Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:5317

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
C/08/175982 / HA ZA 15-470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kwalificatie van overeenkomst(en) voor een transport- en opslagsysteem voor de verpakking van vlees en het aanpassen en opnieuw programmeren van een bestaand magazijn met nieuwe software. Voorts de vraag of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst(en) en of de overeenkomst(en) rechtsgeldig zijn beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/175982 / HA ZA 15-470

Vonnis van 18 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLANDER TECHNIEK B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T.W. Konings te Apeldoorn,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

CSB-AUTOMATION AG,

gevestigd te Kestenholz (Zwitserland),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.M. Mulder te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Hollander en CSB genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

  • -

    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis

  • -

    de antwoordakte aan de zijde van CSB.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hollander voert een bedrijf in de installatietechniek en heeft daarvoor specialisten in dienst op onder meer het gebied van elektrotechniek, werktuigbouw, beveiliging, industriële IT, industriële automatisering en robotisering.

2.2.

CSB is gevestigd in Zwitserland en is leverancier van automatiseringsoplossingen, meer specifiek totaalsystemen voor productie- en logistieke processen in met name de voedingsindustrie. De expertise van CSB is gelegen in haar software die ervoor zorgt dat de onderdelen in het productie- en logistieke proces worden georganiseerd en aangestuurd.

2.3.

CSB heeft in 2012 als opdrachtnemer met Coop Productiebedrijven B.V. (hierna: Coop Productiebedrijven) als opdrachtgever een overeenkomst gesloten voor een project genaamd ‘ProMessa’ (hierna: het project). ProMessa is een vleesverwerkingsbedrijf dat vlees verpakt voor Coop en Plus supermarkten. Het project bestond uit het opleveren van een nieuw transport- en opslagsysteem voor de verpakking van vlees en het aanpassen en opnieuw programmeren van het bestaande magazijn van ProMessa met nieuwe software.

2.4.

Het project bestaat uit drie deelprojecten/fases. In fase 1 is voornamelijk gewerkt aan de programmering van de verschillende transportbanden waarop de kratten met vlees worden getransporteerd. Fase 2 betreft de “FastMover In” (hierna: FMI). In de FastMover worden de kratten gereed gemaakt en geëtiketteerd en door een grijparm in een groot magazijn gestapeld. Fase 3 ziet op de FastMover Out (hierna: FMO), waarbij de kratten door een tweede grijparm worden opgepakt en vervoerd naar een tweede magazijn voor transport naar de vrachtwagens. De FMO zou bestaan uit vier transportbanden waarop vlees moest worden verwerkt. CSB heeft in een later stadium een aangepaste functionele beschrijving gemaakt voor FMO Light: de vier banden werden teruggebracht tot één band.

2.5.

CSB heeft in 2013 WeBe Engineering B.V. (hierna: Webe) ingeschakeld voor de uitvoering van bepaalde onderdelen van het project. Webe heeft in september 2013 Hollander benaderd voor de inleen van een software engineer. Op 12 september 2013 zijn Hollander en (de heer [A] namens) Webe de detachering van software engineer [B] (voorheen werkzaam voor Webe) overeengekomen. De gewerkte uren werden vastgesteld aan de hand van door Webe af te tekenen werkbonnen en de facturering van de gewerkte uren geschiedde op basis van tweewekelijkse kostenoverzichten. Op 18 oktober 2013 heeft Hollander in opdracht van Webe nog eens drie engineers gedetacheerd ( [C] , [D] en [E] ). Hollander heeft op 25 oktober 2013 de detachering van de engineers voor het project beëindigd, vanwege de slechte financiële positie van Webe.

2.6.

In verband met gemelde financiële problemen bij Webe, heeft CSB vervolgens Hollander ingeschakeld om rechtstreeks voor haar werkzaamheden te verrichten. Naast detachering van engineers heeft Hollander ook materiaal geleverd ten behoeve van het project. In een e-mailbericht van 30 oktober 2013 bevestigt [F] namens Hollander aan CSB ( [G] ) het volgende:

“Zoals vanmorgen besproken zullen we vanaf heden onze werkzaamheden voor het project ‘Promessa’ rechtstreeks gaan uitvoeren voor CSB Automation. Om CSB als debiteur aan te kunnen maken ben ik in afwachting van jullie bedrijfsgegevens. (…)

