Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4699

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
08/760099-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 54-jarige man uit Zwolle tot een gevangenisstraf van vier weken voor witwassen. De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760099-16 (P)

Datum vonnis: 19 december 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in P.I. Veenhuizen, locatie Esserheem.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 december 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.J. Nettenbreijers en van hetgeen door de raadsman mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte een geldbedrag van € 22.520,-- heeft witgewassen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2016, in de gemeente Rijssen-Holten, althans in

Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(van) een voorwerp, te weten 22.520 euro, althans een geldbedrag,

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld

wie de rechthebbende op een voorwerp (te weten die 22.520 euro, althans een

geldbedrag), was en/of voorhanden heeft gehad en/of

- heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl

hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp geheel of

gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven over het contante geldbedrag dat hij bij zich droeg. Dat dit een lening zou zijn, heeft verdachte niet aangetoond. Het geldbedrag bestond ook uit ongebruikelijke coupures.

Uit het onderzoek dat is verricht naar de financiële situatie van verdachte blijkt dat verdachte al jaren geen inkomen uit dienstbetrekking of uitkering ontvangt. Verdachte en zijn echtgenote [naam] moeten rond komen van de Wajong-uitkering van de echtgenote. Zij houden maandelijks weinig over voor levensonderhoud. Om dan met een dergelijk bedrag over straat te gaan, vraagt een plausibele verklaring. Die heeft verdachte alleen voor het geldbedrag van € 1.520,- dat in zijn portemonnee is aangetroffen. Verdachte dient dan ook voor dat deel van het tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor het verbergen of verhullen van geld. De verdediging refereert zich ten aanzien van het tweede gedachtestreepje voor een geldbedrag van € 21.000,- aan het oordeel van de rechtbank. Voor het bedrag van € 1.520,- in zijn portemonnee heeft verdachte wel een verklaring gegeven, zodat verdachte in zoverre dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen het volgende vast.

- het juridisch kader

Ten eerste moet worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulk een geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het betreffende geld. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Van belang kan zijn of verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan voormelde vereisten voldoet.

Zodra het door verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te verrichten naar de uit de verklaringen van verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Als er geen concrete legale bron kan worden vastgesteld, kan het niet anders zijn dan dat de herkomst van het geld een criminele bron is. Een duidelijk gronddelict behoeft niet te worden aangewezen.1

- feiten en omstandigheden van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen

De rechtbank stelt vast dat verdachte een relatief groot geldbedrag, te weten € 22.520,- cash in ongebruikelijke coupures bij zich droeg op het moment dat hij werd aangehouden naar aanleiding van een politiecontrole. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 2 februari 2016 blijkt dat aan de bestuurder van de auto waarin verdachte zich als bijrijder bevond een stopteken is gegeven. Verdachte heeft een zakje met geld uit de auto gehaald en onder zijn oksel verstopt. De verbalisant heeft een aantal keren aan verdachte verzocht om te laten zien wat hij onder zijn oksel verborg. Uiteindelijk heeft verdachte het zakje laten zien. In dit zakje zijn relatief veel grote coupures aangetroffen. Verdachte heeft tot twee maal toe geprobeerd zich aan de aanhouding te onttrekken. In de afgelopen jaren heeft verdachte geen aantoonbare legale inkomsten, bijvoorbeeld uit dienstverband, opgegeven bij de Belastingdienst. Verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij geen uitkering of inkomen uit dienstverband heeft. Verdachte en zijn echtgenote moeten rond komen van de Wajong-uitkering van de echtgenote. De rechtbank is van oordeel dat vorenstaande feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.

- verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld

Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte over de herkomst van een groot deel van het geldbedrag, te weten een bedrag van € 21.000,-, geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij het bedrag heeft geleend maar heeft daarbij niet willen verklaren over van wie hij dit bedrag heeft geleend en wat de bestemming van het geld was. Ook de echtgenote van verdachte was niet op de hoogte van de gestelde lening. Nu verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft afgelegd ten aanzien van het bedrag van € 21.000,-, kan het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek verrichten naar de herkomst van het geld. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het geld geen legale herkomst heeft. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 21.000,- - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig is en dat verdachte ook wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit bedrag uit misdrijf afkomstig was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 21.000,-.

Dit is anders ten aanzien van het bedrag van € 1.520,- waarover verdachte heeft verklaard dat dit eigen geld betreft dat hij heeft gespaard en van uitkeringen afkomstig is. Dit bedrag betreft volgens verdachte leefgeld en staat niet op een bankrekening vanwege privéomstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring niet aanstonds evident onwaar en kan niet worden uitgesloten dat dit geldbedrag een legale herkomst heeft. Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het ten laste gelegde feit ten aanzien van het bedrag van € 1.520,- dan ook niet bewezen. De rechtbank zal verdachte van dit deel vrijspreken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 29 januari 2016, in de gemeente Rijssen-Holten, een geldbedrag van 21.000,- euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 420 bis, eerste lid, sub b, Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

het misdrijf: witwassen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het gegeven dat het een oude zaak is. Ook moet rekening worden gehouden met artikel 63 Sr. De verdediging heeft gesteld dat kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf of een taakstraf.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen van een groot geldbedrag. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan. Het in omloop zijn van dergelijke witgewassen geldbedragen heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte volgt dat hij na de datum waarop dit feit is gepleegd wegens witwassen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de straf daarom rekening met artikel 63 Sr.

Ten slotte slaat de rechtbank acht op het reclasseringsrapport van 30 november 2017 dat over verdachte is opgemaakt.

Al het vorenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf van vier weken met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslaggenomen geldbedrag van

€ 21.000,- verbeurd wordt verklaard en dat het geldbedrag van € 1.520,- wordt teruggegeven aan verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ter zake van het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het geldbedrag van € 21.000,- moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft met betrekking tot welke het feit is begaan.

Ten aanzien van het aan verdachte toebehorende in beslag genomen bedrag van € 1.520,- zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten, aangezien dit geldbedrag niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 27, 33 en 33a Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: witwassen

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van

€ 21.000,-;

- gelast de teruggave van het geldbedrag van € 1.520,- aan veroordeelde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. B.W.M. Hendriks en

mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.

Buiten staat

Mr. Schreurs voornoemd is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2016049359. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 2 februari 2016, pagina’s 40 – 41, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Vanuit mijn ooghoeken zag ik dat de bijrijder, die ook uitgestapt was, weer in de auto stapte. Ik zag dat hij een voorwerp uit het dashboardkastje haalde of uit de middenconsole. Ik zag dat hij dit met zijn rechterarm deed en dat hij dit voorwerp onder zijn linkeroksel stopte of in elk geval ter hoogte daarvan. De bijrijder droeg hierover een jas/vest waardoor het leek dat híj iets wegmoffelde. Ik liep hierop achter mijn dienstmotor langs en liep vervolgens achter voornoemde personenauto richting de bijrijder welke inmiddels weer uitgestapt was. Ik vroeg aan de bijrijder: "Wat hebt u onder uw arm gestopt?"

Ik hoorde de man zeggen:" Ik heb niets onder mijn arm". Ik stelde hem nogmaals dezelfde vraag waarop de bijrijder antwoordde dat hij een kledingstuk onder zijn oksel had gestopt. Ik vroeg hem mij dit te laten zien. Hierop liet hij mij een donkerkleurige lap zien. Ik zag aan de contouren dat er een voorwerp in deze lap stof moest zitten. Ik vroeg hierop wat erin zat. Ik hoorde de bijrijder zeggen dat hij alleen een kledingstuk bij zich had. Hierop verhief ik mijn stem en zei tegen de bijrijder: "Laat zien wat erin zit". Ik pakte hierop de kolf van mijn vuurwapen en opende de beugel in het kader van mijn veiligheid. Hierop liet de bijrijder mij zien wat erin zat. Ik zag dat er een pakket van ongeveer 8 centimeter dik aan geldbiljetten

in de lap stof zat. Hierop zei ik tegen de bijrijder: "Staan blijven!".

Ik zag hierop dat de bijrijder in de richting van de Morsweg rende, kennelijk teneinde een verdere controle te voorkomen. Ik rende achter hem aan en riep op niet misverstane wijze dat hij moest blijven staan. Na een korte achtervolging pakte ik hem met mijn linkerarm bij zijn linkerschouder. Ik hoorde hem zeggen dat hij al meewerkte.

Hierop zag ik de bijrijder wederom hard weglopen, nu echter in de richting van de

wasboxen richting het industrieterrein. Deze ligt van de Morsweg af. Hierop besloot

ik, verbalisant [verbalisant 1] , de achtervolging in te zetten daar de bijrijder het voornoemde geld nog bij zich droeg. Na een korte achtervolging had ik de bijrijder wederom bij zijn arm gepakt waarop hij direct mondeling aangaf dat hij meewerkte.

2. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 29 januari 2016, pagina 42, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb vervolgens in het bijzijn van verbalisant [verbalisant 3] en hovj [hulp-ovj] het geld dat betrokkene [verdachte] bij zich droeg in het tasje en in zijn portemonnee geteld. In het tasje zat een pakketje geld met daaromheen een elastiek, hier zaten 8 biljetten van 500 euro in, en 120 biljetten van 50 euro. Dit maakte samen een bedrag van 10.000,- euro. In een tweede pakketje, ook afkomstig uit het tasje, wederom samengebonden met een elastiek zaten 30 biljetten van 100 euro, 85 biljetten van 50 euro, 15 biljetten van 20 euro. Samen een bedrag van 10.750,- euro.

In de portemonnee van betrokkene [verdachte] zat een biljet van 200 euro, 7 biljetten van

100 euro, 13 biljetten van 50 euro, 3 biljetten van 20 euro, 10 biljetten van 10 euro

en 12 biljetten 5 euro. Samen een bedrag van 1.770,- euro.

Alles bij elkaar opgeteld betrof het een bedrag van 22.520,- euro.

3. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 30 januari 2016, pagina 55, onder meer inhoudende:

V: Voeren u en uw partner een gezamenlijke huishouding?

A: Ja, we wonen samen. We delen alles samen.

V: Heeft u loon of salaris uit dienstbetrekking?

A: Nee.

V: Heeft u een uitkering?

A: Nee, mijn vrouw wel. Ik heb nooit geen uitkering aangevraagd. Ik weet ook niet of

ik daar recht op heb.

V: Heeft uw partner loon of salaris uit dienstbetrekking?

A: Nee.

V: Heeft uw partner een uitkering?

A: Die heeft een Wajong uitkering. Ik weet niet hoe lang zij deze al heeft.

V: Kunt u van dit loon of deze uitkering rondkomen of heeft u nog andere uitkeringen

of bijbanen?

A: Nee.

4. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte van 30 januari 2016, pagina 59, onder meer inhoudende:

V: Van wie was het geld wat jij onder jou droeg?

A: Dat is geleend en de persoon zal met de tijd wel contact met jullie opnemen.

V: Wat is het doel, de herkomst en de bestemming van het geld?

A: Ik wilde iets kopen, het geld is van een man die geen strafblad had, het zal spaargeld zijn. Ik kon dat zo lenen. Als ik iets zeg, dan doe ik dat. Hij krijgt het van mij terug.

V: Waarom heb je dit geld cash bij jou en staat het niet op de bank?

A: Dat weet ik niet, ik heb gevraagd: "Kun je mij dat doen?"

V: Ben je in het bezit van bewijsmiddelen van dit geld, bankafschriften, nota's of

iets dergelijks?

A: Nee.

V: Jij had een portemonnee bij jou. Hoeveel geld zat hierin?

A: Ik dacht 1.750 euro.

V: In jouw portemonnee zat 1.770 euro. Hoe kom jij aan dit geld?

A: Dat houd ik bij me. Als er wat over blijft dan houd ik dat bij me.

V: Wat is het doel, de herkomst en de bestemming van het geld?

A: Leefgeld. Het komt van de uitkering of kinderbijslag, wat ervan over blijft. Het

is leefgeld.

V: Waarom heb je dit geld cash bij jou en staat het niet op de bank?

A: Vanwege privé omstandigheden.

5. Het proces-verbaal van verhoor van verhoor getuige [naam] van 31 januari 2016, pagina 67, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

V: Waarvoor zou hij dan geld geleend moeten hebben?

A: Als hij al geld geleend zou hebben dan weet ik niet waarvoor.

1 Zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:BM0787