gesteld dat er op grond van de Handreiking Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI) slechts rekening moet worden gehouden met bijzondere geluiden zoals tonaal-, impulsief- of muziekgeluid, indien deze hoorbaar zijn op het beoordelingspunt. Verweerder verwacht niet dat dat bij de dichtstbijgelegen woningen het geval zal zijn. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de milieugevolgen van de aangevraagde activiteiten zoals deze door verweerder zijn beoordeeld, niet binnen de gestelde normen blijven. Ook deze beroepsgrond treft geen doel.

4.9

Milieu-effect op de omgeving

Van onacceptabele milieu-effecten op de omgeving, zoals door eisers wordt gevreesd, kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake zijn nu het invloedsgebied van die effecten binnen de grenzen van de inrichting van Twence ligt.

4.10

Risico’s van brand en explosie.

Met betrekking tot de mogelijke risico’s heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in hoofdstuk 22 van het bestreden besluit gemotiveerd duidelijk gemaakt dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo) niet op het onderhavige project van toepassing zijn omdat de mogelijke effecten binnen de inrichting blijven en er middels voorschriften afdoende veiligheidseisen zijn gesteld ten aanzien van de opslag van biogas.

In dat verband stelt de rechtbank vast dat ook toetsing in het kader van IPPC en de beste beschikbare technieken heeft plaatsgevonden en dat de inrichting, zoals ook in hoofdstuk 17 van het bestreden besluit is aangegeven – met inachtneming van de aan het besluit gehechte voorschriften – ook aan die beste beschikbare technieken voldoet.

De rechtbank stelt vast dat verweerder per milieucompartiment specifiek de milieubelasting heeft bepaald en aan de geldende normen heeft getoetst en dat daarbij niet is gebleken dat niet aan die normen werd voldaan. In hetgeen van de zijde van eisers is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

4.11

Financiële haalbaarheid

Ten aanzien van de financiële haalbaarheid van het project stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat dit geen punt vormt bij de beoordeling van omgevingsvergunning voor de onderdelen milieu of bouwen.

4.12

Nieuwe ontwikkelingen

Ten aanzien van de gestelde plannen van de Christelijk Gemeenschap Nederland (CGN) is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet tot de belangen van eisers behoort om de belangen van CGN te behartigen.

5. Het beroep voor zover ingesteld namens beide stichtingen is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover ingesteld door de heer [eiser] in persoon niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover ingesteld door Stichting behoud Elhorst/Vloedbelt

en Stichting Gemeenschapsbelangen Zenderen (Dorpsraad), ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzitter, en mr. W.M.B. Elferink en mr. J.W.M. Bunt , leden, in aanwezigheid van M.W. Hulsman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.