Mijn voorstel is om (…) twee nieuwe projectnummers aan te maken die gekoppeld zijn aan CSB Automation. Op deze wijze houden wij een strikte scheiding tussen de werkzaamheden die wij voor Webe hebben uitgevoerd en de werkzaamheden die wij gaan uitvoeren voor CSB Automation. Aan de hand van de getekende werkbonnen van de betrokken personen, zal ik je dan de twee wekelijkse kostenoverzichten toesturen. Mijn vraag aan jou is of dit wat jou betreft akkoord is, zodat ik e.e.a. in gang kan zetten en de betreffende projectnummers kan afsluiten c.q. aanmaken. Op het moment dat ik de nieuwe projectnummers heb aangemaakt zal ik je de nummers laten weten, zodat jij die kunt aanpassen op de getekende werkbonnen die jij vanmorgen hebt meegenomen. (…)”

2.7.

Webe is op 27 januari 2014 in staat van faillissement verklaard. Vervolgens heeft CSB [A] in dienst genomen en aangesteld als projectleider. Hollander heeft onder meer [B] in dienst genomen.

2.8.

Op 1 juli 2014 heeft Hollander aan CSB een offerte uitgebracht voor “het leveren en het installeren van de besturing voor het project Promessa Deventer Fastmover out (light)” ten bedrage van € 78.650,00. Tevens verklaart zij in de offerte de Algemene Leveringsvoorwaarden Installerende Bedrijven 2007 (hierna: ALIB) op de te sluiten overeenkomst van toepassing.

2.9.

Op 18 juli 2014 bericht [H] namens Hollander het volgende aan [A] van CSB:

“Voor de vraag naar engineering hebben wij een groot aantal partijen benaderd, aangezien de vakantie voor de deur staat geven de meeste aan dat er pas vanaf week 35 ruimte komt om iemand in te lenen. Onze vraag voor de korte termijn kan dus lastig ingevuld worden. Onderstaand zijn de beste opties die wij hebben verkregen.

Senior software engineer

Beschikbaarheid:

Week 30 40

Week 31 24

Week 32 0

Week 33 16

Week 34 40

Week 35 40

Week 36 40

Week 37 40

Tarief is € 91,20 per uur (…)

Junior software engineer

Hiervan krijg ik aanstaande maandag bevestiging of dit mogelijk is. Aangegeven is dat hij per 11 augustus beschikbaar zou zijn.

Tarief is € 91,20 per uur inclusief reiskosten en reistijd

Hierbij geven een groot aantal partijen aan vanaf week 35 meer te kunnen betekenen, de bevestiging hiervan krijg ik begin komende week. Hierin moeten wij dan wat meer zekerheid hebben over wat wij kunnen vastzetten. Dus mocht dat nodig zijn graag een bevestiging om hier in bij te schakelen. Graag vandaag reactie wat wij hierin vast kunnen gaan leggen. (…)”

2.10.

In een daarop volgend e-mailbericht van 21 juli 2014 deelt [H] namens Hollander aan [A] van CSB mede:

“Naar aanleiding van ons overleg afgelopen donderdag d.d. 17 juli en de gesprekken die hieruit volgden deze mail. Onderstaand [het e-mailbericht van 18 juli 2014, toevoeging rb] het voorstel wat wij reeds hebben neergelegd bij CSB voor het uitvoeren van FMO light.

Voor ons is niet duidelijk wat nu als uitgangspunt gehanteerd wordt door CSB, hierdoor valt geen sluitende aanbieding te maken. Afspraak is om dit voorstel op basis van regie uit te gaan voeren indien akkoord CSB. Vanwege het uitblijven van dit akkoord kan Hollander techniek niet garanderen dat de aangegeven engineers nog steeds ingepland kunnen worden. Aangezien de vakantieperiode aangevangen is, is het van wezenlijk belang dat de overdracht goed georganiseerd wordt. De nog aanwezige dagen (deze week) zijn hiervoor belangrijk, Hollander techniek kan zonder goede overdracht de kwaliteit niet waarborgen van het werk dat geleverd moet worden. Graag voor de middag reactie op onderstaand zodat dit wellicht nog ingepland kan worden. Mocht dit op zich laten wachten dan zal de start verder naar achteren schuiven.”

Daarop reageert [A] dezelfde dag namens CSB als volgt:

“Helder, het voorstel ligt bij het management. Ik helaas niet anders doen dan afwachten. (…)”

2.11.

Op 4 augustus 2014 stuurt [H] namens Hollander aan CSB per e-mail de gegevens van een senior software engineer ( [I] ). Hollander voegt daaraan toe dat hij “net als [E] op basis van regie” zijn werkzaamheden zal uitvoeren. Op 5 augustus 2014 bericht [H] om 9:46 uur het volgende aan [A] van CSB:

“Voor het deel Fastmover out light kunnen wij het volgende bevestigen. De senior engineer zal van week 34 t/m week 41 voor CSB ingezet worden. In week 34 is hij echter 2 dagen afwezig vanwege de afronding van een lopend project. Graag akkoord hierop zodat wij dit kunnen inplannen.

Daarnaast zouden wij graag wat duidelijkheid over de rest van het traject verkrijgen. Moeten hier voor installatie ook nog uren ingepland worden?”

Daaraan voegt [H] namens Hollander om 10:26 uur toe:

“T/m week 43 is geen probleem, graag de bevestiging zodat wij hem kunnen inhuren van week 34 t/m week 43.”

Hierop antwoordt [A] dezelfde dag om 11:24 uur namens CSB als volgt:

“Heel fijn dat de resources ter beschikking staan.

Kun je hiermee naar mij bevestigen dat daarmee de uitvoering van het FM-light project gewaarborgd is en dat Hollander techniek zich daarmee kan committeren aan de reeds eerder afgegeven planning met betrekking tot FM-light. We hebben afgesproken dat we een gedetailleerde planning zullen maken waarin we de voortgang kunnen volgen.”

En om 16:11 uur voegt [A] namens CSB hieraan toe:

“Zou je zo vriendelijk willen zijn en in 1 mail expliciet kunnen bevestigen dat Hollander Techniek zich kan commiteren aan de afgegeven planning van CSB. Dit is een voorwaarde voor CSB om de opdracht te kunnen verstrekken. Je laatste mail is helaas iets te vrijblijvend. Ik wil het graag zo snel mogelijk afhandelen, zodat we ons kunnen concentreren op de implementatie.”

Hierop reageert [H] namens Hollander op 6 augustus 2014 als volgt:

“Zoals zojuist besproken willen wij ons wel commiteren aan de planning echt hangt dit af van het niveau van de senior software engineer. Reeds eerder is ook aangegeven dat we na een week evalueren hoe dit verloopt. T.z.t. kunnen wij ook zekerheid geven over de planning ed.”

2.12.

Voorts stuurt [A] namens CSB op 8 augustus 2014 het volgende e-mailbericht:

“Middels deze e-mail geeft CSB (…) opdracht voor de realisatie van de Software en in bedrijfstelling van het Fastmover out –light traject zoals eerder gecommuniceerd met Hollander Techniek.

Het Project zal op regiebasis plaatsvinden waarbij Hollander Techniek verantwoordelijk is voor de kwaliteit en de functionaliteit van de geleverde Software zoals beschreven in de aangeleverde functiebeschrijving. Hoewel Hollander Techniek op dit moment nog geen volledige commitment kan geven aan de planning gaat CSB ervanuit dat Hollander er alles aan zal doen om te proberen de gestelde opleverdata te halen. (…)”

Hierop reageert [H] namens Hollander op 11 augustus 2014 als volgt:

“Bedankt voor de mail. Kun je ook aangeven wat jullie daarnaast nog van Hollander verwachten met betrekking tot montage en installatie? Is hier al duidelijk wanneer hier wat moet gaan gebeuren en wat wij daarin betekenen? Dit met het oog op planning de komende weken.”

2.13.

Hollander heeft op 30 oktober 2014 de overeenkomst(en) met CSB per 19 december 2014 opgezegd. Bij brief van 24 november 2014 heeft de heer Studer namens CSB aan Hollander te kennen gegeven de opzegging niet te accepteren:

(…) In het belang van onze klant kunnen wij deze beslissing niet accepteren. De software die Hollander techniek in opdracht van CSB-Automation AG in het kader van het project ProMessa ontwikkeld heeft, moet worden onderhouden tot de overname door CSB-Automation AG c.q. ProMessa volledig is afgerond. Door de actuele status van de software en de nog openstaande punten was een dergelijke afname tot nu toe niet mogelijk. Met het oog op de aanstaande kerstperiode zal de complete installatie in de komende weken zeer sterk worden belast, wat een verhoogde supportondersteuning vereist. Wij gaan ervan uit dat Hollander techniek deze ondersteuning ten minste tot en met de tweede week van 2015 zal bieden. Voor CSB-Automation AG is het vanzelfsprekend dat Hollander techniek de overdracht van de geleverde diensten professioneel afhandelt, zodat onze gemeenschappelijke klant ProMessa de voor het bedrijf essentiële kerstproductie met succes kan afronden.”

2.14.

Op voornoemde brief reageert [J] van Hollander op 23 december 2014 als volgt:

“(…) De reden voor de stopzetting is reeds uitvoerig besproken gedurende de laatste maanden en zullen daarom hier ook niet verder op ingaan. Samenvattend is het dat zowel de werkwijze, de cultuur alsmede de inzet van de juiste competenties onvoldoende aansluiting biedt om een constructieve manier van samenwerken te borgen. Gezien de inspanningsverplichting welke Hollander Techniek BV gedurende de samenwerking heeft gerealiseerd zien wij ons inziens geen reden om onzerzijds een tekortkoming te constateren met betrekking tot ons contract. Dit leidt onverminderd tot handhaving van ons standpunt. (…)”

2.15.

Hollander heeft op 28 november, 15 december en 30 december 2014 facturen verzonden aan CSB voor gemaakte uren van engineers in de periode van week 40 tot en met 51 van 2014, reiskosten en materiaalkosten ten bedrage van respectievelijk € 56.345,45, € 49.880,33 en € 46.428,93 (in totaal derhalve € 152.654,71). De omschrijving bij deze facturen luidt telkens “de werkzaamheden die zijn verricht voor de voorbereiding van de FMO (light) (…).”

2.16.

Bij brief van 13 februari 2015 heeft de advocaat van CSB aan Hollander medegedeeld dat CSB de betaling van de facturen van Hollander heeft opgeschort en dat zij deze zal verrekenen met de te berekenen schade van CSB. Volgens CSB zijn er diverse gebreken in het door Hollander geleverde programmeerwerk binnen het project, namelijk:

“1. volledige onbruikbaarheid van de ontwikkelde software vanwege operationele instabiliteit en ontbrekende onderhoudsmogelijkheden, mede veroorzaakt door het ontbreken van een softwarestructuur;

2. ‘fast mover’-besturing is als geheel niet functioneel;

3. er bestaat geen softwaredocumentatie.”

2.17.

Op 2 oktober 2015 heeft Hollander na daartoe op 24 september 2015 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland ten laste van CSB conservatoir derdenbeslag gelegd onder Coop Productiebedrijven.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Hollander vordert samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van CSB tot betaling van de facturen ten bedrage van in totaal € 152.654,17, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten ad € 2.301,54, proceskosten en nakosten.

3.2.

CSB voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

CSB vordert samengevat - :

I. het door Hollander ten laste van CSB gelegde derdenbeslag op te heffen, dan wel Hollander te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot opheffing van de beslagen over te gaan, op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag althans deel van een dag dat Hollander daarmee in gebreke blijft;

II. te verklaren voor recht dat Hollander tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten van opdracht tot inbedrijfstelling van de FastMover In (fase 2) en de realisering en inbedrijfstelling van de FastMover Out (fase 3);

III. te verklaren voor recht dat Hollander de onder II bedoelde opdrachten niet rechtsgeldig heeft opgezegd en aldus is tekortgeschoten in de uitvoering van haar overeenkomsten van opdracht en onrechtmatig heeft gehandeld jegens CSB;

IV. de overeenkomsten van opdracht zoals bedoeld onder II tussen partijen te ontbinden;

V. te verklaren voor recht dat Hollander aansprakelijk is voor de schade die CSB door het gelegde beslag, het tekortschieten en onrechtmatig handelen heeft geleden en lijdt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

VI. Hollander te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

3.5.

Hollander voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht

4.1.

De ter beoordeling voorliggende rechtsverhouding betreft een rechtsverhouding tussen het in Zwitserland gevestigde CSB en het in Nederland gevestigde Hollander. Nederland (als onderdeel van de Europese Unie) en Zwitserland zijn partij bij EVEX II (het Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Krachtens artikel 5 EVEX II is bevoegd de rechter van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Aangezien in deze zaak aan de eis ten grondslag ligt de in Deventer (bij ProMessa) uitgevoerde verbintenis tussen Hollander en CSB, is deze rechtbank bevoegd.

4.2.

