Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4815

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
17-01-2018
Zaaknummer
C/08/211157 / KG ZA 17-401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/211157 / KG ZA 17-401

Vonnis in kort geding van 21 december 2017

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. D.P. Kant te Goor,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.L. Geeraths te Haaksbergen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties 1 tot en met 3 van [gedaagde]

  • -

    een tweetal producties van [eiseres] en een ter zitting overgelegd screenshot

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en de heer [X] hebben een affectieve relatie gehad, die in januari 2017 is beëindigd. [X] heeft bij deze rechtbank het verzoek ingediend om het geregistreerd partnerschap tussen hem en [eiseres] te beëindigen.

2.2.

[X] is alleen en zelfstandig aandeelhouder van [A] te [vestigingsplaats] . Deze besloten vennootschap heeft alle aandelen in [gedaagde] en zij is alleen en zelfstandig bevoegd bestuurder van deze besloten vennootschap.

2.3.

Krachtens een tussen [eiseres] en [X] namens [gedaagde] gemaakte afspraak heeft [eiseres] als geldverstrekker in de periode van april 2009 tot en met oktober 2013 aan [gedaagde] als geldlener periodiek bedragen geleend. Daarbij is afgesproken dat over het door [eiseres] aan [gedaagde] geleende bedrag [gedaagde] een rente zal betalen van 3%.

2.4.

Ultimo december 2015 beliep het door [eiseres] aan [gedaagde] geleende bedrag € 33.434,-.

2.5.

Bij brief van 31 januari 2017 is namens [eiseres] aanspraak gemaakt op terugbetaling van het geleende bedrag.

2.6.

Bij brief van 6 februari 2017 is namens [gedaagde] meegedeeld dat haar accountant de opdracht heeft gekregen om contact op te nemen met de bank om het geleende bedrag en de daarover verschuldigde rente ineens te kunnen voldoen, met inachtneming van een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop [eiseres] en [X] de overeenkomst hadden gesloten waarbij alle afspraken in het kader van de beëindiging van het geregistreerde partnerschap waren vastgesteld.

2.7.

Betaling van het geleende bedrag bleef uit ook nadat daarop bij brief van

14 maart 2017 namens [eiseres] werd aangedrongen.

2.8.

Bij brief van 3 april 2017 is namens [X] en [gedaagde] meegedeeld dat het geleende geld in delen zou worden terugbetaald spoedig nadat [eiseres] en [X] ook ten aanzien van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap de door hen te maken afspraken hebben vastgelegd.

2.9.

Op 29 augustus 2017 is [eiseres] namens [gedaagde] meegedeeld dat de cijfers voor de financieringsaanvraag gereed waren en in week 35 van 2017 zouden worden ingediend bij de bank.

2.10.

In het bij deze rechtbank ingediende verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen [X] en [eiseres] heeft [X] erkend dat [gedaagde] aan [eiseres] in ieder geval het door [eiseres] gestelde bedrag van € 33.434,- verschuldigd is.

2.11.

Bij brief van 30 oktober 2017 is [gedaagde] namens [eiseres] gesommeerd over te gaan tot betaling van het bedrag van € 33.434,-, te vermeerderen met de overeengekomen rente en de buitengerechtelijke kosten.

2.12.

Bij brief van 9 november 2017 is namens [gedaagde] meegedeeld dat de vordering van [eiseres] niet is voldaan omdat de vennootschap daartoe niet in staat is.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 33.434,-, te vermeerderen met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres] stelt dat zij na de beëindiging van haar relatie met [X] , als alleenstaande moeder wordt geconfronteerd met hoge kosten. Daarom heeft zij naar haar zeggen een spoedeisend belang bij terugbetaling op korte termijn van het door haar aan [gedaagde] geleende geld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] het spoedeisende karakter onvoldoende betwist door te stellen dat [X] alimentatie voor de kinderen betaalt, dat de vrouw vermogen heeft en werkt en dat de B.V. de inrichtingskosten voor de woning van [eiseres] voor haar rekening heeft genomen, reeds omdat deze stellingen niet (concreet) zijn onderbouwd.

4.2.

De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling -bij afweging van de belangen van partijen- aan toewijzing niet in weg staat (o.a. HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602). Met inachtneming hiervan wordt als volgt overwogen.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] aan [gedaagde] een bedrag heeft geleend waarvan thans nog € 33.434,- uitstaat en waarover vanaf

1 januari 2016 jaarlijks 3% contractuele rente is verschuldigd. Evenmin is tussen partijen in geschil dat € 1.500,- is afgelost, nu mr. Kant heeft bevestigd dat dit bedrag op

13 december 2017 op de rekening van [eiseres] is bijgeschreven. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of (het restant van) de lening opeisbaar is. [eiseres] is van mening dat zij aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van het geleende bedrag inclusief de daarover verschuldigde rente en dat dit door [gedaagde] is erkend, zodat het geleende bedrag opeisbaar is. [gedaagde] stelt dat de lening niet volledig opeisbaar is, omdat partijen bij het aangaan van de lening geen afspraken hebben gemaakt over de aflossing, waardoor aflossing in onderling overleg en via een aflossingsschema dient plaats te vinden. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [gedaagde] naar jurisprudentie van onder meer het hof Arnhem-Leeuwarden, van 8 maart 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1826, waarin aan de orde was wanneer een vordering uit overeenkomst van verbruikleen opeisbaar is als geen termijn van terugbetaling is bepaald.

4.4.

Een overeenkomst van geldlening, zoals die tussen partijen gesloten is, is een overeenkomst van verbruikleen waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt om aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de andere partij zich verbindt om een gelijke som geld terug te verstrekken. De hoofdverplichtingen van de lener van geld is om aan de uitlener evenveel geld terug te geven (artikel 7A:1791 e.v. BW, welke artikelen ingevolge artikel 200 Overgangswet NBW op de tussen partijen gesloten overeenkomst van toepassing zijn).

4.5.

[gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat geen afspraken zijn gemaakt over het moment van terugbetalen van het geleende bedrag. Artikel 6:38 BW bepaalt dat als geen tijd voor nakoming is bepaald, de verbintenis terstond kan worden nagekomen en terstond nakoming kan worden gevorderd. De redelijkheid en billijkheid dient daarbij in acht te worden genomen, zodat aan de schuldenaar zoveel tijd moet worden gelaten als hij redelijkerwijs voor het verrichten van de prestatie nodig heeft. Ten aanzien van de overeenkomst van verbruikleen geldt in het bijzonder dat naar gelang van de omstandigheden de rechter uitstel kan geven en bij vonnis een termijn voor teruggave kan bepalen (artikel 7A:1797 BW). Zowel ten aanzien van het uitstel als de duur daarvan is de rechter vrij.

4.6.

De rechtbank acht omstandigheden aanwezig om uitstel te geven voor een deel van de betaling van het bedrag van € 33.434,- en overweegt daartoe als volgt.

Nu vaststaat dat inmiddels € 1.500,- op de lening is afgelost, resteert een bedrag van

€ 31.934,- dat [gedaagde] uit hoofde van de geldlening aan [eiseres] dient terug te betalen. [gedaagde] stelt echter ook een vordering op [eiseres] te hebben ter grootte van € 3.882,05 uit hoofde van facturen (productie 3 van [gedaagde] ) die samenhangen met de inrichting van de woning van [eiseres] na het verbreken van de relatie. Hoewel de voorzieningenrechter zich thans niet uitlaat over de gegrondheid van die vordering, aangezien dat in een bodemprocedure beoordeeld zal dienen te worden, zal de voorzieningenrechter in het kader van het onderhavige kort geding toch rekening houden met deze vordering en deze voorlopig in mindering brengen op hetgeen [gedaagde] aan [eiseres] als vaststaand verschuldigd is. Zo wordt voorkomen dat wellicht voor een te hoog bedrag een executoriale titel wordt verstrekt. De voorzieningenrechter gaat er derhalve in het kader van dit kort geding van uit dat [gedaagde] aan [eiseres] uit hoofde van geldlening in ieder geval nog is verschuldigd een bedrag van € 28.051,95. Overige bedragen die [eiseres] privé dan wel met haar eenmanszaak nog van [X] dan wel [gedaagde] te vorderen heeft, zullen in het kader van dit kort geding buiten beschouwing blijven en dienen (ook) in een bodemzaak aan de orde gesteld te worden.

4.7.

Hoewel [gedaagde] weliswaar heeft gesteld dat zij de vordering uit hoofde van de geldlening niet ineens kan voldoen, heeft zij dit niet (voldoende) inzichtelijk gemaakt. De voorzieningenrechter acht het echter wel aannemelijk dat het betalen van een bedrag van € 28.051,95 ineens, van invloed is op de bedrijfsvoering. Nu [eiseres] anderzijds heeft gesteld dat zij het uitgeleende bedrag nodig heeft, omdat zij na het verbreken van de relatie met [X] hoger(e) kosten heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat [gedaagde] het verschuldigde met ingang van 1 januari 2018 aan [eiseres] zal aflossen in vijf maandelijkse termijnen van € 5.000,- en een zesde termijn van € 3.051,95, dit alles exclusief de verschuldigde rente.

4.8.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Mede in het licht van de stelling van [gedaagde] dat geen buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, omdat partijen niet in het kader van de afhandeling van de onderhavige zaak, maar in het kader van de beëindiging van het geregistreerd partnerschap tussen [X] en [eiseres] met elkaar hebben gecorrespondeerd, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat werkzaamheden zijn verricht die meer omvatten dan de verrichtingen waarvoor in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.9.

Hoewel [X] niet in persoon partij is bij dit geschil, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de zakelijke lening van [eiseres] aan [gedaagde]

niet zou hebben plaatsgevonden zonder het bestaan van de (inmiddels beëindigde) affectieve relatie tussen [X] en [eiseres] , aanleiding om vanwege deze relatie de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van in hoofdsom € 28.051,95 (achtentwintigduizendéénenvijftig euro en vijfennegentig eurocent), te vermeerderen met de contractuele rente van 3% per jaar over dat bedrag met ingang van 1 januari 2016 tot de dag van volledige betaling, waarbij de hoofdsom met ingang van 1 januari 2018 betaald dient te worden in vijf maandelijkse termijnen van € 5.000,- en een zesde termijn van € 3.051,95 exclusief rente, zoals verwoord onder Overweging 4.7 van dit vonnis.

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde,

5.4.

compenseert de kosten van het geding aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.1

1 type: coll: