Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4596

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
C/08/205971 / FA RK 17-1935
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling behoefte van een jongmeerderjarige die het volwassenonderwijs volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/205971 / FA RK 17-1935

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d.

23 november 2017

inzake

[verzoekster] ,

verder te noemen: de vrouw,

en

[verzoeker] ,

verder te noemen: [verzoeker] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

verzoekers,

advocaat mr. D. Beuving,

tegen

[verweerder] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat mr. E.M. Elfrink.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 07 augustus 2017;

- de op 17 augustus 2017 binnengekomen brief van mr. Beuving van 15 augustus 2017 met bijlagen;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 06 september 2017;

- het op 30 oktober 2017 binnengekomen faxbericht van mr. Beuving met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 8 november 2017. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Uit de -inmiddels verbroken- relatie van de man en de vrouw zijn geboren:

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats]

en de minderjarige :

[A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] .

De minderjarige is erkend door de man.

3 Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoek:

- aan [verzoeker] een bedrag van € 262,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie;

- aan de vrouw een bedrag van € 142,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] ,

dan wel een zodanig bedrag vast te stellen en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht.

4 Het verweer

De man verzoekt de rechtbank de verzoeken van de vrouw en [verzoeker] af te wijzen. Hij verzoekt de rechtbank bij zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] wordt bepaald op € 85,- per maand en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoeker] op € 169,- per maand dan wel, indien wordt uitgegaan van een hogere behoefte van [verzoeker] , op

€ 238,- per maand,

dan wel op een zodanig bedrag vast te stellen als de rechtbank juist acht.

5 De beoordeling

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] en van levensonderhoud en studie van [verzoeker]

De behoefte van [A]

5.1.

Partijen verschillen van mening over de hoogte van het netto besteedbaar inkomen ten tijde van het uiteengaan van de man en de vrouw in 2012. De vrouw is van mening dat voor haar inkomen in 2012 dient te worden uitgegaan van de privé-onttrekkingen in 2012 van

€ 25.277,-, nu dit het inkomen is waar partijen feitelijk van hebben geleefd. Volgens de man moet voor het inkomen van de vrouw worden uitgegaan van de bruto winst uit onderneming die de vrouw conform de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2012 heeft genoten ad

€ 17.715,- per jaar. Indien zou worden uitgegaan van de privé-onttrekkingen, moeten daar volgens de man nog belastingen e.d. vanaf.

5.2.

De rechtbank overweegt het volgende. Voor de privé-onttrekkingen geldt dat hetgeen overblijft van de onttrekkingen, verminderd met de stortingen en met de betaalde belasting en premies, het bedrag is dat de man en de vrouw in het desbetreffende jaar beschikbaar hebben gehad. Dit bedrag is bepalend voor de behoefte van [A] . Uit de als productie 3 bij het verzoek ingediende aangifte inkomstenbelasting 2012 blijkt dat er in 2012 geen privé stortingen zijn geweest. De belasting die de vrouw -in privé- betaalde werd vastgesteld op basis van de belastbare winst uit onderneming (€ 9.491,-) verminderd met de inkomsten uit eigen woning (- € 10.517,-), zodat een negatief bedrag aan belastbaar inkomen uit werk en woning resteerde van - € 1.026,-. De vrouw was in 2012 in privé dan ook geen inkomstenbelasting en premie volksverzekering verschuldigd. In dit geval kunnen de privé onttrekkingen in 2012 daarom als een netto besteedbaar bedrag worden aangemerkt. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2012 wordt dan ook vastgesteld op afgerond

€ 2.106,- per maand.

5.3.

Voor het netto besteedbaar inkomen van de man zijn partijen het erover eens dat hiervoor kan worden uitgegaan van de gegevens uit de jaaropgaaf 2012, hetgeen resulteert in een netto besteedbaar inkomen van de man van € 1.462,- per maand.

5.4.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van het minderjarige kind de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen.

5.5.

Het gezamenlijk netto gezinsinkomen bedroeg ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2012 aldus € 3.568,- per maand. Nu gesteld noch gebleken is dat het huidige inkomen van één van de ouders het voormalig gezinsinkomen overstijgt, neemt de rechtbank het voormalig gezinsinkomen als uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van de minderjarige [A] .

5.6.

Op basis van de tabel 2012 en voormeld netto gezinsinkomen berekent de rechtbank de behoefte van [A] aan een bijdrage van zijn ouders op € 401,- per maand, hetgeen na indexering met ingang van 1 januari 2017 neerkomt op € 429,- per maand.

De behoefte van [verzoeker]

5.7.

[verzoeker] heeft vorig schooljaar zijn VWO diploma niet gehaald en volgt thans zijn VWO opleiding via het Vavo (volwassenonderwijs).

5.8.

De vrouw is van mening dat ten aanzien van de behoefte van [verzoeker] dient te worden uitgegaan van zijn werkelijke behoefte. Zij heeft hiertoe een lijstje ingediend en stelt de werkelijke behoefte van [verzoeker] op € 859,- per maand. De man betwist dat de behoefte van [verzoeker] aan de hand van een behoeftelijstje dient te worden vastgesteld en betwist bovendien de hierin opgenomen kostenposten. Volgens vaste rechtspraak dient volgens de man zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij de Wet Studiefinanciering normen. Nu in het geval van [verzoeker] echter nog geen sprake is van een opleiding op het niveau van MBO, HBO of WO, kan volgens de man in dit geval nog aansluiting worden gezocht bij de behoefte van [verzoeker] als minderjarige.

5.9.

