Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4574

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
12-12-2017
Zaaknummer
08/770267-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 56-jarige man tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 178 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het plegen van ontucht met twee patiënten tijdens zijn werk als sociotherapeut bij een GGZ-instelling. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 240 uren en mag hij zijn beroep als sociotherapeut 3 jaar lang niet uitoefenen. De man moet tevens een bedrag van ruim 10.000 euro aan schadevergoeding betalen aan zijn slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/770267-17 (P)

Datum vonnis: 12 december 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C. Fahner en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. M.E. Klein Overmeen, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, tweemaal ontucht heeft gepleegd met vrouwen die aan zijn zorg waren toevertrouwd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met februari 2015 te Franeker en/of Leeuwarden en/of in Nederland, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, althans in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd

met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt en/of cliënt aan de GGZ en/of verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens)

- die [slachtoffer 1] omhelsd/geknuffeld en/of

- die [slachtoffer 1] hem laten aftrekken en/of

- zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of

- zijn tong in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en/of

- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2014 tot en met 12 december 2016 te Franeker en/of Leeuwarden en/of in Nederland, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, althans in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg,

ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt en/of cliënt aan de GGZ en/of aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens)

- die [slachtoffer 2] omhelsd/geknuffeld en/of

- die [slachtoffer 2] hem laten aftrekken en/of

- zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of

- zijn tong in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of

- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht zowel het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de (seksuele) relatie tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer 1] in augustus 2013 is aangevangen en dat deze heeft geduurd tot en met december 2014 en dat in die periode alle tenlastegelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de (seksuele) relatie tussen verdachte en mevrouw [slachtoffer 2] reeds was aangevangen toen tussen hen nog een behandelrelatie bestond. Als einddatum van de bewezen te verklaren periode dient naar het oordeel van de officier van justitie, hoewel de relatie tussen verdachte en aangeefster daarna nog voortduurde, aansluiting te worden gezocht bij de dag waarop de behandeling van aangeefster bij de GGZ formeel is geëindigd, namelijk op 22 mei 2015.

4.1

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij een seksuele relatie heeft gehad met zowel mevrouw [slachtoffer 1] (feit 1) als mevrouw [slachtoffer 2] (feit 2). Verdachte heeft daarover ter terechtzitting aangegeven zich niet te kunnen herinneren of hij mevrouw [slachtoffer 1] ook heeft gebeft maar hij heeft bevestigd dat de overige tenlastegelegde seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft verder verklaard dat de relatie met [slachtoffer 2] is begonnen nadat de behandelrelatie al was beëindigd.

De raadsman van verdachte heeft - primair - vrijspraak bepleit van beide tenlastegelegde feiten.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde heeft hij daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat geen sprake is van 'ontucht', nu de intentie en instemming om een relatie aan te gaan bij zowel verdachte als aangeefster [slachtoffer 1] aanwezig waren, dat sprake was van wederkerigheid en dat niet is gebleken van afwezigheid van vrijwilligheid en/of een hiërarchische verhouding, laat staan van enige daaruit voortvloeiende druk of dwang. De raadsman heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997, 485.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte ten tijde van de relatie met mevrouw [slachtoffer 2] geen behandelrelatie meer met haar had en in de tweede plaats dat geen sprake is van 'ontucht', waartoe hij dezelfde argumenten heeft aangevoerd als in de zaak van mevr. [slachtoffer 1] .

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De aan verdachte tenlastegelegde feiten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte vast dat verdachte in de periode van 1 augustus 2012 (begin feit 1 volgens de tenlastelegging) tot en met 12 december 2016 (eind feit 2 volgens de tenlastelegging) werkzaam was als sociotherapeut bij de GGZ.

Verder stelt de rechtbank met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat zij een seksuele relatie hebben gehad in de periode van augustus 2013 tot en met december 2014. Uit voornoemde verklaringen komt kortgezegd naar voren dat verdachte aangeefster in 2012 heeft ontmoet op een afdeling voor personen met een eetstoornis, maar dat pas later een relatie tussen hen is ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de verklaring van aangeefster vanaf augustus 2013 van een seksuele relatie worden gesproken, die in december 2014 of januari 2015 is beëindigd. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte uitgaan van december 2014 als eindpunt van deze relatie. De rechtbank heeft verder, in het licht van de seksuele handelingen waarover zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard, geen reden om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat zij gedurende die relatie ook een keer door verdachte is gebeft. De rechtbank stelt ten slotte op grond van deze verklaringen vast dat verdachte gedurende hun relatie tevens (een) behandelaar was van aangeefster.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde stelt de rechtbank op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte ter terechtzitting vast dat ook zij een seksuele relatie hebben gehad. Verdachte heeft verklaard dat de behandelrelatie in december van 2014 is beëindigd en dat de seksuele relatie in januari 2015 is aangevangen, terwijl aangeefster heeft verklaard dat de seksuele relatie al in september 2014, dus nog tijdens de behandeling, is begonnen.

De rechtbank overweegt dat aangeefster haar verklaring dat zij en verdachte op 5 september 2014 voor het eerst hebben getongzoend, heeft onderbouwd met door haar overgelegde

e-mailberichten van 7 september 2014, waarin wordt gesproken over 5 september 2014 en waarin verdachte onder meer e-mailt naar aangeefster dat hij verward is over zijn gedachten en het gevoel heeft dat hij het daar samen met aangeefster over moeten hebben. Uit deze mailwisseling kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat zich tussen aangeefster en verdachte in elk geval iets heeft voorgedaan dat impact op hen beiden heeft gehad. Relatief kort daarna, op 16 september 2014, hebben verdachte en aangeefster bovendien opnieuw een mailwisseling waaruit onmiskenbaar sprake is van flirten. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van deze mailwisselingen geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat de eerste tongzoen op 5 september 2014 plaatsvond en zal daarvan dan ook uitgaan. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de inhoud van voornoemde e-mailwisselingen minder goed valt te rijmen met de verklaring van verdachte dat de seksuele relatie tussen hem en aangeefster pas in januari 2015 is aangevangen, terwijl verdachte de door hem genoemde aanvangsperiode ook niet gemotiveerd heeft onderbouwd. De seksuele relatie tussen verdachte en aangeefster is blijkens hun verklaringen beëindigd in december 2016. De rechtbank stelt daarnaast vast dat verdachte tot 11 december 2014 feitelijk (mede)behandelaar van aangeefster was, en dat aangeefster op 22 mei 2015 formeel bij de GGZ is uitgeschreven.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de seksuele relatie tussen verdachte en aangeefster is begonnen op een moment waarop tussen hen een behandelrelatie bestond, terwijl de seksuele relatie heeft voortgeduurd tot na het moment van beëindiging daarvan. . Naar het oordeel van de rechtbank was er na 22 mei 2015 geen sprake meer van een formele of feitelijke behandelrelatie, zodat aangeefster na die datum niet langer aan verdachtes zorg was toevertrouwd in de zin van artikel 249 Wetboek van Strafrecht (Sr).

De raadsman heeft onder verwijzing naar HR NJ 1997, 485 ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten betoogd dat geen sprake is van 'ontucht' omdat, kortgezegd, sprake was van een relatie met wederzijdse instemming zonder dat daarbij druk of dwang is uitgeoefend door verdachte.

Artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3° (Sr is onder meer in het leven geroepen om de patiënt of cliënt te beschermen tegen misbruik van het psychisch overwicht dat de hulpverlener op hem heeft of van de afhankelijke positie van de patiënt of cliënt dan wel van het vertrouwen dat hij van hem heeft gewonnen (vgl. HR 2 februari 2003, NJ 2004/78).

Deze strafbaarstelling geldt voor alle gevallen waarin tussen de betrokkenen een relatie als bedoeld in deze wetsbepaling bestaat. Er is slechts dan geen sprake van 'ontucht plegen', wanneer die relatie bij de seksuele handelingen geen rol speelt, in die zin dat bij de patiënt of cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest (vgl. HR 18 februari 1997, NJ 1997/485).

De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat is bepleit dat geen sprake is geweest van ontucht, omdat de relaties vrijwillig zijn aangegaan en enige vorm van afhankelijkheid ontbrak. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting enerzijds naar voren komt dat beide aangeefsters op vrijwillige basis een relatie met verdachte zijn aangegaan, in die zin dat zij op dat moment verliefd op hem waren dan wel dachten verliefd te zijn, maar anderzijds dat zij achteraf gezien een andere visie en een andere beleving hebben ten aanzien van de mate van vrijwilligheid en afhankelijkheid ten tijde van de seksuele relatie.