Ingevolge artikel 10:154 BW is de Rome I Verordening van overeenkomstige toepassing op verbintenissen die buiten de werkingssfeer van Rome I vallen en die als verbintenissen uit overeenkomst kunnen worden aangemerkt. Gelet op de bepalingen in Rome I is de rechtbank van oordeel dat op de rechtsverhouding tussen Hollander en CSB Nederlands recht van toepassing is, omdat de kenmerkende prestatie van de beweerdelijke overeenkomst wordt verricht in Nederland.

Kern van het geschil

4.3.

Gelet op de verwevenheid tussen de vorderingen en verweren in conventie en reconventie (met name vanwege het beroep van CSB op verrekening en opschorting), zal de rechtbank deze zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.4.

CSB heeft de hoogte en omvang van de facturen, waarvan Hollander betaling heeft gevorderd, niet betwist, maar beroept zich – kort gezegd – op opschorting en verrekening in verband met door haar geleden schade. Volgens CSB is Hollander tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomsten en heeft Hollander de overeenkomsten niet rechtsgeldig opgezegd, waardoor CSB schade heeft geleden die hoger is dan de gevorderde facturen in conventie.

4.5.

Tussen partijen is met name in geschil hoe de overeenkomst(en) tussen hen moeten worden gekwalificeerd. Hollander stelt zich op het standpunt dat er gedurende het hele project sprake is van telkens nieuwe overeenkomsten van opdracht tussen Hollander en CSB tot het uitlenen van engineers (detachering), die onder leiding en toezicht van CSB werkzaamheden verrichtten. Op deze wijze contracteerde zij daarvoor ook met Webe. Volgens CSB hebben partijen in ieder geval voor fase 2 en 3 een overeenkomst van opdracht dan wel een (onder)aannemingsovereenkomst gesloten, waarbij Hollander verantwoordelijk was voor de kwaliteit van de geleverde werkzaamheden jegens CSB. Dit volgt volgens CSB uit de gang van zaken waarbij Hollander zelf de werkzaamheden verrichtte zonder aansturing van CSB. Ten aanzien van het deelproject FMO light hebben partijen in ieder geval nadere afspraken gemaakt, naar aanleiding van de door Hollander uitgebrachte offerte.

Ten aanzien van de overeenkomsten met uitzondering van de FMO light-fase
4.6. Partijen hebben vóór de FMO light-fase geen concrete afspraken op papier gezet over de wijze waarop zij zouden gaan samenwerken, behoudens het e‑mailbericht van 30 oktober 2013 van Hollander (r.o. 2.6). Ten aanzien van het deelproject FMO-light hebben partijen vervolgens onderhandeld (in eerste instantie aan de hand van een offerte van Hollander) over de vraag hoe een overeenkomst voor die fase vorm gegeven zou moeten worden.

4.7.

De rechtbank oordeelt ten aanzien van de periode vóór FMO-light (aldus fase 1 en 2) als volgt. Voor deze periode is van belang wat partijen hebben gesteld over de feitelijke gang van zaken en hetgeen partijen in de gegeven omstandigheden over en weer van elkaar mochten verwachten. Als onvoldoende betwist staat vast dat Webe als onderaannemer (dan wel opdrachtnemer) van CSB fungeerde en dat Hollander door Webe in eerste instantie enkel is ingeschakeld voor het detacheren van engineers. Daarbij stuurde [A] bij Webe de ingehuurde engineers van Hollander aan, zoals ook CSB heeft aangevoerd. In verband met een dreigend faillissement van Webe heeft CSB Hollander vervolgens rechtstreeks ingeschakeld. Over de vraag hoe deze nieuwe overeenkomst(en) tussen CSB en Hollander vorm gegeven moest(en) worden, hebben partijen geen expliciete concrete afspraken gemaakt. In voornoemd e-mailbericht van Hollander van 30 oktober 2013 wordt enkel de mondelinge afspraak bevestigd dat de werkzaamheden van Hollander voor Webe voor het project nu rechtstreeks voor CSB zullen worden uitgevoerd. Anders dan CSB betoogt ,kent de rechtbank aan de woorden ‘werkzaamheden’ (in plaats van ‘het detacheren’ of ‘inlenen van personeel’) niet een dermate letterlijke betekenis toe, dat reeds daaruit zou moeten volgen dat het om een algemene opdracht zou gaan om werkzaamheden voor het project geheel onder eigen verantwoordelijkheid te verrichten. Dat er afwijkende afspraken zijn gemaakt ten opzichte van de op dat moment bestaande overeenkomsten met Webe tot het detacheren van personeel, is onvoldoende gesteld of gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde Hollander op basis van haar rol op dat moment niet te verwachten, dat zij de contractuele positie van Webe volledig moest overnemen, zonder dat daarover afzonderlijke en concrete afspraken zijn gemaakt. CSB tekende bijvoorbeeld op gelijke wijze als Webe de werkbonnen van de engineers van Hollander, waarop de gewerkte uren stonden vermeld. Daarbij komt dat [A] door CSB werd overgenomen en aangesteld als projectleider. Voor CSB geldt dat zij niet kon verwachten dat Hollander, zonder dat daarover afspraken waren gemaakt, de contractuele positie van Webe – nog los van de vraag welke voorwaarden Webe en CSB overeen zijn gekomen en of dit voor Hollander kenbaar was – geheel zou overnemen en dat de overeenkomsten tot detachering werden omgezet in een algemene overeenkomst van opdracht tot het verrichten van werkzaamheden in het project. Al met al is in ieder geval in de periode tot de FMO light-fase tussen partijen sprake van overeenkomsten van opdracht tot detachering van engineers.

