Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:58

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
09-01-2017
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
C/08/194056 / HA RK 16-169
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Exhibitieverzoek ex art. 843a Rv. kan niet worden gedaan in een verzoekschrift tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/58
RBP 2017/27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/194056 / HA RK 16-169

Beschikking van 9 januari 2017

in de zaak van

1 [verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij, hierna gezamenlijk te noemen [verzoeker 1] ,

advocaat: mr. L.E.M. Charlier te Amsterdam,

tegen

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLUIMERS ISOLATIE B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Rijssen,

verwerende partij, hierna te noemen Pluimers,

advocaat: mr. G.C. Endedijk en Mr.Dr. A.L.Vytopill LLB te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota’s.

1.2.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen alsmede dat de rechtbank Pluimers op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal gelasten de namen en adressen van de vier betrokken werknemers of opdrachtnemers bekend te maken.

2.2.

Pluimers verzet zich tegen inwilliging van de verzoeken en voert daartoe het volgende aan. Het is naar geldend recht niet mogelijk om in een verzoekschriftprocedure tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor een verzoek op grond van artikel 843a Rv te doen. Er is immers geen sprake van een afzonderlijke of aanhangige procedure waarbinnen zodanig verzoek kan worden gedaan. Het verzoek ex artikel 843a Rv. moet dan ook worden afgewezen. Indien en voorzover de rechtbank niet onvoorwaardelijk daarmee zou instemmen dan zou de rechtbank daaromtrent prejudiciële vragen aan de Hoge Raad moeten stellen. Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor dient op grond van het vorenstaande ook te worden afgewezen omdat het verzoek niet aan de vereisten van artikel 187 lid 3 sub c Rv voldoet. De namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zijn immers (nog) niet bekend. Bovendien verzetten ook inhoudelijke gronden zich tegen toewijzing.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) om een voorlopig getuigenverhoor kan worden verzocht ter voorbereiding van een procedure, in het bijzonder om te kunnen beoordelen of het zinvol is een procedure aanhangig te maken. Niet vereist is dat de verzoekende partij reeds in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen zij aan haar voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten zij getuigen wil doen horen (HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442). Ingevolge vaste jurisprudentie heeft als uitgangspunt te gelden dat een dergelijk verzoek -indien aan de daartoe gestelde eisen is voldaan- dient te worden toegewezen, behoudens indien er sprake is van misbruik van bevoegdheid, strijd met goede procesorde dan wel een ander zwaarwichtig geoordeeld bezwaar of indien er met het verzoek geen rechtens te respecteren belang is gediend. De rechter komt in de beoordeling van het verzoek aldus geen discretionaire bevoegdheid toe. Nu [verzoeker 1] zichzelf en drie werknemers van [X] B.V. als getuigen aanmerkt voldoet het verzoekschrift in zoverre aan de daartoe gestelde vereisten. Afgezien van de beoordeling van het geschilpunt met betrekking tot het verzoek ex artikel 843a Rv. is het verzoek dan ook voor toewijzing vatbaar. Dat er naar het oordeel van Pluimers ook inhoudelijke gronden tegen toewijzing van het verzoek bestaan (verjaring, niet tijdig door [verzoeker 1] bij Pluimers geklaagd, kleine kans op toewijzing vordering) acht de rechtbank binnen de toetsingsgronden van een verzoek als het onderhavige, onvoldoende om als afwijzingsgrond te dienen.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, tot de slotsom dat het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor op de wet is gegrond en zal worden toegewezen.

2.4.

Anders is dat met het in dit verzoekschrift geïncorporeerde verzoek ex artikel 843a Rv. Zoals Pluimers op juiste gronden heeft gesteld is het onderhavige verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor noch aan te merken als een afzonderlijk geding, noch als een verzoek binnen een reeds aanhangig geding, terwijl het verzoek ex 843a Rv. nu juist zowel in een lopend bij dagvaarding of bij verzoekschrift aanhangig gemaakt geding of in een afzonderlijk bij dagvaarding aanhangig te maken geding aan de rechter moet worden voorgelegd. ( HR 6 oktober 2006, NJ 2006/547 en HR 18 februari 2000, NJ 2001/259) Het verzoek ex artikel 186 Rv. wordt immers nu juist ingediend om getuigen te kunnen horen voordat een geding aanhangig is of wordt gemaakt. Zou in een geval als het onderhavige anders worden geoordeeld dan heeft dat naar het oordeel van de rechtbank het ongewenste effect dat reeds een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden ingediend zonder dat de namen en de overige gegevens van getuigen bekend zijn omdat die namen pas in een procedure ex 843a Rv. aan het licht zouden moeten komen. In zoverre zou derhalve de afzonderlijke procedure ex 843a Rv. vooraf moeten gaan aan het verzoek ex artikel 186 Rv.

2.5.

Het verzoek ex artikel 843a Rv. is binnen het kader van het onderhavige verzoek ex artikel 186 Rv. derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing vatbaar. Het beroep door [verzoeker 1] op toekomstige KEI-wetgeving waarbinnen de dagvaardingsprocedure zal verdwijnen leidt niet tot een ander oordeel. Ook dan zal immers, naar de huidige wettekst en de jurisprudentie als onder meer hiervoor verwoord, sprake moeten zijn van een geding en dus niet van een verzoek dat vooraf gaat aan het mogelijk voeren van een geding.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijs het verzoek op grond van artikel 843a Rv af,

3.2.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor,

3.3.

benoemt mr. A.H. Margadant tot rechter-commissaris, voor wie het getuigenverhoor zal worden gehouden,

3.4.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Almelo aan de Egbert Gorterstraat 5,

3.5.

bepaalt dat [verzoeker 1] binnen vier weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de griffie van het team kanton en handelsrecht - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden februari, maart en april moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.6.

bepaalt dat [verzoeker 1] uiterlijk op 23 januari 2017 een afschrift van het verzoekschrift en deze beschikking bij aangetekende brief of bij exploot aan Pluimers moet doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2017.