Op grond van voornoemde jurisprudentie is bij het bestaan van een behandelrelatie in beginsel een afhankelijke positie gegeven, maar is het mogelijk dat zich uitzonderingssituaties voordoen. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich bij de onderhavige relaties niet heeft voorgedaan. De rechtbank neemt bij dat oordeel in aanmerking dat uit het dossier naar voren komt dat de relatie tussen verdachte en aangeefsters in beide gevallen juist is ontstaan vanuit de behandelrelatie, dat verdachte ongeveer 30 jaar ouder is dan aangeefsters en dat op grond van de aangiftes en overige stukken in het dossier beide aangeefsters als kwetsbare personen moeten worden aangemerkt, terwijl verdachte vanuit zijn functie van hun problematiek op de hoogte was.1 Gegeven deze omstandigheden was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van (volledig) gelijkwaardige relaties, maar heeft een zekere mate van overwicht van verdachte c.q. afhankelijkheid van aangeefsters een rol gespeeld bij het ontstaan en het voortduren daarvan. Dit wordt expliciet geïllustreerd door de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] inhoudende dat zij verdachte zag als een vaderfiguur en de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] dat zij tegen verdachte opkeek.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat enige vorm van afhankelijkheid in de relaties tussen verdachte en beide aangeefsters heeft ontbroken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom in beide gevallen sprake geweest van 'ontucht' als bedoeld in artikel 249, tweede lid, onder 3° Sr. De rechtbank acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 augustus 2013 tot en met december 2014 te Franeker en Leeuwarden, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt aan de GGZ en verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens)

- die [slachtoffer 1] geknuffeld en

- die [slachtoffer 1] hem laten aftrekken en

- zijn penis in de mond en vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en

- zijn tong in de mond en vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en

- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht;

2.

hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 22 mei 2015 te Leeuwarden, terwijl hij werkzaam was bij de GGZ, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt aan de GGZ en aan verdachtes hulp en zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte (telkens)

- die [slachtoffer 2] geknuffeld en

- die [slachtoffer 2] hem laten aftrekken en

- zijn penis in de mond en vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en

- zijn tong in de mond en vagina van die [slachtoffer 2] gebracht en

- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht;

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en zal hem daarvan vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 249 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: Werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd.

feit 2

het misdrijf: Werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd.

6 De strafbaarheid van verdachte

6.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft - subsidiair - bepleit dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met al de bijzondere omstandigheden van het geval, in het bijzonder de omstandigheden die speelden in zowel de relatie tussen verdachte en aangeefsters, de privé/familiesfeer, de werkomstandigheden, de psychische toestand van verdachte als beschreven door de reclassering en door de psychotherapeut, het de weg kwijt zijn, de burn-outklachten, de bekentenis van verdachte, het first-offenderschap, het zich vrijwillig onder behandeling stellen, het (blijvend) tonen van zelfinzicht door zijn beroep niet meer te willen doen en het willen maken van excuses.

6.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet expliciet over het beroep op afwezigheid van alle schuld uitgelaten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de door de raadsman aangevoerde omstandigheden niet inhouden dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen, noch dat verdachte in zijn handelen jegens aangeefsters de maximaal van hem te vergen zorg heeft betracht, terwijl daarvan uit het dossier ook geenszins is gebleken. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt daarom verworpen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod gedurende de proeftijd van 3 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen straf behoort te worden opgelegd. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met al de bijzondere omstandigheden van het geval, in het bijzonder met de omstandigheden die speelden in zowel de relatie tussen verdachte en aangeefsters, de privé/familiesfeer, de werkomstandigheden, de psychische toestand van verdachte als beschreven door de reclassering en door de psychotherapeut, het de weg kwijt zijn, de burn-outklachten, de bekentenis van verdachte, het first-offenderschap, het zich vrijwillig onder behandeling stellen, het (blijvend) tonen van zelfinzicht door zijn beroep niet meer te willen doen en het willen maken van excuses.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft met twee vrouwen een seksuele relatie gehad, terwijl zij in zijn hoedanigheid van sociotherapeut aan zijn zorg waren toevertrouwd. Het is ernstig dat verdachte misbruik heeft gemaakt, juist van patiënten die toch al worstelden met meervoudige persoonlijkheidsproblematiek en een getekende levensgeschiedenis. Verdachte had uit hoofde van zijn functie kennis van hun problematiek en moet zich, mede gezien zijn ruime werkervaring als sociotherapeut, van de kwetsbaarheid van aangeefsters terdege bewust zijn geweest. Uit de verklaringen die verdachte heeft afgelegd bij de politie en ter terechtzitting komt naar voren dat hij - mede onder invloed van het overlijden van zijn moeder en daaropvolgende burn-outklachten - niet de distantie wist te bewaren die van hem als hulpverlener mocht worden verwacht en dat hij zich in plaats daarvan onprofessioneel heeft opengesteld voor geleidelijk groeiende gevoelens van affectie en verliefdheid voor aangeefsters. Gedurende dat proces is hij kennelijk niet in staat geweest het kwalijke van deze gevoelens tijdig te onderkennen en te voorkomen dat hij daarop zou acteren. Hoewel verdachte daadwerkelijk verliefd denktte zijn geworden op beide aangeefsters en het in algemene zin goed met hen voor lijkt te hebben gehad, blijkt uit het dossier ook dat hem enig opportunisme en sturend gedrag in de bejegening van aangeefsters kan worden verweten. Uit de aangiftes en de op schrift gestelde slachtofferverklaringen komt naar voren dat beide aangeefsters nog altijd veel last ondervinden van de bewezenverklaarde feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting onderkend dat zijn gedrag fout is geweest en heeft daarover spijt betuigd, waarbij hij een oprechte indruk heeft gemaakt.

Bij haar oordeel heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 8 november 2017 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit een reclasseringsrapport van 7 juli 2017 en uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt verder naar voren dat ook verdachte consequenties heeft ervaren van zijn handelen. Hij heeft zijn baan bij ' [instelling 1] ' verloren nadat de onderhavige feiten aan het licht zijn gekomen en heeft voor zichzelf de beslissing genomen dat hij in de toekomst niet opnieuw in de zorg actief zal zijn.

Verdachte heeft op persoonlijk vlak verklaard dat hij is ingestort nadat hij de relaties met aangeefsters aan zijn gezin heeft opgebiecht. Wekelijks volgt hij op vrijwillige basis psychotherapie om aan zijn problematiek te werken. Blijkens een schrijven van de therapeut van 14 november 2017 toont hij daar inzet en is hij in staat tot zelfreflectie. Verdachte is met zijn echtgenote verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en vanwege gevoelens van schaamte over de feiten en angst voor de reacties van anderen laat hij zich niet of nauwelijks meer in het openbare leven in zijn woonplaats zien. De reclassering acht de kans op recidive gering wanneer verdachte niet opnieuw in een setting gaat werken met kwetsbare vrouwen en acht op basis daarvan een beroepsverbod geïndiceerd.

De rechtbank acht, alle omstandigheden afwegende, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, in het onderhavige geval niet opportuun. Wel zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur opleggen en verdachte ontzetten van het recht het beroep van sociotherapeut uit te oefenen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Om de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking te brengen in de strafmaat, acht de rechtbank daarnaast een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren passend en geboden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 26.603,83 (zegge: zesentwintigduizend zeshonderddrie euro en drieëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De gevorderde materiële schade bestaat voor € 1218,83 uit reiskosten en voor € 385,00 aan kosten voor het eigen risico voor zorg. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 25.635,71 (zegge: vijfentwintigduizend zeshonderdvijfendertig euro en eenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat voor € 635,71 uit reiskosten. Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] wegens immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 15.000,- en dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] wegens immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 10.000,-. Ten aanzien van de vorderingen tot materiële schadevergoeding van beide benadeelde partijen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze geheel toegewezen dienen te worden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd ten aanzien van beide vorderingen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman zich primair, kortgezegd, op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat zij een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. Subsidiair zijn de opgevoerde schadeposten betwist en is bepleit, in het geval de rechtbank de vordering(en) toewijst, de omvang van de gevorderde bedragen te matigen.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten schade heeft toegebracht aan de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (feit 1) en [slachtoffer 2] (feit 2). In de onderhavige gevallen dringt zich, in aanmerking genomen de onmiskenbare predispositie van beide benadeelde partijen, de vraag op of en zo ja, in hoeverre kan worden vastgesteld dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank overweegt dat de gevorderde reiskosten, voor zover deze betrekking hebben op de reis van en naar de terechtzitting van 28 november 2017, voldoende zijn onderbouwd en zonder meer als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde feiten kunnen worden aangemerkt. Deze kosten zullen daarom volledig toegewezen. In het geval van benadeelde partij [slachtoffer 1] betreft dit een bedrag van € 51,07 en in het geval van benadeelde partij [slachtoffer 2] gaat het om een bedrag van € 59,92, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.