Ten aanzien van de FMO light-fase

4.8.

Ten aanzien van de FMO light-fase hebben partijen overleg gevoerd over een offerte voor het verrichten van werkzaamheden tegen een vaste prijs door Hollander. Deze werkzaamheden zouden volgens de offerte van Hollander bestaan uit het leveren en het installeren van de besturing voor het deelproject. Volgens Hollander zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen en hebben zij in navolging van de eerdere detacheringsovereenkomsten op dezelfde wijze verder samengewerkt. In haar conclusie van antwoord in conventie heeft CSB zich op het standpunt gesteld – zo begrijpt de rechtbank – dat zij de offerte heeft geaccepteerd, met dien verstande dat de in het e-mailbericht van 8 augustus 2014 genoemde voorwaarden daarvan onderdeel uitmaken (namelijk dat de werkzaamheden op regiebasis zouden worden verricht en dat Hollander verantwoordelijk zou zijn voor de kwaliteit en functionaliteit van de geleverde software). Bij conclusie van dupliek in conventie heeft zij zich in het kader van haar verweer tegen de ALIB op het standpunt gesteld dat zij de offerte niet heeft aanvaard en dat de ALIB niet van toepassing zijn.

4.9.

Voor de beantwoording van de vraag hoe de overeenkomst(en) tussen partijen in deze fase moet(en) worden gekwalificeerd en wat deze inhoudt/en, is van belang of sprake is van aanbod en aanvaarding en zo ja, welk aanbod is aanvaard.

4.10.

Ingevolge artikel 6:225 BW geldt een aanvaarding die van het aanbod afwijkt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke (lid 1). Wijkt een tot aanvaarding strekkend antwoord op een aanbod daarvan slechts op ondergeschikte punten af, dan geldt dit antwoord als aanvaarding en komt de overeenkomst overeenkomstig deze aanvaarding tot stand, tenzij de aanbieder onverwijld bezwaar maakt tegen de verschillen (lid 2).

4.11.

De rechtbank acht op dit onderdeel van belang de stellingen van partijen over wat zij in de periode tussen 1 juli 2014 en 8 augustus 2014 met elkaar hebben besproken naar aanleiding van de uitgebrachte offerte. Volgens Hollander zien de e-mailberichten tussen partijen in de tussenliggende periode op de overeenstemming tussen partijen dat opnieuw gedetacheerd zou worden omdat geen passend ander voorstel kon worden gedaan, terwijl CSB stelt dat het e-mailbericht van 8 augustus 2014 juist een bevestiging was van de geoffreerde werkzaamheden, zij het onder nieuwe voorwaarden.

4.12.

In het e-mailbericht van Hollander van 21 juli 2014 over het voorstel voor het uitvoeren van FMO light wordt, anders dan CSB betoogt, expliciet verwezen naar het daaronder opgenomen e-mailbericht van 18 juli 2014 over het inschakelen van engineers en niet naar de offerte van 1 juli 2014. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat partijen niet meer aan het onderhandelen waren over de offerte, maar dat Hollander een nieuw aanbod heeft gedaan, gebaseerd op de eerdere gang van zaken, namelijk het detacheren van personeel door Hollander aan CSB. Duidelijk is wel dat CSB die afspraken wilde aanpassen: met het e-mailbericht van 8 augustus 2014 lijkt CSB een opdracht te bevestigen, maar zij spreekt over het in bedrijfstellen van FMO light en zij wijst Hollander als verantwoordelijke aan voor de kwaliteit en functionaliteit van de geleverde software.