De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat [verzoeker] thans jong-meerderjarig is. De tabellen van het NIBUD voorzien niet in de berekening van de behoefte van kinderen ouder dan 18 jaar. Veelal wordt daarom bij de vaststelling van de behoefte van een jongmeerderjarige aansluiting gezocht bij de WSF-norm.

5.10.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om voor de behoefte van [verzoeker] aansluiting te zoeken bij de NIBUD-tabellen, die aan de Tremanormen ten grondslag liggen, omdat in die tabellen geen rekening wordt gehouden met het wegvallen van de overheidsbijdragen in de vorm van kinderbijslag en kindgebonden budget en aan de lastenkant geen rekening wordt gehouden met de premie ziektekostenverzekering. Vaststelling van de behoefte van [verzoeker] aan de hand van het door de vrouw ingediende behoeftelijstje is niet aan de orde, nu dit lijstje op geen enkele wijze is onderbouwd met stukken en de inhoud ervan door de man gemotiveerd is weersproken. De rechtbank ziet geen reden om de vrouw hiervoor alsnog een termijn te verlenen, zoals door de vrouw ter zitting is verzocht. De vrouw had het door haar ingediende lijstje in een eerder stadium van de procedure moeten onderbouwen, gelet op de beginselen van hoor en wederhoor en van een goede procesorde.

5.11.

De rechtbank gaat gelet op het vorenstaande voor de behoefte van [verzoeker] uit van de normbedragen volgens de WSF-normen. De rechtbank is met de man van oordeel dat een VWO-opleiding het meest lijkt op een MBO-opleiding qua kosten, gezien het feit dat er lagere collegegelden zijn en minder kosten aangaande studieboeken. Bovendien heeft de vrouw zich ter zitting op het (subsidiaire) standpunt gesteld dat, indien niet wordt uitgegaan van de werkelijke behoefte, aangesloten moet worden bij de norm van een thuiswonende MBO-student.

5.12.

De WSF-norm kan per 1 januari 2017 voor een thuiswonende MBO-student gesteld worden op € 599,27 per maand. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming scholieren (basistoelage) van € 113,30 per maand. Uit de site van DUO blijkt dat ook Vavo-studenten hiervoor in aanmerking komen en mocht dit in het geval van [verzoeker] anders zijn, dat had de vrouw dit met een bewijsstuk moeten aantonen. De rechtbank zal deze tegemoetkoming dan ook in mindering brengen op de behoefte van € 599,27. Dit betekent dat de behoefte van [verzoeker] wordt vastgesteld op afgerond € 486,- per maand.

De draagkracht van de man

5.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de draagkracht van de man kan worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 2.117,-.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905)] op € 403,- per maand.

Deze draagkracht verdeeld naar rato van de behoefte van de kinderen resulteert in een beschikbare draagkracht voor [verzoeker] van € 214,- per maand en voor [A] van € 189,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de draagkracht van de vrouw kan worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 2.111,-, inclusief kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905)] op € 400,- per maand.

Deze draagkracht verdeeld naar rato van behoefte van de kinderen resulteert in een beschikbare draagkracht voor [verzoeker] van € 212,- per maand en voor [A] van € 188,- per maand.

De draagkrachtvergelijking

5.15.

Nu de gezamenlijke draagkracht van man en de vrouw van € 803,- (€ 403,- + € 400,-) per maand lager is dan het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun minderjarige kinderen van € 915,- per maand, ziet de rechtbank geen reden de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] en in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoeker] op een lager bedrag vast te stellen dan zijn draagkracht toelaat. Uit de bijgevoegde berekening volgt dat het tekort aan draagkracht voor [verzoeker] € 59,- (€ 486,- minus

€ 427,-) per maand en voor [A] € 53,- (€ 429,- minus € 376,-) per maand bedraagt.

De zorgkorting

5.16.

Partijen zijn het erover eens dat voor de te berekenen bijdrage voor [A] rekening dient te worden gehouden met een zorgkortingspercentage van 25%. Nu het aandeel van de ouders in de kosten van [A] € 429,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting € 107,- per maand.

De bijdrage voor [A]

5.17.

Het tekort aan gezamenlijke draagkracht om te kunnen voorzien in de behoefte van [A] bedraagt € 53,- per maand, welk tekort aan beide ouders voor de helft wordt toegerekend. De man kan zijn aandeel in het tekort ten aanzien van [A] (€ 26,-) in mindering brengen op de aan hem toekomende zorgkorting van € 107,- per maand. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] komt daarmee op € 108,- per maand (€ 189,- minus € 81,-).

De bijdrage voor [verzoeker]

5.18.

Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht om te kunnen voorzien in de behoefte van [verzoeker] € 59,- per maand bedraagt, wordt dit tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Gelet op de meerderjarigheid van [verzoeker] is er geen sprake van zorgkorting. De man kan zijn aandeel in het tekort dus niet in mindering brengen op de zorgkorting, zodat de door de man aan [verzoeker] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie op € 214,- per maand wordt vastgesteld.

De ingangsdatum

5.19.

De man heeft de door de vrouw verzochte ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verzoeker] en van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [A] niet weersproken, zodat de rechtbank overeenkomstig het verzoek van de vrouw zal beslissen.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[A] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2]

met ingang van 7 augustus 2017 op € 108,- (honderd acht euro) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

II. bepaalt de door de man aan [verzoeker] te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie met ingang van 7 augustus 2017 op € 214,- (tweehonderd veertien euro) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

III. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2017 in tegenwoordigheid van G.H. Mensink-Heuver, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.