Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4828

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
C/08/211305 / KG RK 17-1282 (ib)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: C/08/211305 / KG RK 17-1282 (ib)

Beslissing van 15 december 2017

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster tot wraking,

advocaat: mr. R.F.M. Tamboenan.

1 De procedure

1.1.

Op 5 december 2017 heeft verzoekster, bij gelegenheid van de voortgezette behandeling van het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), het verzoek tot wraking gedaan van mr. A. Flos, kinderrechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/08/206820 / JE RK 17-1509. Het verzoek is opgenomen in het proces-verbaal van deze terechtzitting.

1.2.

Mr. Flos heeft niet berust in de wraking

1.3.

Het wrakingsverzoek van verzoekster is op 11 december 2017 ter terechtzitting behandeld. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoekster,

- [naam 2] , de vader van [naam 1] ,

- mr. Flos heeft laten weten niet te zullen verschijnen, tenzij de wrakingskamer dit noodzakelijk zou achten.

1.4.

Aan het begin van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster verzocht de behandeling van het wrakingsverzoek aan te houden, omdat haar advocaat haar niet kan bijstaan vanwege verplichtingen elders. Dit verzoek is door de wrakingskamer niet gehonoreerd, omdat het van belang is dat de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek (ruimschoots) voor 24 december 2017 plaatsvindt, aangezien de ondertoezichtstelling is verlengd tot 24 december 2017 en er voor die tijd moet worden beslist op het verlengingsverzoek en het op zo’n korte termijn niet mogelijk is het wrakingsverzoek op een andere dag te behandelen.

2 De feiten

2.1.

Bij beschikking van 17 oktober 2016 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [naam 1] afgewezen en verstaan dat het verzoek tot machtiging tot haar uithuisplaatsing daarom geen behandeling meer behoeft.

2.2.

Bij beschikking van 22 augustus 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) de beschikking van 17 oktober 2016 vernietigd en, opnieuw beschikkende, de ondertoezichtstelling alsnog verlengd tot 24 september 2017 en het meer of anders verzochte afgewezen.

2.3.

Bij beschikking van 19 september 2017 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, naar aanleiding van het verzoek van de Stichting Jeugdbescherming (hierna: de GI) Overijssel tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden, de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van drie maanden en elke nadere beslissing aangehouden tot de zitting van 5 december 2017.

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

Verzoekster heeft - samengevat weergegeven - het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Verzoekster acht mr. Flos vooringenomen en niet onpartijdig omdat hij tijdens de zitting op 19 september 2017 heeft gezegd dat hij niet anders naar de zaak zal gaan kijken dan zijn collega’s van het Hof.

3.2.

Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft verzoekster haar standpunt nader toegelicht. Zij heeft - samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit een arrest van de Hoge Raad zou blijken dat zij nu nog steeds kan worden ontvangen in haar wrakingsverzoek. De kern van haar bezwaar is dat mr. Flos tijdens de behandeling van de zaak op 19 september 2017 en zonder de producties en verweerschriften (goed) te hebben gelezen verklaarde niet in te zullen gaan tegen de beslissing van zijn collega’s van het Hof. Door de vooringenomenheid van mr. Flos is het verlengingsverzoek van de GI niet getoetst aan de wettelijke eisen en heeft de GI geen enkele bedreiging voor [naam 1] hoeven te noemen of te bewijzen. De medische situatie en de huidige gang van zaken omtrent [naam 1] zijn nieuwe ontwikkelingen die mr. Flos ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn beoordeling.

4 Het standpunt van mr. Flos

4.1.

Mr. Flos heeft niet in de wraking berust. Hij heeft - kort gezegd - aangevoerd dat verzoekster niet ontvankelijk is in haar verzoek omdat het wrakingsverzoek niet is ingediend zodra de feiten en omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen bij verzoekster bekend zijn geworden. Verzoekster beroept zich immers op vermeende uitlatingen van hem tijdens de zitting op 19 september 2017.
Ten aanzien van de gronden stelt mr. Flos zich op het standpunt dat het feit dat zijn beslissing en de wijze waarop hij de zaak heeft behandeld en beoordeeld onwelgevallig en in strijd met wettelijke bepalingen zijn geweest in de ogen van verzoekster, in zijn ogen geen geobjectiveerde aanleiding geven partijdigheid bij hem te veronderstellen dan wel een schijn van partijdigheid hebben kunnen opwekken. Tegen beslissingen waar verzoekster het niet mee eens was, stond voor haar de procedure van hoger beroep open. Mr. Flos stelt dat hij nimmer heeft gezegd dan wel gesuggereerd dat hij het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling zonder meer zou gaan toewijzen en dat hij zijn collega’s niet zou afvallen. Uit de (lange) behandeling van het verzoek en het slechts toewijzen voor een kortere duur dan verzocht, kan eerder het tegendeel worden vastgesteld. Wel heeft hij aan het begin van de zitting geschetst dat het Hof in deze problematiek zeer kort voor de zitting van 19 september 2017 een uitspraak heeft gedaan en dat hij geen hoger-beroepsinstantie is van deze beslissing van het Hof. Hij heeft partijen er op gewezen dat zij zich met name moesten richten op de eventuele wijzigingen die zich in de situatie rondom [naam 1] hebben voorgedaan sinds de behandeling in die zaak door het Hof.

5 Het standpunt van [naam 2]

5.1.

Hoewel [naam 2] het wrakingsverzoek niet heeft ingediend, heeft hij tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek wel zijn standpunt in deze zaak kenbaar gemaakt. Kort gezegd stelt hij zich, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van
13 april 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9926), op het standpunt dat het wrakingsverzoek nog steeds ontvankelijk is en voor het overige onderschrijft hij de door verzoekster geschetste gang van zaken. Aan het begin van de zitting van 19 september 2017 gaf mr. Flos een prognose en deze prognose bleek aan het einde van de zitting te kloppen. Door zijn handelwijze wekte mr. Flos de indruk dat het weinig meer zou uitmaken wat er op de zitting van 19 september 2017 zou worden gezegd. Het beeld dat mr. Flos in zijn reactie op het wrakingsverzoek tracht te schetsen, alsof de duur van de behandeling zou onderbouwen dat hij de nieuwe ontwikkelingen zou hebben besproken en onderzocht, wordt niet herkend door
en is ook niet terug te lezen in de volgens summier gemotiveerde tussenbeschikking.

6 De beoordeling

6.1.

De wrakingskamer ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verzoekster, in haar wrakingsverzoek kan worden ontvangen. Ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden die ertoe aanleiding geven aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

6.2.

Blijkens arresten van de Hoge Raad van 13 april 2010 en 2 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9926 en ECLI:NL:HR:2010:BN2366) kan een wrakingsverzoek worden ingediend in elke stand van het geding totdat een einduitspraak is gedaan, doch dit laat onverlet dat het verzoek gedaan moet worden zodra de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aan verzoekster bekend zijn geworden. Dit uitgangspunt is eveneens opgenomen in artikel 4.4 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank. In het voornoemde artikel is immers bepaald dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding - mits vóór de einduitspraak - zodra de wrakingsgronden bekend zijn en dat een later ingediend verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

6.3.

Het wrakingsverzoek is gestoeld op de (vermeende) uitlatingen en handelwijze van mr. Flos tijdens de zitting van 19 september 2017. Op die datum waren de wrakingsgronden bekend. Het had dan ook zonder meer in de rede gelegen dat verzoekster op 19 september 2017 of kort daarna tot wraking van mr. Flos was overgegaan. Nu verzoekster dit heeft nagelaten, is niet voldaan aan het hiervoor genoemde wettelijke vereiste van een tijdige indiening van een wrakingsverzoek.

6.4.

De wrakingskamer wil niet onvermeld laten dat de onderliggende zaak, een civiele aangelegenheid betreft waarin een tussenbeschikking kan worden genomen, hetgeen in het onderhavige geval ook is gebeurd, waartegen bovendien hoger beroep kan worden ingesteld, terwijl dit in strafrechtelijke zaken, zoals aan de orde in de onderliggende zaken bij de voornoemde arresten van de Hoge Raad, niet tot mogelijkheden behoort. Nu mr. Flos bij beschikking van 19 september 2017 al een beslissing heeft genomen in die zin dat hij de ondertoezichtstelling heeft verlengd tot 24 december 2017, kan die beslissing niet meer worden voorkomen. Het gegeven dat mr. Flos deze voor verzoekster onwelgevallige tussenbeschikking heeft genomen, geeft de wrakingskamer geen aanwijzing dat het hem bij de beoordeling van het thans voorliggende verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling ontbreekt aan onpartijdigheid, noch dat hij ten aanzien van verzoekster de schijn van partijdigheid heeft gewekt.

6.5.

De slotsom is dan ook dat verzoekster niet ontvankelijk is in haar wrakingsverzoek.

Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.

7 De beslissing

De wrakingskamer

7.1.

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.L.J. Koopmans, G.G. Vermeulen en
A.M. Rikken in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A.M. Booijink en in openbaar uitgesproken op 15 december 2017.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.