Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4730

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
22-12-2017
Zaaknummer
AK_17_1543
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet naar vermogen getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in gemeente Zwolle, alvorens zij naar deze gemeente verhuisde; verlaging met 33,33% per maand voor periode van drie maanden; ernst overtreding niet zodanig dat verlaging van uitkering met 100% nog proportioneel is; rechtbank bepaalt maatregel op verlaging voor één maand met 33,33%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBJ-Pw/15/004 met annotatie van mr. Carin Lennertz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1543

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] eiseres,

gemachtigde: mr. S. Maachi,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. van Haeften.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bijstandsuitkering toegekend met ingang van 11 november 2016. Daarbij heeft verweerder de bijstandsuitkering verlaagd met 33,33% per maand voor een periode van drie maanden.

Bij besluit van 7 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is van Kampen verhuisd naar Zwolle.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente Zwolle, alvorens zij naar deze gemeente verhuisde.

3.1

Eiseres voert aan dat artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet (Pw) niet de verplichting inhoudt om naar arbeid in de gemeente Zwolle te zoeken.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tekst van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder c, Pw volgt dat een betrokkene verplicht is om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in een andere gemeente dan waar zij woont, alvorens betrokkene naar die andere gemeente verhuist. Eiseres was dus verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente Zwolle, alvorens hiernaartoe te verhuizen. De beroepsgrond faalt.

4.1

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat de maatregel een bestraffende sanctie is. Ze stelt ook dat zij naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente Zwolle; het is aan verweerder om het tegendeel aannemelijk te maken.

4.2

Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) leidt de rechtbank af dat van een bestraffende sanctie sprake is, indien de maatregel leed toevoegend is en er een afschrikwekkende werking vanuit gaat. Wanneer sprake is van een bestraffende sanctie, is artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) van toepassing (EHRM 21 februari 1984, zaaknummer 8544/79 (Özturk tegen Duitsland)). De onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM brengt in dat geval met zich mee dat verweerder feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet bewijzen dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de maatregel is voldaan.

De maatregel die door verweerder is opgelegd is blijkens artikel 18 Pw onomkeerbaar. De zogenoemde ‘inkeerregeling’ van artikel 18, elfde lid, Pw kan ten aanzien van de onderhavige overtreding niet worden toegepast, aangezien de overtreding niet ongedaan gemaakt kan worden. De maatregel is daarmee leed toevoegend en heeft een afschrikwekkende werking. Daarom is de opgelegde maatregel een bestraffende sanctie en is artikel 6, tweede lid, EVRM van toepassing.

Zowel bij de aanvraag als in bezwaar heeft verweerder aan eiseres gevraagd of zij in Zwolle heeft gesolliciteerd. Eerst tijdens de behandeling van haar bezwaar tegen het primaire besluit heeft eiseres aangevoerd te hebben gesolliciteerd. Zij kon daarbij echter slechts een inschrijving bij Start People in Harderwijk met stukken onderbouwen. Eiseres heeft ter zitting verklaard de andere gestelde sollicitaties en inschrijvingen niet te kunnen onderbouwen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de gestelde sollicitaties niet kunnen worden aangetoond, heeft verweerder voldaan aan de op hem rustende bewijslast. De beroepsgrond faalt.

5.1

Eiseres stelt verder dat zij niet verwijtbaar heeft gehandeld, aangezien zij de Nederlandse taal niet machtig was en dus niet goed begreep wat er van haar werd verwacht.

5.2

Zoals onder 3.2 is overwogen gold voor eiseres de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente Zwolle, alvorens daarnaartoe te verhuizen. Dat zij de vragen van verweerder bij de aanvraag niet goed zou hebben begrepen doet aan deze verplichting niet af. Deze aanvraag vond immers plaats, nadat eiseres al was verhuisd en dus al aan deze verplichting had moeten voldoen. Van eiseres mag worden verwacht dat zij zich op de hoogte stelt van de voor haar geldende verplichtingen, alvorens zij verhuist. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een ontbrekende of verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. De beroepsgrond faalt.

6.1

Eiseres stelt voorts dat de hoorplicht is geschonden. Verweerder heeft in strijd met artikel 3 Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAZ en IOAW gemeente Zwolle 2015 (Afstemmingsverordening) eiseres niet in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen alvorens de maatregel op te leggen.

6.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan het verzuim een betrokkene bij het primaire besluit te horen, worden hersteld in bezwaar (ECLI:NL:CRVB:2006:AV1322). In bezwaar is eiseres in de gelegenheid geweest om haar bezwaren tegen de maatregel in te brengen. Daarbij is zij in bezwaar gehoord. Voor zover verweerder bij het nemen van het primaire besluit in strijd heeft gehandeld met artikel 3 Afstemmingsverordening, is dit dus in bezwaar hersteld. De beroepsgrond faalt.

7.1

Eiseres voert ook aan dat de maatregel, gezien de ernst van de overtreding, onevenredig hoog is.

7.2

Verweerder stelt dat de opgelegde maatregel niet onevenredig belastend is voor eiseres. Verweerder heeft met de evenredigheid voldoende rekening gehouden door de verlaging van de bijstand over drie maanden te spreiden.

7.3

Bij het overtreden van artikel 18, vierde lid, aanhef en onder c, Pw is verweerder ingevolge artikel 18, vijfde lid, Pw gehouden de bijstandsuitkering met 100% te verlagen voor een maand. Deze verlaging mag over drie maanden worden gespreid. Op grond van artikel 18, tiende lid, Pw kan een maatregel op de omstandigheden van een betrokkene worden afgestemd indien dringende redenen, gelet op bijzondere omstandigheden, daartoe noodzaken.

De rechtbank leidt verder uit het arrest van het EHRM van 7 juni 2012 de bevoegdheid af om op grond van artikel 6 van het EVRM een bestraffende sanctie af te stemmen op de ernst van de overtreding (EHRM 7 juni 2012, zaaknummer 4837/06 (Segame tegen Frankrijk)). Aan eiseres wordt slechts verweten dat zij niet heeft voldaan aan de verplichting om in de gemeente Zwolle naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. De ernst van deze overtreding is, mede gelet op de geografische beperking van de sollicitatieverplichting en het feit dat eiseres voor de verhuizing in dezelfde regio woonachtig was, naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat een verlaging van de bijstandsuitkering met 100% voor een maand nog proportioneel is. Dat deze maatregel verspreid wordt over drie maanden doet daar niet aan af. De rechtbank acht het, gelet op de ernst van de overtreding, evenredig om de maatregel te beperken tot een verlaging van de bijstand voor een maand met 33,33%. De beroepsgrond slaagt.

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het ziet op de maatregel. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door, doende hetgeen verweerder had behoren te doen, het primaire besluit te herroepen voor zover het ziet op de maatregel, en, beslissend op het bezwaar, te bepalen dat aan eiseres de maatregel wordt opgelegd van verlaging van de bijstand voor één maand met 33,33%.

9. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De te vergoeden kosten zijn overeenkomstig artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vastgesteld op € 990,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, beiden t.w.v. € 495,-) en voor de kosten in bezwaar op € 990,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, beiden t.w.v. € 495,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover het ziet op de maatregel;

  • -

    herroept het primaire besluit in zoverre;

  • -

    bepaalt dat aan eiseres een maatregel wordt opgelegd per 11 november 2016 tot verlaging van de bijstandsuitkering voor een maand met 33,33%;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar en in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings, voorzitter, en mr. P.H. Banda en

mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate-van Holsteijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.