Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4704

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
6474920 \ CV EXPL 17-3807
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW. Huurder erkent vorderingen, maar verzoekt wel om langere ontruimingstermijn. Veroordeeld tot ontruiming, betaling waarborgsom, huurachterstand, boete en kosten. Toekomstige huurtermijnen afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: 6474920 \ CV EXPL 17-3807

Vonnis in kort geding van 20 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] HOLDING B.V.,
gevestigd te [woonplaats 1] ,

eisende partij, hierna te noemen [B] ,

gemachtigde: mr. G.W. Weenink,

tegen

1 de vennootschap onder firma [X] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [Y],
wonende te [woonplaats 2] ,

3. [Z],
wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [X] ,

verschenen in persoon.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1.

De namens [B] betekende dagvaarding van 5 december 2017, waarbij

[B] een vordering heeft ingesteld tot het treffen van een voorlopige voorziening en [X] heeft opgeroepen ter zitting in kort geding te verschijnen.

1.2.

De vordering is behandeld ter zitting van 13 december 2017.

[A] (vertegenwoordigd door de heer [B] ) is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [X] (vertegenwoordigd door de heer [Z] ) is verschenen.

1.4.

[B] heeft zijn standpunt laten toelichten door zijn gemachtigde.

[X] heeft haar standpunt toegelicht bij monde van de heer [Z] .

De griffier heeft van hetgeen ter zitting is besproken aantekeningen gemaakt.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst bedrijfsruimte in de zin van

artikel 7:230a van het Burgerlijk Wetboek (BW) betreffende het pand aan [adres]

, met als ingangsdatum 1 december 2016. De huurprijs bedroeg laatstelijk € 1.815,- inclusief omzetbelasting per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW van toepassing.

2.2.

[X] heeft de overeengekomen waarborgsom van € 5.082,- onbetaald gelaten. Daarnaast is er sprake van een huurachterstand van vijf maanden, inclusief energiekosten en omzetbelasting bedragende € 9.455,98.

3 Het geschil

3.1.

[B] vordert - kort samengevat - ontruiming van het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis alsmede veroordeling tot betaling van de huurachterstand, de contractuele boete over de achterstallige huurtermijnen van € 300,- per maand, de waarborgsom, de toekomstige huurtermijnen en de buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [X] in de proces- en nakosten.

3.2.

[X] heeft de vorderingen niet inhoudelijk bestreden en enkel een langere ontruimingstermijn bepleit dan de gevorderde twee dagen. [B] heeft ter zitting medegedeeld hiertegen geen bezwaar te hebben.

4 De beoordeling

4.1.

Nu de vorderingen niet zijn weersproken, zullen deze worden toegewezen, met inachtneming van het volgende.

4.2.

De ontruimingstermijn zal worden bepaald op 14 dagen na betekening van dit vonnis. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf, met behulp van de sterke arm, te doen bewerkstelligen, zal worden afgewezen. Artikel 556 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft namelijk al voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Hij heeft geen rechterlijke machtiging nodig om de hulp van de sterke arm in te roepen, omdat hij die bevoegdheid rechtstreeks ontleent aan

artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

4.3.

De gevorderde uitvoerbaarverklaring op de minuut en op alle dagen en uren zal worden afgewezen, nu [B] , voor wie terstond na deze uitspraak een grosse beschikbaar zal zijn, daarbij geen belang heeft.

4.4.

De vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen, vermeerderd met de contractuele boete, zal worden afgewezen, omdat op dit moment niet vaststaat of

[X] nalaat die huur aan [B] te voldoen.

4.5.

[B] heeft ter zitting toegelicht dat de gevorderde contractuele boete over de achterstallige huurtermijnen dient te worden begrepen als een vordering van éénmaal € 300,- voor iedere maand dat [X] de huurprijs niet (tijdig) betaalt en dus niet cumulatief dient te worden berekend. De vordering zal dan ook als zodanig worden toegewezen.

4.6.

[X] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.7.

De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten kan niet worden toegewezen, nu de vertraging in de voldoening van de proceskosten niet onder het bereik van artikel 6:119a BW valt. De kantonrechter zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten toewijzen. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum 14 dagen na de betekening van dit vonnis.

4.8.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing in kort geding

5.1.

Veroordeelt [X] om uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan [adres] met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels in lege en behoorlijke staat ter vrije beschikking van [B] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden,

5.2.

Veroordeelt [X] hoofdelijk om aan [B] te betalen het bedrag van € 9.455,98 aan achterstallige huur, energiekosten en omzetbelasting tot en met december 2017, te vermeerderen met de contractuele boete van totaal € 1.500,-

(vijf maanden x € 300,-),

5.3.

Veroordeelt [X] hoofdelijk tot nakoming van de contractuele verplichting tot storting van een waarborgsom van € 5.082,-,

5.4.

Veroordeelt [X] hoofdelijk om aan [B] te betalen een bedrag van € 1.418,40 aan buitengerechtelijke kosten,

5.5.

Veroordeelt [X] hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [B] begroot op € 1.027,35 aan verschotten en € 400,- aan salaris gemachtigde, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, [X] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening,

5.6.

Veroordeelt [X] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.7.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G. van Eerden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2017.