4.13.

Van het aanvaarden van het aanbod van Hollander zoals verwoord in de e-mailberichten van 18 en 21 juli 2014 is daarmee geen sprake: het tot aanvaarding strekkend antwoord van CSB wijkt immers op belangrijke (niet ondergeschikte) punten af, namelijk het inbedrijfstellen van FMO light in plaats van het detacheren van personeel en de verantwoordelijkheid van Hollander voor de kwaliteit en functionaliteit van de geleverde software. Niet gesteld of gebleken is dat Hollander dit gewijzigde voorstel (het nieuwe aanbod van CSB) heeft geaccepteerd. In de daarop volgende e-mailberichten geeft Hollander namelijk aan dat het haar nog niet duidelijk is wat van haar wordt verlangd, bijvoorbeeld op het gebied van montage en installatie.

4.14.

Voor zover CSB al betoogt dat zij het aanbod uit de offerte heeft geaccepteerd met haar e-mailbericht van 8 augustus 2014, wordt dit betoog eveneens verworpen, omdat ook dit aanbod op belangrijke (niet ondergeschikte) punten afwijkt van de offerte, te weten op het gebied van de prijs en de verantwoordelijkheden van Hollander.

4.15.

De vraag resteert hoe de overeenkomst ten aanzien van de FMO-light fase dan moet worden gekwalificeerd. Vooropgesteld wordt dat de verschillende fases door elkaar liepen, hetgeen ook blijkt uit de getekende werkbonnen die gevoegd zijn bij de facturen van Hollander in het kader van de FMO light-fase; op die werkbonnen worden ook werkzaamheden voor FMI vermeld. Aangezien er geen nieuwe aangepaste overeenkomst is geaccepteerd en onvoldoende gesteld of gebleken is dat er in de feitelijke gang van zaken in deze fase tussen partijen anders is gehandeld met betrekking tot uitvoering van de werkzaamheden en de aansturing vanuit CSB in de eerdere fasen (inclusief het aftekenen van werkbonnen en het werken onder projectleider [A] ), houdt de rechtbank het ervoor dat partijen op basis van de eerdere overeenkomsten hebben gehandeld, derhalve op basis van overeenkomsten van opdracht tot detachering.

Tekortkomingen in de nakoming?

4.16.

CSB heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat Hollander op meerdere onderdelen tekort is geschoten in de nakoming van overeenkomsten tot inbedrijfstelling van de FMI en FMO. De software voor de FMI voldeed volgens haar niet aan de functionele eisen en was instabiel. De FMO light is niet als een goed werkend systeem opgeleverd. Hollander betwist dat de software voor de FMO light niet werkte, de overige basissoftware functioneerde niet goed, waardoor de hele productielijn niet goed werkte. De software voor FMO light was gereed en kon worden getest. Voor wat betreft de overige gebreken, betwist zij deze deels, maar voert met name aan dat zij daarvoor gelet op het karakter van de detacheringsovereenkomsten niet aansprakelijk kan worden gesteld.

4.17.

Zoals hiervoor is overwogen geldt dat partijen detacheringsovereenkomsten inzake het uitlenen van engineers hebben gesloten. Van overeenkomsten van opdracht tot inbedrijfsstelling van FMI en/of FMO light is geen sprake, zodat om die reden de vordering reeds voor afwijzing gereed ligt.

4.18.

Bovendien leveren detacheringsovereenkomsten zoals de onderhavige een inspanningsverplichting op vanuit Hollander om engineers te leveren aan CSB en de door CSB gegeven opdrachten uit te voeren, maar niet dat Hollander verplicht is om een bepaald resultaat, zoals een werkende productielijn, te leveren. Aangezien CSB niet heeft gesteld dat in het kader van de detachering fouten zijn gemaakt door de engineers die voor rekening van Hollander dienen te komen, zal de rechtbank het verweer van CSB op dit punt verwerpen. De reconventionele vorderingen van CSB uit hoofde van tekortkoming in de nakoming wegens gebreken zullen bijgevolg worden afgewezen.

Rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst(en)?

4.19.

CSB heeft verder aangevoerd dat Hollander de overeenkomst(en) niet rechtsgeldig heeft beëindigd en dat CSB daardoor schade heeft geleden. Volgens Hollander waren de detacheringsovereenkomsten voor bepaalde tijd en waren de termijnen verstreken voor de gedetacheerde medewerkers; subsidiair stelt zij dat er gewichtige redenen waren om de overeenkomst op te zeggen.

