Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:508

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
08/730546-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

4 maanden onvoorwaardelijke celstraf. Dat legt de rechtbank Overijssel op aan een 53-jarige man uit Almelo wegens de diefstal van een telefoon en het bedreigen met een mes in het uitgaansgebied van Almelo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/730546-16

Datum vonnis: 7 februari 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 januari 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Brunsveld en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman
mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: een sigaret heeft weggenomen en vervolgens iemand heeft bedreigd met een mes;

feit 1 subsidiair: iemand heeft bedreigd met een mes;

feit 2: een mobiele telefoon heeft weggenomen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Almelo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sigaret, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond dat hij, verdachte, met een mes in de richting van voornoemde

[slachtoffer 1] zwaaide en/of hierbij tegen deze [slachtoffer 1] zei: "Ik pak jullie

nog wel";

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Almelo [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] gezwaaid en/of hierbij dreigend de woorden toegevoegd: "Ik pak jullie nog wel";

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2016 te Almelo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung S7), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor feit 1 subsidiair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van het voorarrest.

Verder heeft de officier van justitie toewijzing verzocht van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het gevorderde bedrag van € 867,30, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs 1

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie acht op basis van de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en die van de getuige [getuige] bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Tevens acht de officier van justitie, op basis van de verklaring van aangever [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van bevindingen, bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

De raadsman concludeert tot vrijspraak van de gehele tenlastelegging. Voor het onder 1 primair tenlastegelegde ontbreekt volgens de raadsman de wederrechtelijkheid en voor het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde het wettig en overtuigend bewijs.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Feit 1

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 29 oktober 2016 omstreeks 19.15 uur werkzaam was bij café [café] te Almelo. Op dat moment liep er een man op het terras die [slachtoffer 1] herkende als zijnde [verdachte] . Aangezien [verdachte] een pandverbod had voor genoemd café verzocht hij [verdachte] , het terras te verlaten. Nadat [verdachte] een sigaret uit een asbak had gepakt en [slachtoffer 1] vervolgens op [verdachte] was toegelopen, zag [slachtoffer 1] dat [verdachte] een mes uit de binnenzak van zijn jas pakte en daarmee in zijn richting zwaaide, waarbij [slachtoffer 1] hem hoorde zeggen: “Ik pak jullie nog wel” 2.

Omstreeks 19.32 werd [verdachte] op het Markplein in Almelo aangehouden3.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij, toen zij op 29 oktober 2016 omstreeks 19.30 uur op het terras bij café [café] te Almelo zat, zag dat een man een sigaret van haar tafel pakte en daarmee wegliep. Verder zag zij dat, nadat vervolgens een medewerker van het café de man achterna was gelopen, de man zich omdraaide en een mes trok4.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat voornoemde bewijsmiddelen onvoldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren voor het primair tenlastegelegde, zodat daarvoor vrijspraak moet volgen. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank wel dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Feit 2

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij, toen hij op 29 oktober 2016 bij [restaurant] te Almelo aan het werk was, zijn telefoon, een Samsung S7, achter de bar had neergelegd. “De telefoon lag niet in het zicht, en je moet achter de bar om hem te kunnen pakken”. Op een gegeven moment zag hij een man op de hoek van de bar die om geld voor een treinkaartje vroeg en die niets had besteld. Toen de man opeens de zaak uitliep keek aangever direct naar zijn telefoon waarop hij zag dat die weg was5.

Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] verklaren dat zij, in verband met een diefstal van een telefoon op 29 oktober 2016 bij [restaurant] te Almelo, op 30 oktober 2016 camerabeelden van restaurant [restaurant] hebben bekeken. Zij zien daarop dat omstreeks 18.34 uur iemand binnen komt die zij onmiddellijk herkennen als de hun bekende [verdachte] , geboren te Almelo op [geboortedatum] 1963. Zij zien dat [verdachte] aan de bar gaat staan en, op het moment dat er geen personeel meer achter de bar staat, om zich heen kijkt, twee passen achter de bar stapt en met zijn rechterhand iets pakt uit de kastenwand achter de bar en vervolgens iets wegstopt in de achterzak van zijn broek. Vervolgens zien zij dat [verdachte] om 18.39 uur [restaurant] verlaat6.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de telefoon van aangever.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

hij op 29 oktober 2016 te Almelo [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] gezwaaid en hierbij deze [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik pak jullie nog wel";

2.

hij op 29 oktober 2016 te Almelo met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung S7), toebehorende aan [slachtoffer 2] .

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 285 en 310 Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling;

feit 2

het misdrijf: diefstal.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft een indrukkende staat van dienst wat betreft het plegen van misdrijven van de meest uiteenlopende aard. Alle in eerdere veroordelingen gelegen waarschuwingen kunnen hem er kennelijk niet van weerhouden gewoon door te gaan met het plegen van strafbare feiten. Bovendien wenst hij voor de thans bewezenverklaarde feiten, gelet op zijn proceshouding, geen enkele verantwoordelijkheid te nemen. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij in het uitgaansgebied van Almelo, waar zich op dat moment nogal wat mensen, waaronder een moeder met een klein kind, bevonden, en op een moment dat hij enkel door iemand wordt aangesproken op zijn, voor de gasten van een café, storende gedrag, iemand met een mes heeft bedreigd. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf onder meer acht geslagen op de over verdachte opgemaakte rapportage van het Leger des Heils en hetgeen door de reclasseringswerker M. Hamhuis ter terechtzitting over de persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren is gebracht. Uit vorenstaande blijkt onder meer dat een klinische opname van verdachte geïndiceerd is, maar dat verdachte, in afwachting van een eventuele plaatsing in een kliniek, zelf de regie wenst te voeren over een tijdelijke opvang. Diverse inspanningen in het verleden van verschillende hulpverleningsinstanties die er op waren gericht verdachtes leven een andere wending te laten nemen, hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat op een consequent optreden van verdachte een evenzo consequente reactie van justitie dient te volgen door hem een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur op te leggen.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] , wonende te [adres] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 867,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Dit betreft materiële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 867,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1 subsidiair het misdrijf: bedreiging met zware mishandeling;
    feit 2 het misdrijf: diefstal;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier (4) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , voornoemd van een bedrag van € 867,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2016;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag

van € 867,30 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 17 dagen zal worden toegepast;

- bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. A.M. Rikken en mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2016536898 Z van 31 oktober 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 2.

3 Proces-verbaal van aanhouding van 29 oktober 2016, pagina 4.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgenomen in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Eenheid Oost Nederland, van 1 november 2016.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina’s 18 en 19.

6 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 20.