De overige gevorderde reiskosten betreffen meerdere reizen van en naar therapie. Naar het oordeel van de rechtbank kan van deze kosten, alsook van de gevorderde immateriële schade en de door benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderde kosten voor het eigen risico voor zorg, niet zonder meer worden vastgesteld dat zij in volle omvang rechtstreeks voortvloeien uit de bewezenverklaarde feiten. Dat neemt niet weg dat wel is komen vast te staan dat de benadeelde partijen schade hebben geleden ten gevolge van de bewezenverklaarde feiten. Enkel de (exacte) omvang daarvan kan in dit stadium niet eenvoudig worden vastgesteld. De rechtbank ziet aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van deze schade voor naar redelijkheid en billijkheid voor beide benadeelde partijen afzonderlijk op dit moment vastgesteld kan worden op € 5000,-, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank zal de vorderingen tot zover toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal ten aanzien van beide vorderingen van de benadeelde partijen de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1 ( [slachtoffer 1] ) en 2 ( [slachtoffer 2] ) is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 36f en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: Werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd.

feit 2

het misdrijf: Werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 178 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaren schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat per dag twee uren aftrek plaatsvindt;

- ontzet verdachte van het recht het beroep van sociotherapeut uit te oefenen voor de duur van 3 (drie) jaren.

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van

€ 5.051,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2015;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.051,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2013 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] , voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 5.059,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 5.059,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 december 2016 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de

betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. R.M. van Vuure en

mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.

Buiten staat

Mr. Van Vuure is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Noord-Nederland, onderzoek [nummer] . Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina's van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Met betrekking tot feit 1

1. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster, p.82-95:

V = vraag verbalisant.

A = antwoord aangeefster.

V: Probeer in een rustig tempo en zoveel mogelijk in chronologisch volgorde je verhaal te doen.

A: Vanaf 2012 kwam ik in behandeling bij afdeling eetstoornissen op het [instelling 2] te Leeuwarden. Toen ik daar begon vertelde men mij dat ik mogelijk recht had op een Wajong uitkering en dat ik dan contact op moest nemen met [verdachte] .

De eerste afspraak was toen augustus 2012.

(….)

In mei 2013 heb ik tegen een mede cliënt van “eetstoornissen” gezegd dat ik [verdachte] zag

als een vader figuur. Deze mede cliënt zei toen dat ik dit tegen [verdachte] moest zeggen.

Ik heb haar advies opgevolgd en het [verdachte] verteld dat ik hem als een vader figuur zag.

Ik heb [verdachte] toen op een gegeven moment apart genomen. Ik moest toen huilen en heb het

hem toen verteld. Ik huilde omdat ik bang was om het contact te verliezen met [verdachte] .

Ik vertelde hem toen huilend dat ik hem als een vader figuur zag. [verdachte] had toen ook

tranen in zijn ogen en hij vertelde mij dat het geen probleem was. Hij vertelde mij

dat hij, [verdachte] , mij ook als een dochter zag.

Toen in die tijd was er nog niets intiems, maar hij masseerde mijn schouders wel,

knuffelde mij. Als ik tranen had, na een therapie bijvoorbeeld, dan bleven wij even nazitten en knuffelde hij mij.

V: Waarom kwam je in behandeling bij het GGZ ?

A: Voor mijn anorexia. Ik kreeg een psychologisch onderzoek. Daaruit kwam naar voren

dat ik nogal twijfelde aan mijn persoonlijkheid. Ik werd gediagnosticeerd met PTSS en

ik had een zelfondermijnende persoonlijkheidsstoornis.

V: Wat gebeurt er daarna?

A: Ik zag hem dus heel vaak. Ik zat intern, dus ik kon vaak bij hem aankloppen. Andere

therapeuten zeiden wel eens tegen mij, waarom ik altijd naar [verdachte] ging en niet bij hen kwam.

Ongeveer in de maand augustus 2013 ging het niet goed met mij. [verdachte] zei dat hij zich

veel zorgen om mij maakte. Hij ging echter wel op vakantie. Hij zei tegen mij dat hij

op vakantie ging en heel vervelend om mij zo achter ten laten. Hij zei tegen mij dat

het goed zou, voor mij om er ook even tussen uit te gaan. Ik moest dat maar even

aanvragen. Hij ging een midweekje naar Terschelling met zijn vrouw. Zijn vrouw had al

tegen hem gezegd, zo vertelde hij in dat gesprek, dat hij meer afstand van mij moest

nemen. Hij ze tegen mij dat hij geen afstand van mij zou nemen. Hij zei tegen mij dat

Terschelling misschien wei wat voor mij zou zijn om naar toe te gaan. Ik vond dat een

leuk idee. Ik ben toen ook naar Terschelling gegaan.

Ik had het niet naar de zin en moest veel huilen.

Op dat moment stuurde hij mij een sms-bericht waarin hij vroeg hoe het met mij ging.

Ik schreef terug dat het niet goed ging. Hij belde mij en zei tegen mij dat ik wel

even bij ben op de camping kon komen. Ik ben daar toen naar toe gegaan. Toen ik daar kwam ging zijn vrouw weg. Ik heb toen met hem gesproken. Daarna ben ik weggegaan. Kort daarna kreeg ik een bericht of een telefoontje waarin in mij werd verteld dat ik wel terug mocht komen naar de caravan. Ik mocht daar wei wat tv kijken omdat hij en zijn vrouw uit eten gingen. Ik ben toen naar de caravan gegaan en heb daar tv gekeken, terwijl zij uit eten waren. Nadat zij terug waren gekomen heeft hij mij teruggebracht naar mijn tent. Bij het afscheid gaf hij mij een kus op de wang en knuffelde mij. De volgende ochtend heb ik een kaartje en fles wijn gekocht en die op de tafel bij de caravan neergezet.

(…)

Omstreeks september 2013 gingen wij ook regelmatig ergens heen om mij te praten. Ik had in het verleden wel eens vervelende dingen meegemaakt met jongens, geen seks of zo,

maar wel pijpen en vingeren en dat ik ze moest aftrekken. Deze jongens gingen dan

over mijn grenzen. [verdachte] wilde dan met mij daar over spreken, maar dat vond ik lastig.

Hij zei dan dat ik liet gewoon uit mijn mond moest gooien en moest zeggen dat ik hen gepijpt had. Dat was ook de periode dat hij mij begon te strelen en dergelijke. Vanuit daar werden hij steeds intiemer met mij. Hij zocht steeds meer toenadering naar mij. Ik vond dat ongemakkelijk, maar ik dacht bij mijzelf dat hij het goed bedoelde en ik wilde hem eigenlijk ook niet kwijt.

V: Wanneer is de laatste keer geweest dat jij seksueel contact had met [verdachte] ?

A: Volgens mij was dat eind 2014, begin 2015.

V: Welke seksuele handelingen hebben er plaatsgevonden tussen jou en [verdachte] ?

A: Seks, vingeren, aftrekken, pijpen, hij heeft mij één keer gebeft.

V: Wat versta jij onder seks?

A: Seks is voor mij een piemel in de vagina.

2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik werkte vanaf 1984 tot eind september 2016 bij de GGZ Friesland en voorlopers daarvan. De laatste 5 jaar werkte ik onder andere als sociotherapeut op de afdeling persoonlijkheidsstoornissen.

Ik heb [slachtoffer 1] in de herfst van 2012 ontmoet. Ik heb haar geholpen bij het aanvragen van een uitkering en bij het regelen van huisvesting. U vraagt mij of ik een soort maatschappelijk werker had die van alles voor haar regelde. Ik hielp haar met psychosociale vragen.

Het klopt dat ik een seksuele relatie met haar heb gehad. U houdt mij de in de tenlastelegging vermelde seksuele handelingen voor. Ik kan me niet herinneren of ik haar een keer gebeft heb, maar het klopt dat de overige handelingen hebben plaatsgevonden.

Met betrekking tot feit 2

1. Een proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] d.d. 13 januari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster, p.225-234:

V = vraag verbalisant.

A = antwoord aangeefster.

V: Tegen wie doe je aangifte?

A: [verdachte] , een oud behandelaar van mij bij de GGZ. [verdachte] werkte op de locatie [locatie] te Leeuwarden. Ik had hier de dagbehandeling.

V: Vertel eens in je eigen woorden wat er is gebeurd met jou en [verdachte] ?

A: Vanaf het begin van de dagbehandeling ontmoette ik [verdachte] . Ik ging al vrij snel in één op één gesprekken. Het klikte niet echt met de behandelaren en mij, maar met [verdachte] klikte het wel. Naarmate de gesprekken met [verdachte] vorderden, raakte mijn relatie na 10 jaar uit. [verdachte] kwam toen vaker bij mij langs en er kwamen toespelingen. Op een gegeven moment kwam de eerste zoen.

Op dat moment vroeg hij of we naar boven konden gaan, omdat [verdachte] zich niet prettig voelde. [verdachte] wilde toen wel meer, maar ik niet. Ik voelde mij niet goed en [verdachte] is toen naar huis gegaan. Ik was toen totaal in de war.

Enkele dagen hierna belde ik een vriend van mij waar ik ook mee in therapie had

gezeten. Blijkbaar voelde hij iets en vroeg wat er aan de hand was. Ik vertelde het

hem, waarop hij vertelde er niet blij mee te zijn. Haar als ik er wel blij mee was,

dat dit hem ook goed was.

We hebben toen via de email berichten naar elkaar verzonden en hebben er over

geschreven over hoe nu verder. [verdachte] gaf aan dat hij verliefd was, dat hij mij leuk

vond. Ik voelde mij toen wel vereerd. Het was een man waar ik tegenop keek. Die nog

steeds niet weg was gelopen en in mijn ogen heel sterk was. Ik voelde mij veilig bij

[verdachte] ! Kort na het zoenen kwam het “hand en span diensten”, ik bedoel hier aftrekken en

pijpen mee. [verdachte] gaf aan verder geen seks te willen, want dan voelde hij zich

schuldig tegenover zijn vrouw. Ik vroeg mij wel af waarom dan de “hand en spandiensten” wel konden, voelde hij zich daar niet schuldig door?

In die tijd is er wel sprake geweest van seks, wanneer weet ik niet meer. Na dat moment leek het alsof we een relatie hadden. Hij deed diverse berichtjes, we belden,

etc.

V: Wanneer is er de eerste keer seks geweest

A: Dit was zeker te weten in de [adres 2] te Leeuwarden. Met seks bedoel ik

penetratie. Waar de hand en spandiensten vallen hier ook onder in mijn ogen. Het is

seks, dan wel seksuele handelingen. Ook een vorm van penetratie, pijpen en beffen.

V: Wat was de periode dat hij afscheid had genomen van jouw hulpverlener?

A: 24 oktober 2014 was in eerste instantie de bedoeling, maar dit werd niets. Is niet

gelukt. Op 12 december 2014 is er sprake van een daadwerkelijk afscheid. Daarna heeft

de GGZ Friesland gedacht dat dit ook het einde van het contact was tussen [verdachte] en mij.

V: Hoe lang hadden jullie toen een seksuele relatie

A: Geen idee, staat in de berichten die jullie hebben. Valt zoenen daar ook onder.

V: Ja zou kunnen. Wanneer was de eerste tongzoen

A: Dit was op 5 september 2014. Dit staat ook in mijn berichten naar jullie toe.

V: Wanneer was jouw behandeling gestopt bij de GGZ?

A: Dit was 22 mei 2015 volgens mijn rapportages.

V: Is jullie relatie beëindigd en zo ja, wanneer

A: Ja de relatie is beëindigd. Volgende mij begin december 2016.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] d.d. 24 februari 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster, p.247-250:

V = vraag verbalisant.

A = antwoord aangeefster.

O = opmerking verbalisant.

V: Je hebt ons een heleboel mails gestuurd, waarin je aangeeft hoe jouw relatie met [verdachte] was en dat jullie na verloop van tijd een seksuele relatie kregen toen jij nog in behandeling was van het GGZ en hij jouw hulpverlener was.

A: Ja.

V: Ik laat je een van deze mails zien, die jij naar [verdachte] verstuurd hebt, d.d. 7 september

2014, te 11.39 uur.

O: Verbalisant laat bijgevoegde mail, genummerd 1, zien.

A: Ik lees de mail voor:

Hoi, hoe is het met je? Al druk geweest met je huiswerk :P (als je wil zoek ik even die handleding van die module op) Ik wilde je alleen even laten weten dat er nu minimaal anderhalve dag voorbij is (smiley) het o.k. gaat. Ondanks dat ik mijn gedachten en gevoel amper kan volgen probeer ik erbij te blijven, mezelf terug te roepen etc. Het is chaos maar ik probeer er niet in vast te blijven

zitten.. Go with the flow ofzo :P Ben je nog in de problemen gekomen vrijdag? Tot snel!

Groetjes [slachtoffer 2] .

V: Dit is de mail die jij verstuurd hebt naar [verdachte] ?

A: Ja.

V: Wat bedoelde je met ‘dat er nu minimaal anderhalve dag voorbij is (smiley) het o.k. gaat.

Ondanks dat ik mijn gedachten en gevoel amper kan volgen probeer ik erbij te blijven,

mezelf terug te roepen etc. Het is chaos maar ik probeer er niet in vast te blijven zitten.. Go

with the flow ofzo :P?

A: Dat anderhalve dag daarvoor hij op huisbezoek tussen aanhalingstekens was, hij mij gezoend

heeft en we uiteindelijk op bed zijn beland.

V: In je vorige verklaring gaf je namelijk aan dat jullie eerste tongzoen is geweest op 5 september

2014?

A: Ja.

V: Ik heb hier een volgende mail; van [verdachte] . Deze is van dezelfde dag d.d. 7 september 2014 te

12.24

uur.

O: Verbalisant laat bijgevoegde mail, genummerd 2, zien.

Ik lees de mail voor;

Hoi [slachtoffer 2] , (….)

En w.b. vrijdag. Ja, ik kreeg de shit over mijn heen van collegae van het mobiele team. Kan ik niet meer maken hahaha. En ik denk hetzelfde te hebben als jij. Ik ben verward over mijn gedachten en gevoel en merk wel dat wij het daar samen over moeten hebben. Alleen het verschil is dat het geen chaos is in mijn hoofd. Ik probeer jou morgen of overmorgen even te bellen.

Groet,

Student [verdachte]

V: Is dit de mail die [verdachte] jou dezelfde dag heeft teruggestuurd?

A: Ja.

V: Wat bedoelde [verdachte] met: En ik denk hetzelfde te hebben als jij. Ik ben verward over mijn

gedachten en gevoel en merk wel dat wij het daar samen over moeten hebben. Alleen het

verschil is dat het geen chaos is in mijn hoofd.?

A: Ik denk dat hij misschien toen wel wat in de war was over wat hij had gedaan. Maar dat hij

hetzelfde voelde als ik denk ik niet. Want volgens mij was hij er best wel content mee wat er

gebeurd was.

V: Wat bedoel je met content?

A: Dat hij dat wel goed vond wat er gebeurde.

V: Heb je het er verder nog met hem over gehad?

A: Hm ja. Hij heeft me gebeld voor een afspraak en toen kwam hij bij mij thuis. En toen zei hij iets als dat het niet kon en bla bla en toen gebeurde het weer.

V: En wat bedoel je met het gebeurde weer?

A: Dat hij weer wilde zoenen en naar bed en daar dingen doen.

3. Een schriftelijk stuk, te weten een weergave van e-mailberichten van aangeefster [slachtoffer 2] naar verdachte en vice versa d.d. 16 september 2014, voor zover inhoudende:

Di 16/09/2014-16:00 [slachtoffer 2] mailt: Hoi, nog één dingetje;) Ik ben lid van iets waardoor ik iedere avond om 00.00 uur een mailtje krijg met een “gedachte” van dichters, filosofen, schrijvers, zangers etc. Nu zat deze er tussen en ik kon niet anders dan heel hard lachen! en misschien zit er wel een kern van waarheid in” “Wie zichzelf verliest in passie, verliest minder dan wie passie verliest.”

Di 16/09/2014-16:16 [verdachte] mailt: “Haha, hier doen wij iets mee!”

Di 16/09/2014-16:18 [slachtoffer 2] mailt: “Doen wij dat al of gaan wij dat doen”

Di 16/09/2014-16:18 [verdachte] mailt: “Wat wil jij””

Di 16/09/2014-16:20 [slachtoffer 2] mailt: “Beide” Wat vind/wil jij””

Di 16/09/2014-16:20 [verdachte] mailt: “Ik ook haha. Dus pas maar op”

Di 16/09/2014-16:22 [slachtoffer 2] mailt: “haha ;) gelukkig”

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 28 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Ik kende [slachtoffer 2] vanuit mijn functie als hoofdbehandelaar. Begin december 2014 is de behandelrelatie met haar beëindigd. Ook op haar ben ik verliefd geworden, waarna een seksuele relatie is ontstaan. U houdt mij de in de tenlastelegging vermelde seksuele handelingen voor. Het klopt dat deze handelingen hebben plaatsgevonden.

1 Zie naast beide aangiftes ook het behandelplan van [slachtoffer 1] , p.96 e.v., en een e-mailbericht van [slachtoffer 2] aan verdachte d.d. 20-12-2013, p. 256.