4.20.

Een overeenkomst van opdracht kan, behoudens gewichtige redenen, op grond van artikel 7:408 lid 2 BW slechts worden opgezegd door de opdrachtnemer, indien zij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt.

4.21.

De vraag is of de detacheringsovereenkomsten voor bepaalde of onbepaalde tijd golden en voor zover sprake was van bepaalde tijd, of de termijnen zijn verstreken. Uit de stellingen van Hollander en het besprekingsverslag van 30 oktober 2014 van Hollander (tijdens welke bespreking Hollander kenbaar heeft gemaakt de inzet van de gedetacheerde engineers te beëindigen) maakt de rechtbank op dat op dat moment de engineers [E] , [I] en [K] waren gedetacheerd door Hollander bij CSB. CSB heeft de juistheid van dit verslag op dit punt niet betwist.

4.22.

Van belang is dat Hollander in dit kader diverse e-mailberichten (met name producties 11, 12, 46 en 47) in het geding heeft gebracht, waaruit volgt dat er per engineer afspraken werden gemaakt aangaande de planning. Uit de hiervoor door de rechtbank vastgestelde overeenkomsten tot detachering volgt niet dat Hollander gehouden was gedurende het hele project (of deelproject) engineers te leveren. Zo wordt in het e‑mailbericht van 5 augustus 2014 van Hollander gerept over de beschikbaarheid in bepaalde weken en is de door CSB gevraagde commitment ten aanzien van de planning bezwaarlijk uit te leggen als een commitment ten aanzien van het gehele project. Zoals gezegd bestond kennelijk de wens bij CSB dat er bij Hollander meer verantwoordelijkheid zou komen te liggen voor de afronding van het project, maar dat daar in het kader van de detachering specifieke afspraken over zijn gemaakt, heeft CSB onvoldoende onderbouwd. Nu de door Hollander met diverse e-mailberichten ondersteunde stellingen dat telkens voor de verschillende engineers planningen werden gemaakt op basis van het te verrichten werk, dat voor de periode na week 51 van 2014 geen nieuwe detacheringsafspraken zijn gemaakt en CSB deze stellingen onvoldoende (onderbouwd) heeft weerlegd, oordeelt de rechtbank dat de overeenkomsten voor bepaalde tijd zijn gesloten en dat deze door tijdsverloop zijn verstreken en beëindigd. Van niet rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomsten is om die reden geen sprake, zodat de vorderingen van CSB ook op dit punt zullen worden afgewezen.

Conclusie

4.23.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige verweren van CSB geen bespreking meer en komt CSB geen beroep toe op verrekening dan wel opschorting.

4.24.

Al met al zal de in conventie gevorderde betaling van de facturen van Hollander worden toegewezen, nu de omvang en de hoogte daarvan niet zijn betwist. Tevens zal de wettelijke handelsrente als onbetwist worden toegewezen.

4.25.

De reconventionele vorderingen in het kader van tekortkomingen in de nakoming en het niet rechtsgeldig opzeggen van de overeenkomsten zullen worden afgewezen. Gelet op de toewijzing in conventie en de afwijzing in reconventie, is van een onrechtmatig gelegd derdenbeslag geen sprake, zodat de vordering tot opheffing van het beslag en de verklaring voor recht dat Hollander aansprakelijk zou zijn voor de door CSB geleden schade, eveneens zullen worden afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.26.

Hollander vordert voorts de vergoeding van door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.301,54 op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat Hollander onbetwist heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.27.

CSB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hollander in conventie worden begroot op:

- dagvaarding € 87,84

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.793,84

Tevens zal CSB zoals gevorderd in conventie in de nakosten woren veroordeeld.

In reconventie worden de kosten aan de zijde van Hollander begroot op € 1.421,00 wegens salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt CSB om aan Hollander te betalen een bedrag van € 152.654,17 (éénhonderdtweeënvijftig duizendzeshonderdvierenvijftig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW te rekenen vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling van de facturen, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt CSB om aan Hollander te betalen een bedrag van € 2.301,54, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW indien niet binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tot betaling wordt overgegaan, tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt CSB in de proceskosten, aan de zijde van Hollander tot op heden begroot op € 6.793,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt Hollander in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af,

5.8.

veroordeelt CSB in de proceskosten, aan de zijde van Hollander tot op heden begroot op € 1.421,00,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld - Koekkoek en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.1

1 type: coll: