Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4678

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
C/08/192995 / HA ZA 16-468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocaat procedeert tegen voormalig cliënt om zijn honoraria vergoed te krijgen. Eerdere veroordelende vonnissen konden niet geëxecuteerd worden. Advocaat vindt dat cliënt als bestuurder van vennootschappen aansprakelijk is. Vordering onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/6670
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/192995 / HA ZA 16-468

Vonnis van 13 december 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. J.P. van Dijk te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. N.E. Koelemaij te Assen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 februari 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 juli 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] wordt gedreven door mr. [X] . [gedaagde] is – voor zover hier relevant – middellijk of onmiddellijk, deels alleen en deels tezamen met anderen, bestuurder van Probizz B.V., Dutch Horeca & Recreatie B.V. en [A] B.V. Dit zijn vennootschappen die zich bezighouden met vastgoedprojecten. [eiseres] is door [gedaagde] ingeschakeld om rechtshulp te verlenen bij juridische problemen van de vennootschappen van (onder andere) [gedaagde] .

2.2.

Bij vonnis van 19 mei 2015 (zaaksnummer 4046302 CV EXPL 15-2468) van deze Overijssel is Probizz B.V. bij verstek veroordeeld tot – samengevat – betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 11.485,06, vermeerderd met rente en proceskosten.

2.3.

Bij vonnis van 19 mei 2015 (zaaksnummer 4046122 CV EXPL 15-2464) van deze rechtbank zijn de vennootschappen Bouwhuis B.V., Hutten Meppel Beheer B.V., Dutch Horeca & Recreatie B.V. en [A] B.V. bij verstek hoofdelijk veroordeeld tot – samengevat – betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 17.790,05, vermeerderd met rente en proceskosten.

2.4.

Bij vonnis van 28 juli 2015 (zaaksnummer 4232244 CV EXPL 15-4204) van deze rechtbank is [A] B.V. bij verstek veroordeeld tot – samengevat – betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 4.357,66, vermeerderd met rente en proceskosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 39.393,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tot – samengevat – afwijzing van de vordering bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, onder veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

I. Bestuurdersaansprakelijkheid [gedaagde]

4.1.

[eiseres] zegt dat zij haar vorderingen uit bovengenoemde vonnissen niet heeft kunnen incasseren. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door kennelijk onbehoorlijk bestuur van de in hiervoor gemelde vonnissen genoemde vennootschappen, zodat [gedaagde] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is. [eiseres] meent dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt, omdat, in de kern:

  1. [gedaagde] feitelijk leidinggever van de onder 2.2 tot en met 2.4 genoemde vennootschappen was;

  2. [gedaagde] wist of heeft moeten weten dat de financiële situatie van de vennootschappen zo slecht was, dat niet binnen een redelijke termijn aan de verplichtingen uit opdracht zou kunnen worden voldaan, terwijl:

  3. [gedaagde] [eiseres] niet heeft geïnformeerd over de financiële posities van zijn bedrijven, doch [eiseres] heeft voorgehouden op korte termijn te zullen gaan betalen;

  4. [gedaagde] vermogensbestanddelen van vennootschappen heeft geherstructureerd, waardoor financiële middelen zijn verdwenen;

  5. [gedaagde] zijn schuldeisers selectief heeft betaald;

  6. [gedaagde] opbrengsten uit de vennootschappen niet ten gunste van schuldeisers heeft doen komen;

  7. [gedaagde] reeds eerder als bestuurder (van een andere vennootschap) aansprakelijk is geweest;

4.2.

[gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat [eiseres] de vordering op grond van de vonnissen genoemd onder 2.2 tot 2.4 niet heeft kunnen incasseren. [gedaagde] betoogt alleen als feitelijk leidinggevende (en middellijk bestuurder) te hebben opgetreden in de vennootschappen Probizz B.V., Dutch Horeca & Recreatie B.V. en [A] B.V. Hij had derhalve geen zeggenschap over alle vennootschappen die in de vonnissen genoemd worden. [gedaagde] betwist primair een waarschuwingsplicht te hebben ten aanzien van de (gestelde) slechte financiële situatie. Echter, [gedaagde] zegt niettemin open en eerlijk te zijn geweest over de situatie binnen zijn vennootschappen. Dit was mede van belang in verband met de juridische kwesties waarvoor de vennootschappen rechtsbijstand van [eiseres] nodig hadden. [eiseres] was ook daarom volledig op de hoogte van de stand van zaken. [gedaagde] betwist bovendien dat de financiële situatie zodanig was dat [gedaagde] had moeten voorzien dat de vennootschappen de honoraria en griffierechten niet zouden kunnen voldoen. Het verwachte resultaat van de door [eiseres] ten behoeve van de vennootschappen gevoerde procedures woog op tegen de advocaatkosten. Daarbij was voor [gedaagde] op voorhand niet duidelijk hoe hoog de advocaatkosten zouden worden. [gedaagde] ontkent schuldeisers selectief betaald te hebben, herstructeringen binnen zijn vennootschappen te hebben uitgevoerd met als doel verhaalsmogelijkheden te verminderen en opbrengsten uit vennootschappen niet ten behoeve van schuldeisers te hebben benut.

