Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4820

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
C/08/202531 / HA ZA 17-259
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 6:24 BW, 3:44 BW, 6:228 BW en 7:17 BW. Beroep op ontbindende voorwaarde, bedrog, dwaling, non-conformiteit ten aanzien van de aankoop van een paard. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/535
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/202531 / HA ZA 17-259

Vonnis van 27 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,

tegen

[Y] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S.A. Wensing te Coevorden.

Partijen zullen hierna [X] en [Y] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juli 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 oktober 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 18 maart 2017 heeft [X] het paard Heavenly Lady (het paard) van [Y] gezien tijdens een hippisch evenement in Berkel-Enschot. [X] liet weten geïnteresseerd te zijn in het paard en verzocht [Y] om het te verkopen.

2.2.

Op 25 maart 2017 heeft [X] het paard bij [Y] bezichtigd en bereden. Later die dag heeft [X] telefonisch aan [Y] laten weten het paard te willen kopen, onder voorwaarde van veterinaire keuring.

2.3.

[Y] heeft geen mededelingen gedaan over het paard voorafgaande aan de koop.

2.4.

Op 31 maart 2017 is het paard bij [Y] röntgenologisch gekeurd door een door [X] gekozen Belgische dierenarts, dr. [A] . Op 1 april 2017 mailt dr. [A] [X] met de resultaten:

Ik geef een gunstig advies voor aankoop. Er zijn enkele opmerkingen maar die mijn inziens tot een klein risico kunnen worden ingeschat met het oog op een verdere carrière. Hieronder vind je de opmerkingen.

(…)

  • -

    (…) enkele oppervlakkige hoornscheurtjes (…)

  • -

    Kleine zwelling op de strekpees rechtsvoor zonder klinisch belang. (…)

  • -

    Strakke rugspieren. (…)

  • -

    Rechts achter licht asymmetrisch op de gluteals in vergelijking met links achter.

  • -

    (…)

  • -

    Ik neem wel 1 onregelmatigheid waar namelijk van het rechter achter been. Linksom op de volte is dit been iets trager in het naar voren brengen. (…)

  • -

    (…)

  • -

    Linker galop is beter als rechter galop.

  • -

    (…)‘

2.5.

Tijdens de aankoopkeuring op 31 maart 2017 is bloed van het paard afgenomen, dat niet meteen is onderzocht.

2.6.

[X] heeft het paard van [Y] gekocht. Op 1 april 2017 heeft [X] de koopsom van € 55.000,- voldaan. Op 2 april 2017 is het paard geleverd. [X] heeft het opgehaald en overgebracht naar haar stallen.

2.7.

Op 9 april 2017 zag [X] afwijkend gedrag van het rechter achterbeen van het paard. [X] heeft dr. [A] op dat moment verzocht het bloedmonster van

31 maart 2017 alsnog te onderzoeken.

2.8.

In het verslag van het bloedonderzoek is vermeld dat ten tijde van de aankoopkeuring ‘local anaesthetics’ in het bloed zijn aangetroffen, meer in het bijzonder de stof ‘lidocaïne’.

2.9.

Lidocaïne is een pijnverdovend middel. Lidocaïne is opgenomen op de zogenaamde ‘Equine Prohibited Substances list’ van de internationale hippische sportfederatie FEI.

2.10.

Op 3 mei 2017 heeft [X] per brief aan [Y] laten weten dat de ontbindende voorwaarde is vervuld, wegens het positief resultaat bij het bloedonderzoek, waardoor de koopovereenkomst is komen te vervallen. Subsidiair en meer subsidiair heeft [X] de koopovereenkomst vernietigd op grond van bedrog dan wel dwaling.

2.11.

Op 3 mei 2017 heeft [X] conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [Y] .

2.12.

Op 9 mei 2017 heeft [Y] per mail aan [X] gevraagd om een afschrift van het (bloed)onderzoeksrapport. Bij brief van 10 mei 2017 verstrekte [X] dit aan [Y] .

2.13.

Op 24 mei 2017 heeft de heer drs. [B] van Sporthorse Medical Diagnostic Centre te Heesch zijn bevindingen van een klinisch, echografisch en röntgenologisch onderzoek van het paard, zoals uitgevoerd op 22 mei 2017, op schrift gesteld. Daarin is onder meer vermeld:

conclusie

Klinisch vertoont het paard op de dag van onderzoek duidlijke symptomen van incoördinatie (symmetrische zwakte, ataxie en proprioceptieproblemen), passend bij problemen gelegen in het caudale halsgebied.

Echografisch en rontgenologisch onderzoek toont aanwezigheid van significante arthrotische veranderingen ter hoogte van facetgewricht C6-C7. Deze laatste bevinding past bij de beschreven klinische symptomen (hypermetrie voorbenen en incoordinatie achterbenen).

(…)

Rontgenologisch beeld

Op de gemaakte rontgenopnamen ten tijde van de keuring (gelabeld [X] Heavenly Lady (…) is sprake van superpositie van het facetgewricht C6-C7 over het foramen intervertebrale.

Terugkijkend is er mijns inziens inderdaad sprake van arthrotische veranderingen ten tijde van de aankoop.

Hierbij wil ik graag opmerken dat met het huidige beeld (klinisch en echografisch onderzoek) de reeds eerder gemaakte rontgenopnamen met een andere invalshoek worden bekeken. Mijn inziens was dit op het moment van de aankoopkeuring niet redelijkerwijs te constateren.’

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[X] vordert – na eiswijziging – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair

  1. veroordeling van [Y] tot betaling van € 55.000,- binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, zijnde restitutie van de door [X] aan [Y] betaalde koopsom, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 mei 2017, althans vanaf 7 dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

  2. [Y] te gebieden binnen veertien dagen na restitutie van de koopsom het paard bij [X] op te halen en weer in bezit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,-, althans een door de rechtbank in goede jusititie te bepalen bedrag, per dag of gedeelte daarvan dat [Y] in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen;

  3. veroordeling van [Y] tot betaling van € 2.605,- + PM als schadevergoeding binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 mei 2017, althans vanaf 7 dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;

subsidiair en meer subsidiair, in aanvulling op de primaire vordering,

4. te verklaren voor recht dat [X] de tussen haar en [Y] tot stand gekomen koopovereenkomst ter zake het paard rechtsgeldig heeft vernietigd, althans de koopovereenkomst te vernietigen;

uiterst subsidiair, in aanvulling op de primaire vordering,

5. te verklaren voor recht dat [X] de tussen haar en [Y] tot stand gekomen koopovereenkomst ter zake het paard rechtsgeldig heeft ontbonden, althans de koopovereenkomst te ontbinden;

primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair

6. [Y] te veroordelen in de proceskosten, waaronder het nasalaris en de beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen volledig zijn voldaan.

3.2.

[X] baseert haar vordering op het volgende. [X] heeft het paard gekocht van [Y] voor € 55.000,- en stelt dat die koopovereenkomst is ontbonden, wegens het intreden van een ontbindende voorwaarde zodra lidocaïne in het bloed werd aangetroffen. [X] stelt vervolgens dat de koopovereenkomst vernietigbaar is, wegens bedrog dan wel dwaling. Het paard heeft problemen aan de achterbenen (ernstige incoördinatie), die verband houden met artrotische veranderingen in de halswervel (facetgewricht C6-C7). [X] stelt dat in opdracht van, of met medeweten van, [Y] het verdovende middel lidocaïne is toegediend aan het paard. Door deze opzettelijke kunstgreep van [Y] is een verkeerde voorstelling van zaken bij [X] ontstaan. De lidocaïne heeft het klinisch beeld ten tijde van de aankoopkeuring beïnvloed. [X] stelt een gegrond vermoeden te hebben dat [Y] op de hoogte was van gebreken. [X] is daarover niet geïnformeerd. [X] verkeerde ten tijde van de aankoop in de veronderstelling dat het paard vrij was van verdovende middelen en van gebreken die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren. [X] had het paard niet gekocht als zij dit wist. [X] stelt daarnaast dat sprake is van non-conformiteit, nu zij op grond van de koopovereenkomst er vanuit mocht gaan dat het paard vrij was van gebreken die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren. De gebreken zijn ontstaan voor verkoop en levering, stelt [X] .

3.3.

[X] stelt bovendien dat sprake is van onrechtmatig handelen van [Y] , waardoor zij schade heeft geleden bestaande uit de kosten van de keuring € 2.305,- en de kosten van verzorging en stalling van € 300,- per maand. [X] stelt dat [Y] in dit opzicht ook ongerechtvaardigd is verrijkt, nu de koopovereenkomst is vernietigd en [Y] geen onderhoudskosten hoefde te maken. [X] stelt voorts dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming, waardoor zij schade lijdt en heeft geleden die [Y] dient te vergoeden. [X] stelt tot slot dat zij recht heeft op schadevergoeding na ontbinding.

3.4.

[Y] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [X] dan wel afwijzing van de vorderingen in conventie, met veroordeling van [X] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten. [Y] betwist dat een ontbindende voorwaarde is overeengekomen. [Y] betwist ook dat sprake is van bedrog, dwaling of non-conformiteit. [Y] betwist dat er lidocaïne in het bloed van het paard zat en hij betwist in dat kader ook dat hij lidocaïne heeft toegediend of heeft laten toedienen. De juistheid van de resultaten van het bloedonderzoek stelt [Y] ter discussie. [Y] betwist voorts dat sprake is van incoördinatie van de achterbenen van het paard, daar weet hij niets van. [Y] betwist dat hij informatie heeft achtergehouden, die van belang zou zijn

voor de beslissing van [X] om de koopovereenkomst wel of niet aan te gaan. [Y] betwist vervolgens dat er sprake zou zijn van non-conformiteit, omdat [X] geleverd

heeft gekregen wat zij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. [Y] wist niet waar [X] het paard voor wilde gebruiken en hij heeft geen garantie verstrekt. Als al sprake zou zijn van gebreken, betwist [Y] dat deze al ten tijde van de aflevering aanwezig waren. Van onrechtmatig handelen zou geen sprake zijn, nu er geen belangrijke informatie is verzwegen en [X] niet op het verkeerde been is gezet bij aankoop. [Y] betwist voorts dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Ten aanzien van de gestelde toerekenbare tekortkoming betwist [Y] dat sprake is van enige tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, en nu van ontbinding geen sprake kan zijn is er evenmin reden voor schadevergoeding na ontbinding.

3.5.

[Y] voert vervolgens aan dat sprake is van een risico overgang na levering (op 2 april 2017) van het paard op grond van artikel 7:10 BW. [Y] wijst er op dat [X] een op hem rustende schadebeperkingsplicht heeft geschonden, nu hij het paard niet nader heeft laten onderzoeken terwijl uit de aankoopkeuring bleek dat het paard behept was met een aantal bemerkingen. Het bloedmonster is pas achteraf getest, om de kosten te beperken. Als die uitslag belangrijk was voor [X] , had het onderzoek eerder moeten plaatsvinden. [Y] voert tot slot aan dat [X] geen enkele vraag heeft gesteld over de gezondheidstoestand van het paard en of het medicijnen toegediend zou hebben gekregen.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.7.

[Y] vordert, bij vonnis en voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het op 3 mei 2017 gelegde conservatoir derdenbeslag op te heffen, met veroordeling van [X] in de proceskosten.

3.8.

[Y] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [Y] stelt dat het beslag moet worden opgeheven omdat (summierlijk is gebleken van) de ondeugdelijkheid van het door [X] als beslaglegger ingeroepen recht.

3.9.

[X] voert verweer. [X] voert aan dat de vordering tot opheffing van het beslag prematuur en overbodig is. Er worden nodeloze kosten voor het voeren van verweer veroorzaakt en de gevorderde veroordeling van [X] in de proceskosten dient te worden afgewezen.

3.10.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kern van het geschil is de vraag of het door [Y] aan [X] verkochte paard gebreken vertoont, op grond waarvan [X] de koop kan vernietigen of ontbinden en schadevergoeding kan vorderen.

Ontbindende voorwaarde

4.2.

[X] stelt primair dat afname en onderzoek van het bloed van het paard, alsmede het onderzoeksresultaat, een ontbindende voorwaarde betrof. De ontbindende voorwaarde zou zijn ingetreden toen na koop en levering uit het bloedonderzoek volgde dat lidocaïne is aangetroffen in het bloed van het paard. [Y] betwist dat partijen een ontbindende voorwaarde zijn overeengekomen.

4.3.

[X] is niet consistent in haar stellingname op dit punt en haar stellingen worden onvoldoende onderbouwd gelet op de betwisting van [Y] . In de dagvaarding is verwoord dat [X] het paard wilde kopen onder voorwaarde van een veterinaire keuring. Eerst bij een gunstige uitkomst daarvan zou [X] overgaan tot aankoop van het paard. Ter zitting bevestigde [X] dat zij het paard onvoorwaardelijk zou kopen bij een gunstig advies. Naar aanleiding van het gunstige aankoopadvies van dr. [A] op

1 april 2017 heeft [X] vervolgens besloten over te gaan tot aankoop van het paard. Daarmee werd de koop naar het oordeel van de rechtbank onvoorwaardelijk. Van ontbinding ex artikel 6:24 Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder deze omstandigheden geen sprake zijn.

Bedrog

4.4.

Aan het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst legt [X] onder meer bedrog ten grondslag.

4.5.

Beoordeeld dient te worden of de koopovereenkomst op grond van bedrog is vernietigd, of althans dient te worden vernietigd. De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op bedrog ex artikel 3:44 BW vast dient komen te staan dat [Y] door het opzettelijk verzwijgen van een feit dat hij verplicht was mede te delen of door een andere kunstgreep, [X] tot het aangaan van de koopovereenkomst heeft bewogen.

4.6.

Er kan pas sprake zijn van bedrog als [X] willens en wetens door [Y] om de tuin is geleid, ze moet opzettelijk zijn misleid. [Y] moet de bedoeling hebben gehad om [X] tot het verrichten van de handeling te bewegen.

4.7.

[X] stelt dat [Y] een feit heeft verzwegen dat hij verplicht was mede te delen, nu [X] niet is geïnformeerd over de toediening van lidocaïne en over de aanwezigheid van enig gebrek aan de achterbenen van het paard (incoördinatie verband houdend met artrotische veranderingen in de halswervel). [X] stelt niet dat sprake was van een opzettelijke verzwijging, hetgeen wel vereist is om bedrog te kunnen aannemen. [X] stelt voorts dat sprake is van een opzettelijke kunstgreep, doordat in opdracht van of met medeweten van [Y] als (verantwoordelijke en) eigenaar van het paard het middel lidocaïne moet zijn toegediend. Daardoor zou een verkeerde voorstelling van zaken zijn ontstaan. [X] stelt in dat kader dat lidocaïne wordt gebruikt voor het verdoven van benen ten tijde van een kreupelheidsonderzoek en in geval het paard kampt met bovenlijn problematiek (hals/rugaandoeningen) teneinde spierverkramping ten gevolge van pijn weg te nemen. [X] stelt gegrond te vermoeden dat [Y] op de hoogte was van de gebreken aan het achterbeen, gelet op de aangetroffen lidocaïne.

4.8.

[Y] betwist het gebrek aan de achterbenen van het paard en de aanwezigheid van lidocaïne in het bloed. [Y] stelt dat hij dit middel niet heeft toegediend of heeft laten toedienen aan het paard. Hij kende het middel niet en stelt geen trucs te hebben uitgehaald. [Y] stelt dat het ook niet logisch zou zijn om lidocaïne te

gebruiken als hij enig gebrek wilde maskeren, omdat tijdens de aankoopkeuring afwijkingen aan het rechter achterbeen zijn aangetroffen.

4.9.

Het alternatieve scenario dat [Y] naar voren brengt, inhoudende dat het verdovende middel gebruikt kan zijn ter bescherming van de kostbare röntgenapparatuur die gebruikt is bij de aankoopkeuring, is door de betrokken dierenarts weersproken (hij gebruikt geen lidocaïne).

4.10.

[X] heeft haar stellingen ten aanzien van het voor bedrog vereiste opzet onvoldoende onderbouwd gelet op de gemotiveerde betwisting door [Y] . Niet is komen vast te staan dat sprake was van een kunstgreep, noch dat [Y] daarmee de bedoeling heeft gehad [X] tot het kopen van het paard te bewegen. In dit verband houdt de rechtbank er rekening mee dat het paard niet te koop stond, toen [X] [Y] benaderde. [Y] had niet de wens of behoefte het paard te verkopen. Vaststaat dat [Y] ook op geen enkele wijze heeft aangedrongen op aankoop van het paard door [X] . De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst op grond van bedrog af.

Dwaling

4.11.

Aan het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst legt [X] tevens dwaling ten grondslag.

4.12.

Op grond van artikel 6:228, eerste lid, BW kan een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar zijn. Hiertoe is vereist – voor zover hier van belang – dat de wederpartij de dwalende had behoren in te lichten, in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten.

4.13.

Aan het beroep op dwaling legt [X] ten grondslag dat sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken, nu zij de koopovereenkomst is aangegaan in de veronderstelling dat het paard vrij was van verdovende middelen en van gebreken die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren. In strijd daarmee is lidocaïne aangetroffen in het bloed en incoördinatie van de achterbenen van het paard geconstateerd. [X] stelt dat [Y] haar niet heeft geïnformeerd over de problemen bij (de achterbenen van) het paard noch over het middel lidocaïne. Door het achterhouden van die informatie is [X] een verkeerde voorstelling van zaken gegeven door [Y] . [X] stelt het paard niet te hebben gekocht als dit bekend was. [Y] betwist (onder meer) dat hij informatie heeft verzwegen, hij stelt niets te weten over lidocaïne of incoördinatie van de achterbenen van het paard.

4.14.

Het antwoord op de vraag of [Y] [X] had behoren in te lichten in verband met hetgeen hij ten aanzien van de dwaling van [X] wist of behoorde te weten, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het aannemen van een zodanige spreekplicht vereist op grond van de parlementaire geschiedenis in beginsel (onder meer) dat [Y] de juiste stand van zaken kende. Oftewel, [Y] moest op de hoogte zijn van de eventuele aanwezigheid van lidocaïne in het bloed van het paard en/of incoördinatie aan de achterbenen van het paard. Er kan bezwaarlijk een gehoudenheid tot het verschaffen van inlichtingen worden aangenomen ten aanzien van omstandigheden waarvan [Y] niet op de hoogte was.

4.15.

Reeds op grond van het voorgaande wijst de rechtbank de vordering van [X] tot vernietiging van de koopovereenkomst wegens dwaling af. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [Y] , heeft [X] onvoldoende onderbouwd dat [Y] wetenschap had van de lidocaïne en/of incoördinatie en dat op [Y] aldus een spreekplicht rustte. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht ten aanzien van de dwaling, behoeft – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen bespreking en beoordeling meer.

Vernietiging buiten rechte

4.16.

Gelet op het voorgaande heeft de vernietiging van de koopovereenkomst buiten rechte, bij brief van [X] van 3 mei 2017, geen doel getroffen. Er bestaat op grond daarvan aldus geen verplichting voor [Y] om het paard terug te nemen en de koopsom terug te betalen.

Non-conformiteit

4.17.

[X] beroept zich vervolgens op non-conformiteit en een daarop gebaseerde ontbinding van de koopovereenkomst.

4.18.

Ingevolge artikel 7:17 BW beantwoordt een zaak niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Hiervoor is niet bepalend of [Y] kennis had van enig gebrek, ook zogenaamde verborgen gebreken kunnen non-conformiteit met zich brengen, mits ze aanwezig waren ten tijde van de levering.

4.19.

Eerst dient te worden beoordeeld wat [X] als koper mocht verwachten van het paard. [X] stelt in dat kader dat zij er op grond van de koopovereenkomst vanuit mocht gaan dat het paard vrij was van gebreken die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren. [Y] betwist dit en stelt dat [X] op grond van de overeenkomst niets mocht verwachten.

4.20.

Op grond van artikel 7:17 lid 2, tweede zin, BW, mag [X] als koper verwachten dat het paard de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.

4.21.

De rechtbank overweegt dat het door [X] gestelde beoogde gebruik van het paard voor de dressuursport, moet worden gezien als een bijzonder gebruik van het paard. [X] mag de eigenschappen verwachten die voor dat bijzonder gebruik nodig zijn, mits dat bij de overeenkomst is voorzien. Partijen moeten het gebruik voor de dressuursport aldus impliciet of expliciet overeengekomen zijn. [X] stelt dat hij voor aankoop kenbaar maakte dat hij als professioneel dressuur ruiter het paard wilde trainen en uitbrengen. [Y] betwist dat kenbaar was dat [X] het paard voor de dressuur wenste te gebruiken. Over het doel van de aankoop zou [X] niets hebben verteld, het paard zou bijvoorbeeld ook ingezet kunnen worden in de fokkerij.

4.22.

Op grond van het voorgaande draagt de rechtbank [X] op te bewijzen dat partijen het gebruik van het paard voor de dressuursport overeengekomen zijn, opdat de rechtbank in staat wordt gesteld te beoordelen wat [Y] wist of had behoren te weten omtrent het gebruik waarvoor het paard bestemd was en de bedoeling van [X] .

4.23.

Indien en voor zover vervolgens komt vast te staan dat het bijzonder gebruik in de dressuursport bij de overeenkomst is voorzien, mocht [X] verwachten dat het paard vrij was van gebreken die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren. Het ontbreken van een garantie, zoals [Y] stelt, maakt dat niet anders.

Kenbaarheid

4.24.

[Y] voert nog aan dat uit de aankoopkeuring al bemerkingen bleken ten aanzien van het rechter achterbeen van het paard. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus, dat een beroep wordt gedaan op artikel 7:17 lid 5 BW. Indien een koper wist of had moeten weten ten tijde van het sluiten van de koop dat de zaak een bepaalde eigenschap mist, kan hij zich niet op non-conformiteit beroepen. Het is aan [Y] om feiten en omstandigheden te stellen die kunnen leiden tot de conclusie dat de incoördinatie van de achterbenen (en de artrotische veranderingen van de halswervel) kenbaar was c.q. waren voor [X] . [Y] wijst in dat kader onder meer op de asymmetrische afwijking aan het rechter achterbeen, een betere linker galop dan rechter en een onregelmatigheid van het rechter achterbeen, die bij de aankoopkeuring zijn geconstateerd. Nu [X] nader onderzoek van het paard en het bloedmonster vervolgens heeft nagelaten, voert [Y] aan dat [X] geen beroep op non-conformiteit toekomt.

4.25.

Vast staat dat [X] een onderzoek naar het paard heeft ingesteld voorafgaand aan de koop, door een aankoopkeuring te laten uitvoeren door een dierenarts. Nader onderzoek is slechts aangewezen als zich bijzondere omstandigheden voordeden die [X] daartoe hadden moeten aanzetten. [Y] stelt dat de bemerkingen uit de aankoopkeuring voldoende aanleiding gaven. [X] heeft dit gemotiveerd betwist. De betreffende keuring leidde tot een positief aankoopadvies. De betrokken dierenarts heeft ter zitting voorts verklaard dat de thans aanwezige incoördinatie van de achterbenen van het paard ter keuring niet zichtbaar was. De geconstateerde bemerkingen, waaronder asymmetrie rechts achter, is volgens hem niet hetzelfde als incoördinatie. De dierenarts zag een kleine onregelmatigheid, een lichte vertraging in het naar voren brengen van het been. Dit betrof geen kreupelheid en incoördinatie was voor hem stellig aanleiding geweest voor afkeuring van het paard. De dierenarts verklaarde bovendien dat voor een jong paard een vrij uitgebreide klinische aankoopkeuring is verricht. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [X] aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan, en dat de eventueel aanwezige incoördinatie van de achterbenen van het paard voor hem niet kenbaar was. [X] wist niet dat het paard gebreken vertoonde die het functioneren in de dressuursport kunnen belemmeren en hij hoefde dat ook niet te weten.

Incoördinatie achterbenen

4.26.

[X] stelt dat sprake is van een gebrek aan de achterbenen van het paard. Het paard houdt één of beide achterbenen gestrekt tijdens het bewegen en heeft moeite om deze benen correct te plaatsen. [Y] betwist dat sprake is van een gebrek, hij weet niets van de door [X] gestelde problematiek bij de halswervels die daarmee verband zou houden en heeft nooit incoördinatie van de achterbenen gezien. Uit de door [X] overgelegde verklaring van [B] leidt de rechtbank af dat op 22 mei 2017 sprake was van een gebrek, bestaande uit incoördinatie van de achterbenen. Bepalend is of dit gebrek al bestond ten tijde van de levering.

4.27.

Ter zitting lichtte de dierenarts die de aankoopkeuring verrichtte de samenhang tussen de incoördinatie van de achterbenen en de artrotische veranderingen in de halswervels (facetgewricht C6-C7) van het paard toe. De beweging in de halswervels ten

opzichte van elkaar, verstoort signalen naar de achterbenen. De heer [B] vermeldt in zijn rapportage dat er zijns inziens sprake was van artrotische veranderingen ten tijde van de

aankoop. De heer [A] verklaarde ter zitting desgevraagd echter dat het niet goed mogelijk is een ontstaansmoment vast te stellen voor de incoördinatie van de achterbenen en de artrotische veranderingen in de halswervels. [X] stelde evenwel dat de onmogelijkheid om een exact ontstaansmoment vast te stellen, niet met zich brengt dat in het geheel geen antedatering kan plaatsvinden tot vóór het moment van levering.

4.28.

Op grond van het voorgaande overweegt de rechtbank dat [X] , indien en voor zover zij slaagt in het opgedragen bewijs als bedoeld in 4.22, alsdan in de gelegenheid zal worden gesteld door de rechtbank te bewijzen dat het gebrek aan de achterbenen van het paard, bestaande uit incoördinatie voortvloeiend uit artrotische veranderingen van de halswervels, is ontstaan voor of tijdens de levering van het paard.

Overige

4.29.

De overige stellingen van partijen, onder meer ten aanzien van de door [X] gevorderde schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking of toerekenbare tekortkoming, kunnen gelet op het voorgaande thans onbesproken blijven.

in reconventie

4.30.

Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en in reconventie, houdt de rechtbank elke beslissing in reconventie aan in afwachting van de resultaten van de bewijsopdracht in conventie.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

draagt [X] op te bewijzen dat het bijzondere gebruik van het paard voor de dressuursport bij de koopovereenkomst tussen partijen is voorzien,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 januari 2018 voor uitlating door [X] of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat [X] , indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat [X] indien zij getuigen wil laten horen, de namen van de te horen
getuigen moet opgeven, alsmede de verhinderdagen van partijen en hun gemachtigden in de

maanden januari tot en met maart, waarna datum en tijdstip van het getuigenverhoor zal worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. D.L. Westendorp in het gerechtsgebouw te Almelo aan Egbert Gorterstraat 5,

5.6.

indien [X] getuigen wenst te horen, wordt er op gewezen dat er bij het oproepen van de getuigen rekening mee moet worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 45 minuten duurt,

5.7.

de namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven,

5.8.

bepaalt dat partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle

beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.9.

houdt elke verdere beslissing aan.

in reconventie

5.10.

houdt elke beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Westendorp en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2017.