Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4829

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
16-02-2018
Zaaknummer
C/08/210644 / KG RK 17-1221 (ib)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer wijst verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: C/08/210644 / KG RK 17-1221 (ib)

Beslissing van 21 december 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster tot wraking,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Op 22 november 2017 heeft verzoekster een verzoek tot wraking gedaan van
mr. G. van Eerden, kantonrechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder nummer 6383550 EJ VERZ 17-340. In dit verzoek heeft verzoekster tevens verzocht de wrakingskamer samen te stellen uit rechters van een ander gerecht dan de rechtbank Overijssel.

1.2.

Bij brief van 30 november 2017 heeft mr. Van Eerden de wrakingskamer laten weten niet te berusten in de wraking.

1.3.

Bij brief van 5 december 2017 heeft mr. M.L.J. Koopmans, plaatsvervangend voorzitter van de wrakingskamer, het verzoek van verzoekster om de wrakingskamer samen te stellen uit rechters van een ander gerecht dan rechtbank Overijssel, niet gehonoreerd.

1.4.

Bij brief van 11 december 2017 heeft mr. J.O.A.M. van Aerde, voorzitter van de wrakingskamer, gereageerd op het schrijven van verzoekster van 7 december 2017, waarin zij bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van mr. Koopmans van 5 december 2017. In deze brief van 11 december 2017 is tevens aan verzoekster meegedeeld dat de zitting is vastgesteld op 19 december om 13.30 uur.

1.5.

Bij (aangetekende) brief van 12 december 2017 en bij mailbericht van
13 december 2017 is verzoekster meegedeeld dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek zal plaatsvinden op 19 december 2017 om 13.30 uur.

1.6.

Bij mailbericht van 18 december 2017 heeft de griffie van de rechtbank de brief van mr. Van Eerden van 30 november 2017 aan verzoekster gezonden.

1.7.

Bij mailbericht van 18 december 2017 is verzoekster namens de voorzitter van de wrakingskamer, in reactie op haar mailberichten van 15 december 2017 en 17 december 2017, meegedeeld dat de zitting op 19 december 2017 doorgaat zoals gepland en dus niet verplaatst zal worden. Daarnaast is aan verzoekster het besluit van 14 november 2017 aangaande de aanpassing van het wrakingsprotocol en het besluit van 18 oktober 2016 waarin het bestuur de benoeming herbevestigt van mr. Koopmans als plaatsvervangend voorzitter van de wrakingskamer per mail toegezonden.

1.8.

Bij mailbericht van 19 december 2017 is verzoekster in reactie op haar mailbericht van 18 december 2017 meegedeeld dat het niet mogelijk is om voor 11.00 uur op haar verzoek een beslissing te nemen, vanwege afwezigheid op dat moment van één van de drie rechters van de wrakingskamer en dat de behandeling van het wrakingsverzoek zal plaatsvinden zoals gepland op 19 december 2017 om 13.30 uur.

1.9.

Het wrakingsverzoek van verzoekster is op 19 december 2017 in het openbaar behandeld. Verzoekster is, hoewel behoorlijk ingelicht, niet verschenen. Mr. Van Eerden heeft laten weten niet te zullen verschijnen, tenzij de wrakingskamer zijn aanwezigheid noodzakelijk vindt.

1.10.

De uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

De wrakingskamer zal allereerst ingaan op het bij brief van 18 december 2017 door verzoekster gedane verzoek om de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek uit te stellen omdat haar - kort gezegd - de reactie van mr. Van Eerden bijna drie weken is onthouden, hetgeen volgens verzoekster in strijd is met het wrakingsprotocol en
artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien wordt het haar hierdoor onmogelijk gemaakt om mr. Van Eerden nog tijdig op te roepen om ter zitting te verschijnen, aldus verzoekster.

2.2.

Hoewel het buitengewoon ongelukkig te noemen is dat verzoekster abusievelijk pas bij mailbericht van 18 december 2017 in kennis is gesteld van het bij brief van

30 november 2017 gevoerde verweer door mr. Van Eerden op haar wrakingsverzoek, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoekster door deze handelwijze niet zodanig in haar belangen is geschaad dat dit een uitstel van de mondelinge behandeling van haar wrakingsverzoek rechtvaardigt. In dat kader acht de wrakingskamer van belang dat de reactie van mr. Van Eerden geen omvangrijk processtuk is, waarvan niet eenvoudig kennis te nemen is en dat niet eenvoudig te doorgronden is. Integendeel, het verweer is kort en gemakkelijk te begrijpen. Bovendien heeft verzoekster nadien nog de gelegenheid gevonden om een (uitgebreid) processtuk op te stellen en toe te sturen aan de wrakingskamer. Gelet op het vorenstaande zal de wrakingskamer het verzoek van verzoekster om de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek uit te stellen afwijzen.

2.3.

De wrakingskamer ziet (ambtshalve) geen gronden om het wrakingsverzoek te verwijzen naar een andere rechtbank. De wrakingskamer begrijpt het betoog van verzoekster aldus dat zij zich op het standpunt stelt dat een wrakingskamer van de rechtbank
Noord-Nederland haar wrakingsverzoek dient te behandelen omdat er sprake is van betrokkenheid van een “eigen medewerker” dan wel betrokkenheid van de rechtbank Overijssel. De wrakingskamer volgt dit betoog niet. In de parlementaire geschiedenis van artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: RO) gelezen in verband met die van artikel 46b RO (TK, vergaderjaar 2010-2011, 32 891, nr. 3, blz. 52 en 53) staat beschreven dat op grond van genoemde artikelen verwijzing mogelijk wordt gemaakt wanneer naar het oordeel van in dit geval, de verwijzende wrakingskamer van de rechtbank Overijssel, door “betrokkenheid van de rechtbank Overijssel” behandeling van de zaak door een wrakingskamer van een andere rechtbank gewenst is. Deze formulering maakt het niet alleen mogelijk te verwijzen wanneer een medewerker van de rechtbank partij of betrokkene is bij een zaak, maar ook wanneer bijvoorbeeld sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft. In deze zaak is dat alles niet aan de orde. De wrakingskamer ziet in de door verzoekster geschetste feiten en omstandigheden op zichzelf noch in onderling verband gezien aanleiding de zaak op grond van artikel 46b RO in verband met betrokkenheid van de rechtbank bij de zaak voor verdere behandeling te verwijzen naar de rechtbank
Noord-Nederland. Dat mr. Van Eerden lid is van de vaste wrakingskamer vormt geen reden voor een andersluidend oordeel. Met inachtneming van het vorenoverwogene is de wrakingskamer van oordeel dat evenmin kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5 van het Zaaksverdelingsreglement.

2.4.

Wat betreft de inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek overweegt de wrakingskamer als volgt.

2.5.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

2.6.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

2.7.

Aan het wrakingsverzoek heeft verzoekster - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. In het licht van de feiten en omstandigheden van het geval zijn de beslissingen van mr. Van Eerden om (1) het verzoek tot herroeping van de beschikking van 11 maart 2016 niet te verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland, waaronder begrepen de motivering daarvan, (2) behandelend rechter te blijven van het verzoek tot herroeping en (3) niet onverwijld een zittingsdatum te bepalen, zo onbegrijpelijk dat daaruit de partijdigheid dan wel vooringenomenheid jegens verzoekster moet worden afgeleid.

2.8.

De wrakingskamer begrijpt verzoekster aldus dat volgens haar mr. Van Eerden de zaak met nummer 6383550 EJ VERZ 17-340 had moeten verwijzen naar de rechtbank
Noord-Nederland omdat zij zich in die zaak op het standpunt heeft gesteld dat
mr. Van Rhijn, voormalig kantonrechter te Enschede, valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Hierin is een reden gelegen om een beroep te doen op de volstrekte nietigheid van de uitspraak van mr. Van Rhijn van 9 oktober 2015 en te verzoeken om voornoemde uitspraak vals te verklaren. Volgens verzoekster zou daarmee sprake zijn van ‘betrokkenheid van een eigen medewerker’ dan wel van ‘betrokkenheid van de rechtbank’, zodat de zaak ingevolge artikel 5 van het Zaaksverdelingsreglement verwezen had moeten worden.

2.9.

De wrakingskamer stelt voorop dat de afwijzing van het verzoek tot verwijzing van mr. Van Eerden een procedurele beslissing is. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijke beslissing in beginsel niet tot wraking leiden. Dit is slechts anders indien een beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze alleen kan worden verklaard uit vooringenomenheid jegens de verzoekster. Hiervan is naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. Op basis van de voorhanden zijnde stukken is de wrakingskamer van oordeel dat verzoekster haar stelling dat mr. Van Rhijn valsheid in geschrifte heeft gepleegd niet heeft onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Ook overigens zijn in de voorhanden zijnde stukken geen concrete aanwijzingen te vinden dat er sprake zou kunnen zijn van valsheid in geschrifte door mr. Van Rhijn. Het enkele gegeven dat een uitspraak van mr. Van Rhijn (mede) onderwerp van geschil is, maakt niet dat mr. Van Eerden blijk geeft van (de schijn van) partijdigheid dan wel vooringenomenheid door de zaak niet te verwijzen.

2.10.

Met inachtneming van het vorenoverwogene is de wrakingskamer van oordeel dat de (impliciete) beslissing van mr. Van Eerden om behandelend rechter te blijven van de zaak met nummer 6383550 EJ VERZ 17-340 niet onbegrijpelijk is, en zeker niet zo onbegrijpelijk dat redelijkerwijze daarvoor geen andere verklaring mogelijk is dan dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekster. In zijn algemeenheid dient een rechter zich ervan bewust te zijn dat zijn onpartijdigheid ter discussie kan komen te staan vanwege zijn eerdere bemoeienis als rechter met een bepaalde zaak. In de herroepingsprocedure heeft de wetgever er echter expliciet voor gekozen dat deze zaken gebracht dienen te worden voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld, hetgeen in deze zaak ook is gebeurd. Voor de stelling van verzoekster dat mr. Van Eerden een eigen belang heeft bij de uitkomst van de herroepingszaak zijn geen objectieve dan wel subjectieve aanwijzingen voorhanden.

2.11.

Met betrekking tot de door verzoekster aangevoerde grond dat niet onverwijld een zittingsdatum is bepaald, overweegt de wrakingskamer als volgt. Het bepalen van een zittingsdatum is een procesbeslissing die, onder verwijzing naar het vorenoverwogene, in beginsel niet tot wraking kan leiden. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de handelwijze omtrent het bepalen van de zittingsdatum niet de conclusie worden getrokken dat er beslissingen zijn genomen die zo onbegrijpelijk zijn dat deze alleen kunnen worden verklaard uit vooringenomenheid jegens de verzoekster. Integendeel, mr. Van Eerden heeft op een begrijpelijke wijze invulling gegeven aan zijn (regie)taken en verzoekster - voor zover van belang - op de hoogte gesteld van zijn beslissingen. In dit kader acht de wrakingskamer van belang dat verzoekster bij brief van 11 oktober 2017, aangevuld bij brieven van 12 oktober 2017, het onderliggende verzoekschrift aan de sector kanton Enschede heeft doen toekomen en dat de griffie van de sector kanton Enschede verzoekster bij brief van 12 oktober 2017 heeft meegedeeld dat zij griffierecht dient te voldoen alvorens het verzoekschrift inhoudelijk in behandeling kan worden genomen. Bij brief van
14 november 2017 heeft de griffie van de sector kanton Enschede verzoekster meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht is voldaan en dat het verzoek in behandeling kan worden genomen. Tevens is verzoekster in die brief meegedeeld dat de kantonrechter heeft beslist dat hij in verband met de te betrachten zorgvuldigheid de komende twee weken zal bepalen of een mondelinge behandeling is gewenst of dat er wellicht aanvullende stukken nodig zijn. Bij brief van 21 november 2017 heeft de griffie van de sector kanton Enschede namens de behandelende rechter verzoekster - onder meer - bericht dat er een mondelinge behandeling zal worden gelast en dat zij en de gerekestreerden binnenkort een schrijven met betrekking tot de dagbepaling ontvangen. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat er sprake is van (de schijn van) partijdigheid dan wel vooringenomenheid bij mr. Van Eerden. Gelet op het tijdsverloop en de hiervoor geschetste gang van zaken kan bovendien niet worden geconcludeerd dat niet onverwijld is gehandeld.

2.12.

Nu verzoekster ook voor het overige geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de wrakingskamer partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.

3 De beslissing

De wrakingskamer:

3.1.

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. U. van Houten, C.H. de Haan en M.H. van der Lecq in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A.M. Booijink en in openbaar uitgesproken op
21 december 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.