Incassering vordering

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] door overlegging van productie 37 en haar toelichting ter comparitie voldoende onderbouwd dat haar vorderingen bij geen van de vennootschappen geïncasseerd kunnen worden. [gedaagde] kon wat dat betreft niet blijven volstaan met een blote ontkenning. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiseres] haar vorderingen niet heeft kunnen incasseren bij (onder andere) de vennootschappen van [gedaagde] en dat [eiseres] dus in zoverre benadeeld is.

Juridisch kader bestuurdersaansprakelijkheid

4.4.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis jegens een derde of jegens een derde een onrechtmatige daad pleegt, is vertrekpunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.

4.5.

Onder bijzondere omstandigheden is echter – naast aansprakelijkheid van die vennootschap – ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij het ook door partijen aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 5 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2627, Tulip Air) waarin samengevat is overwogen dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder vereist is dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, dat aldus voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen gelden dan in het algemeen het geval is en dat zo’n hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde gerechtvaardigd wordt door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen; vgl. HR 20 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC4959, Willemsen Beheer/NOM).

4.6.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending, de voorzienbaarheid dat de crediteur niet zal worden voldaan en schade zal lijden en de overige omstandigheden van het geval (HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, New Holland Belgium/Oosterhof). In de regel schept doorgaans het op grove wijze veronachtzamen van de te respecteren belangen van derden met voorzienbare schade als gevolg van dat veronachtzamen voor deze derden tot gevolg, de aansprakelijkheid van een bestuurder.

4.7.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eiseres] , als degene die zich op de rechtsgevolgen beroept van het door haar gestelde onrechtmatig handelen, de last om de feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, die tot de conclusie kunnen leiden dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Financiële situatie vennootschappen

4.8.

Het betoog van [eiseres] , zo begrijpt de rechtbank, is in de kern tweeledig. Enerzijds zegt [eiseres] dat [gedaagde] heeft moeten weten dat hij [eiseres] opdrachten heeft gegeven, die zijn vennootschappen nooit zouden kunnen betalen. Bovendien vermoedt [eiseres] dat [gedaagde] de beschikbare middelen uit zijn vennootschappen niet heeft aangewend om de verplichtingen jegens [eiseres] te voldoen, doch deze middelen heeft weggesluisd en/of ten behoeve van andere activiteiten en/of schuldeisers te hebben benut.

4.9.

Deze vermoedens en beschuldigingen zijn door [gedaagde] gemotiveerd weersproken. Het had daarom op de weg van [eiseres] gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen, hetgeen [eiseres] heeft nagelaten. Zo heeft [eiseres] geen onderbouwing gegeven voor haar stellingen dat [gedaagde] schuldeisers selectief betaald heeft of dat [gedaagde] de financiële middelen van zijn vennootschappen heeft weggesluisd of heeft geherstructureerd door verkoop van recreatieparken. [eiseres] is door de rechtbank ter comparitie uitdrukkelijk uitgenodigd om een en ander nader te onderbouwen, maar heeft volstaan met de opmerking dat het aan [gedaagde] is om aan te tonen dat de stellingen niet kloppen. Anders dan [eiseres] beoogt, ziet de rechtbank voor omkering van de onder 4.7 weergegeven stelplicht en bewijslast geen juridische grond of aanleiding.

4.10.

De onderbouwing die [eiseres] heeft gegeven omtrent de financiële situatie van de vennootschappen, is evenzeer onvoldoende. [eiseres] heeft afschriften van de gepubliceerde jaarrekeningen van Dutch Horeca & Recreatie B.V. en Probizz B.V. over het jaar 2010 overgelegd. Hieruit blijkt weliswaar dat sprake is van een negatief eigen vermogen in de B.V.’s, maar aan de andere kant wijst [gedaagde] er terecht op dat er aanzienlijke liquide middelen aanwezig waren en dat het niet ongebruikelijk is dat er een negatief eigen vermogen bestaat in een onderneming. De voorbeelden die [eiseres] noemt waarin [gedaagde] een betalingsverplichting niet is nagekomen, kunnen evenmin de conclusie dragen dat de financiële situatie van de verschillende vennootschappen zodanig was dat [gedaagde] had moeten weten dat de vennootschappen de facturen van [eiseres] niet zouden (kunnen) betalen. De door [eiseres] overgelegde jaarrekeningen van Leeksmilde B.V. en BMA Vastgoed B.V. zijn niet relevant, nu de vordering niet is gebaseerd op verplichtingen van deze vennootschappen.

4.11.

De rechtbank merkt daarbij op dat [eiseres] een groot aantal producties (nummer 14 tot en met 38) heeft overgelegd, waarbij zij weliswaar een korte omschrijving per productie heeft gegeven, maar daaraan geen conclusies heeft verbonden. Ter comparitie van partijen heeft [eiseres] evenmin een nadere toelichting op de producties gegeven (met uitzondering van productie 37, zie hiervoor). Door deze producties te overleggen zonder dat zij daarop gegronde stellingen en feiten heeft ingeroepen op een zodanige wijze dat voor de rechter duidelijk is wat dienaangaande als grondslag van de vordering ter beoordeling wordt voorgelegd en voor [gedaagde] waarop hij zijn verdediging dient af te stemmen, heeft [eiseres] daarmee niet voldaan aan haar stelplicht.

4.12.

Tot slot bespreekt de rechtbank nog de volgende punten. [eiseres] heeft betoogd dat [gedaagde] ten aanzien van alle onder de feiten genoemde vennootschappen feitelijk leidinggever was. Zij heeft in dat kader een e-mailbericht van de heer [B] , bestuurder van [B] B.V., overgelegd. [B] schrijft in dit bericht één van de slachtoffers van [gedaagde] te zijn, die hem geadviseerd zou hebben om de vordering van [eiseres] niet te betalen. [gedaagde] betwist dit advies te hebben gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] met de overlegging van dit emailbericht geen begin van onderbouwing gegeven voor de stelling dat [gedaagde] feitelijk leidinggevende was van andere vennootschappen dan die van hemzelf. Met name is dit van belang voor zover [eiseres] de veroordeling onder 2.3 ten grondslag legt aan de stelling dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de gestelde benadeling van [eiseres] .

4.13.

[eiseres] heeft gewezen op een andere procedure, waarin [eiseres] als bestuurder van de vennootschap Oostland Grondposities B.V. persoonlijk aansprakelijk is gehouden. [gedaagde] heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend, welk appèl nog loopt. Wat hier ook van zij, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volgt de rechtbank [eiseres] niet in diens conclusie dat eerdere persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde] een relevante omstandigheid is in deze.

4.14.

Al met al heeft [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om tot de conclusie te komen dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] eigen schuld heeft aan het oplopen van de vordering, laat de rechtbank gelet hierop onbesproken.

Garantstelling [gedaagde]

4.15.

Subsidiair legt [eiseres] aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] heeft toegezegd het verschuldigde te zullen voldoen. Dat volgt volgens [eiseres] uit een afspraak die medio januari 2016 is gemaakt tussen [eiseres] en [gedaagde] , waarvan zij bewijs aanbiedt.

4.16.

[gedaagde] betwist dat hij zich persoonlijk garant heeft gesteld voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van zijn vennootschappen. [gedaagde] heeft steeds gehandeld in hoedanigheid van bestuurder van de vennootschappen.

4.17.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiseres] aldus dat [gedaagde] zich persoonlijk borg zou hebben gesteld voor de nakoming van de betalingsverplichting van de vennootschappen. [eiseres] heeft naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde] een zodanig aanbod heeft gedaan, of dat [gedaagde] zich anderszins in privé heeft verbonden. Het was aan [eiseres] om haar standpunt van een nadere onderbouwing te voorzien, gelet op de uitdrukkelijke betwisting hiervan door [gedaagde] . [eiseres] heeft evenwel geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat destijds door [gedaagde] is beoogd zelf partij te zijn. [eiseres] zal dan ook niet tot het bewijs van haar stelling kunnen worden toegelaten. Van een verplichting van [gedaagde] persoonlijk is naar het oordeel van de rechtbank al met al niet gebleken, zodat ook deze grondslag voor de vordering van [eiseres] faalt. Dit leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] in haar geheel zal worden afgewezen.

4.18.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 885,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.673,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.673,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Haar en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017.1

1 type: coll: