Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4823

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-12-2017
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
C08/208744/KG ZA 17-333
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering verkoop voormalige echtelijke woning.

Man vordert na langdurige echtscheiding- en verdelingsprocedure verkoop voormalige echtelijke woning omdat hij de hypotheeklasten niet meer kan opbrengen. Vordering afgewezen. Partijen hebben diverse gerechtelijke uitspraken en verschillende overeenkomsten gesloten die zij telkens weer wijzigen en anders of niet uitvoeren. In deze onoverzichtelijkheid kan de voorzieningenrechter niet beoordelen of er reden of ruimte is voor de gevorderde maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Kanton en Handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer / rolnummer: C08/208744/KG ZA 17-333

Vonnis in kort geding van 4 december 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. A.J.A. Assink te Enschede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. L. van Beugen te Amsterdam.

Het procesverloop

Eiser heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 24 november 2017. Van hetgeen is besproken, is aantekening gemaakt.

Ter zitting zijn verschenen: de heer [eiser] , vergezeld door mr. A.J.A. Assink, en mevrouw [gedaagde] , vergezeld door mr. L. van Beugen.

De vordering is toegelicht.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

1. Bij de dagvaarding zijn de wettelijke formaliteiten in acht genomen.

2. In deze zaak staat het volgende vast. Partijen zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Op 25 april 2007 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Partijen zijn gezamenlijk (eiser onder andere via [A] B.V.) eigenaar van het landgoed [B] , gelegen aan [het adres] . Partijen hebben geprocedeerd over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In dat kader heeft er op 8 december 2010 een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij het gerechtshof te Arnhem, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Uit het proces-verbaal blijkt dat partijen onder andere zijn overeengekomen dat partijen in gezamenlijk overleg makelaarskantoor [C] opdracht zullen geven om tot verkoop van [B] over te gaan.

Op 13 november 2013 hebben partijen een intentieverklaring ter afwikkeling van de verdeling van de huwelijkse goederengemeenschap ondertekend, waarin afspraken zijn gemaakt om te komen tot een spoedige afwikkeling van de verdeling. Ten aanzien van [B] is in de intentieverklaring vermeld dat deze voor een deel eigendom is van [A] B.V. (zakelijk deel). Voorts is vermeld dat partijen zijn overeengekomen dat [B] wordt toegedeeld aan gedaagde, maar dat die toedeling eerst kan plaatsvinden als gedaagde het zakelijk deel overneemt. Partijen zijn overeengekomen dat gedaagde het zakelijk deel zal overnemen tegen een koopsom van € 700.000,--. Op [B] rust een hypothecaire lening van in totaal (op 13 november 2013) € 930.249,--. De koopsom van € 700.000,-- zal op het moment van juridische levering van [B] worden omgezet in een rentedragende lening. Per

1 januari 2016 wordt er partneralimentatie tot en met april 2019 van € 350.000,-- met de lening verrekend. De restschuld van € 350.000,-- zal vanaf het moment dat gedaagde recht krijgt op een pensioenuitkering uit [A] B.V. worden verrekend met de pensioenuitkering. De juridische levering van [B] aan gedaagde zal zo spoedig mogelijk worden geëffectueerd om gedaagde de gelegenheid te geven [B] te verkopen.

De [B] is thans (nog) niet verkocht. Volgens eiser is gedaagde niet in staat de hypothecaire geldlening over te nemen, in die zin dat eiser wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid.

3. A. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - primair in het onderhavige kort geding:

- eiser bij uitsluiting van gedaagde onherroepelijk te machtigen tot het te gelde maken van [B] , op de vrije markt door tussenkomst van een door de man aan te wijzen makelaar tegen een door eiser en de makelaar acceptabel geachte vraagprijs, waarbij eiser gemachtigd zal zijn alles te doen wat noodzakelijk is voor de verkoop van [B] oftewel alle feitelijke en rechtshandelingen te verrichten die nodig zijn voor de verkoop van [B] ;

- eiser aan te wijzen als vertegenwoordiger van gedaagde, in het bijzonder om (mede) namens gedaagde een bod te aanvaarden en al datgene te doen wat nodig is om de verkoop en levering van [B] en de afwikkeling van de daaraan verbonden hypothecaire leningen en de daaraan verbonden kosten, zoals makelaars- en taxatiekosten, te bewerkstelligen;

- gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.

B. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – subsidiair in het onderhavige kort geding gedaagde te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis:

- makelaar [D] te [woonplaats] opdracht te geven tot verkoop van [B] tegen een door deze makelaar redelijk geachte vraagprijs en verkoopprijs en mee te werken aan alle verkoop bevorderende activiteiten, zoals voorgesteld door de makelaar, waaronder het meewerken aan bezichtigingen waarbij uitsluitend de makelaar aanwezig zal zijn;

- medewerking te verlenen aan de verkoop, door onder andere ondertekening van de koopovereenkomst, en levering van [B] tegen een door de makelaar redelijk geacht bod en een door de makelaar redelijke geachte termijn van levering;

- gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.

4. Gedaagde heeft verweer gevoerd.

Gedaagde heeft erop gewezen dat er op 16 april 2014 ter uitvoering van de intentieverklaring een nadere overeenkomst ten overstaan van mevrouw mr. Kreté-Marres is gesloten, die bij brief van 17 april 2014 door mr. Kreté-Marres is bevestigd. In de brief is onder andere bevestigd dat eiser, als natuurlijk persoon en als bestuurder van [A] B.V., de economische eigendom van [B] aan gedaagde heeft toebedeeld en dat eiser gedaagde de bevoegdheid heeft gegeven om [B] , al dan niet in gedeelten, te verkopen voor minimaal € 920.000,--, onder verplichting om bij verkoop de hypothecaire lening af te lossen, danwel zorg te dragen voor ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiser voor het restant van de (hypothecaire) lening. De uitvoering van de overeenkomst van 16 april 2014 is vervolgens onder andere vastgelegd in op 20 juni 2014 door de notaris gelegaliseerde volmacht.

Gedaagde heeft aangevoerd dat de bank niet wil meewerken aan ontslag uit de hoofdelijkheid, hetgeen tot gevolg heeft dat de goederenrechtelijke kant van de toedeling nog steeds niet is geregeld. Volgens gedaagde stelt eiser niet op grond van welke rechtsplicht gedaagde gehouden is [B] te verkopen, zodat de grondslag aan de vordering van eiser ontbreekt en de vordering reeds hierom dient te worden afgewezen. De gedaagde heeft erop gewezen dat, ongeacht het feit dat de bank weigert eiser te ontslaan uit de hoofdelijkheid, gedaagde economisch eigenaar is van de gehele [B] . Voorts heeft gedaagde opgemerkt dat gedaagde de koopprijs van het zakelijk deel van [B] reeds heeft voldaan en dat eiser heeft nagelaten uit te leggen waarom ook het voormalige zakelijke deel van [B] door eiser moet worden verkocht. Gedaagde heeft geconcludeerd dat eiser geen recht heeft op verkoop van [B] . Gedaagde verzoekt eiser te veroordelen in de kosten van de procedure en deze te begroten op een bedrag van € 7.500,--, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De voorzieningenrechter concludeert dat eiser en gedaagde reeds vanaf 2007 aan het procederen zijn over verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dat zij onder andere over de verdeling van [B] diverse afspraken hebben gemaakt, waarvan de uitvoering telkens in een nadere overeenkomst is uitgewerkt. De afspraken in de overeenkomsten wijken echter van elkaar af en de uitvoering van de overeenkomsten heeft telkens slechts gedeeltelijk of helemaal niet plaatsgevonden. De voorzieningenrecht concludeert dat er een onoverzichtelijke brij aan niet of slechts ten dele nagekomen afspraken is ontstaan, op grond waarvan thans niet in een kort geding-procedure kan worden bepaald welke afspraak wel of niet moet worden nagekomen en indien er moet worden nagekomen, onder welke voorwaarden dit moet gebeuren. Daartoe dienen feiten te komen vaststaan, waarin in dit kort geding geen mogelijkheden toe bestaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de complexiteit van het onderwerp van deze procedure, de eenvoudige aard van de kort geding-procedure in het algemeen te buiten gaat. Wel is duidelijk dat er op korte termijn zaken geregeld dienen te worden: partijen lijken beiden niet in staat aan de hypothecaire verplichtingen te voldoen. Deze toestand kan - zonder schade – niet lang voortduren. Dat betekent echter niet dat in dit kort geding vergaande maatregelen kunnen worden getroffen. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde dan ook af.

6. Nu partijen gewezen echtelieden zijn en zij gezamenlijk hebben bijgedragen aan de onoverzichtelijke situatie, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de kosten te compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het gevorderde af;

II. compenseert de kosten van het geding aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op

4 december 2017.