Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4808

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
01-12-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
C/08/207370 / FA RK 17-2220
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging van het gezag van de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/207370 / FA RK 17-2220

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 1 december 2017

inzake

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Almelo,

verzoeker,

hierna ook de raad te noemen,

met betrekking tot de minderjarige

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2007] ,

hierna: [minderjarige] .

Belanghebbende is:

[belanghebbende 1] ,

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. W.N. Sardjoe, te ’s-Gravenhage.

Belanghebbenden zijn voorts:

[belanghebbende 2] en haar echtgenoot [belanghebbende 3],
verder te noemen: moeder en stiefvader.

Als overige belanghebbende wordt aangemerkt:

 de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Enschede, hierna ook: de GI.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende bescheiden:

  1. het verzoek van de raad met de daarbij behorende bijlagen, ontvangen op
    11 september 2017;

  2. de brief met bijlagen van mr. Sardjoe, ontvangen op 2 november 2017.

1.2.

De mondelinge behandeling van de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden ter zitting met gesloten deuren op 3 november 2017, gelijktijdig met het verzoek van vader tot vaststelling van een zorg- en contactregeling (zaaknummer C/08/207883/ FA RK 17-2334), waarover bij afzonderlijke beschikking wordt beslist.

1.3.

Ter zitting zijn verschenen en gehoord:

 mevrouw J. Slot namens de raad;

 vader, bijgestaan door mr. Sardjoe;

 moeder en stiefvader;

 mevrouw G. Nieuwenhuis en de heer P. Ordelmans namens de GI.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2.

Bij beschikking van deze rechtbank, locatie Zwolle, van 1 februari 2016 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken tot 3 februari 2017.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 januari 2017 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 3 februari 2018.

2.4.

[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij moeder en stiefvader.

3 Het verzoek

De raad verzoekt de rechtbank het ouderlijk gezag van vader over [minderjarige] te beëindigen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 Het verweer

4.1.

Ter zitting heeft mr. Sardjoe namens vader verweer gevoerd en in aanvulling daarop heeft vader het woord gevoerd. Het verweer is als volgt samen te vatten. Vader betwist grotendeels de in het rapport van de raad vermelde omstandigheden en heeft hierover een andere lezing. Hij heeft al ruim een jaar geen contact met [minderjarige] gehad. Er worden hem telkens door de GI beloftes gedaan over het opstarten van de contacten, maar die beloftes worden niet nagekomen. Emotioneel heeft hij het daar heel moeilijk mee en hij ervaart dat als verdriet, pijn en gemis. Vader voelt zich niet gehoord door moeder en de GI. Vader vreest dat bij gezagsbeëindiging het contact helemaal op een laag pitje wordt gezet, terwijl uit het raadsrapport blijkt dat [minderjarige] vader mist. Vader is bereid om aan alles mee te werken en zijn toestemming voor bijvoorbeeld vakanties en artsenbezoek te verlenen als dat in het belang van [minderjarige] is.

5 De standpunten

5.1.

Alle betrokkenen hebben hun visie ter zitting toegelicht. Die toelichting is neergelegd in het van die zitting opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. De standpunten van de betrokkenen worden daarom, behoudens voor zover relevant, niet nader in deze beschikking vermeld.

6 De beoordeling

6.1.

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien - voor zover hier van belang – a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

6.2.

Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de raad behoort te worden toegewezen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voldoende is toegelicht dat het intimiderende en eisende gedrag van vader richting moeder en haar nieuwe gezin en de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling invloed heeft op het welzijn van [minderjarige] . [minderjarige] is daarmee al dan niet bewust door vader belast. Vader ervaart als gevolg van de scheiding van moeder forse persoonlijke problematiek en omgangsproblematiek rondom [minderjarige] en gebleken is dat het voor vader nagenoeg onmogelijk is om op zijn eigen handelen te reflecteren. In de beleving van vader zijn moeder en stiefvader schuldig aan het ontbrekende contact. Vader heeft ter zitting weliswaar toegezegd dat hij zal meewerken als er beslissingen voor [minderjarige] genomen moeten worden, maar gebleken is ook dat vader het belang van [minderjarige] vereenzelvigt met zijn eigen belang. Het gevolg daarvan is onder meer geweest dat een medische behandeling voor [minderjarige] erg lang op zich heeft moeten laten wachten. Pogingen van de GI om tijdens het raadsonderzoek tot een contactregeling te komen zijn door het handelen van vader niet van de grond gekomen. Vader heeft met zijn handelen enkel bereikt dat [minderjarige] angst voor hem heeft gekregen. Uit het rapport blijkt dat vader als oplossing voor [minderjarige] ’s ontwikkeling voor ogen heeft dat [minderjarige] bij hem komt wonen of dat moeder met [minderjarige] op fietsafstand van zijn verblijfplaats in [woonplaats] komt wonen. Daarmee houdt vader als gezaghebbende ouder onzekerheid bij [minderjarige] en moeder in stand en onzekerheid is zeker niet in het belang van [minderjarige] . Dat vader toch bereid is om hulpverlening te accepteren en toezegt om mee te werken als zijn handtekening of instemming vereist is voor [minderjarige] , wordt eerst op de zitting tot gezagsbeëindiging door vader naar voren gebracht. Duidelijk is geworden dat gezamenlijk ouderlijk gezag niet op een constructieve manier mogelijk is en onder deze omstandigheden niet in het belang van [minderjarige] is.

6.3.

Gelet op alle hiervoor geschetste omstandigheden en de gesignaleerde onmacht bij vader komt de rechtbank tot de conclusie dat toewijzing van het verzoek van de raad in het belang van [minderjarige] te achten is. Dat betekent dat moeder in het vervolg alleen het gezag over [minderjarige] zal uitoefenen.

6.4.

Ter zitting is besproken dat het ouderlijk gezag van moeder ingeperkt blijft door de ondertoezichtstelling. De rechtbank acht het van groot belang voor [minderjarige] dat door de GI blijvend wordt ingezet op het vinden van mogelijkheden om te komen tot contactherstel tussen vader en zoon. Vader is en blijft immers de vader van [minderjarige] en moeder en stiefvader hebben ter zitting toegezegd dat zij contact tussen vader en [minderjarige] belangrijk vinden voor [minderjarige] en dat zullen bevorderen zodra dat kan.

7 De beslissing

De rechtbank:

7.1.

beëindigt het gezag van [belanghebbende 1], geboren te [geboorteplaats 2]
op [1959] , over het minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [2007] .

7.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

7.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A. Flos, mr. C. Verdoold en mr. I. Sumner, allen kinderrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 1 december 2017 in tegenwoordigheid van H.E. Abbink, griffier.