Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4503

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
C/08/198157 / HA ZA 17-82
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6:167 BW, onrechtmatig handelen. Geen sprake van een voor rectificatie in de zin van artikel 6:167 BW vatbare uitspraak. Afwijzing publiek excuus. Het handelen van gedaagde is wel onrechtmatig, maar de rechtbank komt niet toe aan het toekennen van een immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0935
AR 2017/6411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/198157 / HA ZA 17-82

datum vonnis: 22 november 2017

Vonnis van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen [eiser] ,

advocaat: mr. P.J. Jans te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde] ,

advocaat: mr. B.M.B. Gruppen te Groningen.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft op 24 mei 2017 een tussenvonnis gewezen. Ingevolge dat tussenvonnis heeft er op 7 september 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Van hetgeen is besproken is buiten aanwezigheid van partijen een proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

Bij brief van 21 september 2017 respectievelijk 26 september 2017 hebben partijen zich over de inhoud van het proces-verbaal uitgelaten.

1.3.

Voorafgaand aan de comparitie hebben partijen nog producties overgelegd.

Op 11 augustus 2017 is bij de rechtbank een productie 9 van [gedaagde] ingekomen en

op 23 augustus 2017 een akte wijziging van eis met de producties 7 tot en met 10 van [eiser] .

1.4.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat in deze zaak van het navolgende uit.

2.2.

[gedaagde] en [eiser] zijn beiden lid van de tennisclub Groninger Lawn Tennis Bond (hierna ook GLTB).

2.3.

Op 8 mei 2016 heeft er een woordenwisseling plaatsgevonden tussen [eiser] en

[gedaagde] naar aanleiding van een kapot gevallen glas (hierna ook te noemen het eerste incident).

2.4.

[eiser] heeft zich de dag na de woordenwisseling bij brief van 9 mei 2016 bij de president van de rechtbank Noord-Nederland, waar [gedaagde] als rechter werkzaam is, beklaagd over [gedaagde] .

2.5.

Tevens heeft [eiser] zich bij het bestuur van de tennisclub, de KNLTB en de politie beklaagd en aangifte jegens [gedaagde] gedaan ter zake bedreiging, belediging, discriminatie en smaad.

2.6.

Als productie 9 heeft [gedaagde] een brief d.d. 2 juni 2017 van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam overgelegd. Hierin staat, voor zover van belang:

“(…) Op mijn parket is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt. Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet (verder) te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel: er onvoldoende bewijs is. (…)”

2.7.

Op 29 mei 2016 heeft een tweede incident plaatsgevonden. [gedaagde] zat op het terras van de tennisclub. [eiser] arriveerde en ging een meter of vijf van [gedaagde] vandaan zitten. [gedaagde] ging vervolgens naast [eiser] zitten en sprak hem aan.

2.8.

[eiser] heeft dit gesprek opgenomen.

2.9.

Eveneens op 29 mei 2016 heeft [eiser] filmopnames gemaakt van [gedaagde] en de heer [A] (hierna [A] ), althans de schijn gewekt daarvan.

2.10.

Naar aanleiding van de klacht van [eiser] bij de KNLTB heeft de KNLTB een tuchtprocedure opgestart en op 3 oktober 2016 uitspraak gedaan.

2.11.

De tuchtcommissie van de KNLTB heeft geoordeeld dat door onderzoek was komen vast te staan dat [gedaagde] zich op 29 mei 2016 schuldig had gemaakt aan wangedrag door het maken van kleinerende en/of intimiderende opmerkingen en gedragingen jegens [eiser] hetgeen indruist tegen de Algemene Gedragscode van de KNLTB en in strijd is met de statuten van de KNLTB (artikel 6 lid 1). Als straf heeft de tuchtcommissie [gedaagde] verboden om gedurende vier maanden deel te nemen aan door de KNLTB georganiseerde wedstrijden.

2.12.

[gedaagde] heeft beroep aangetekend tegen deze uitspraak. De commissie van beroep heeft op 5 december 2016 uitspraak gedaan. De commissie van beroep oordeelde gelijk als de tuchtcommissie dat de uitlatingen van [gedaagde] jegens [eiser] d.d. 29 mei 2016 zijn te kwalificeren als wangedrag in de zin van de Algemene Gedragscode van de KNLTB.

De commissie zag aanleiding de opgelegde straf te verminderen en te beperken tot een tuchtrechtelijke berisping.

2.13.

[gedaagde] heeft over de bejegening door [eiser] op de tennisclub ook een officiële klacht ingediend bij de KNLTB. De tuchtcommissie heeft bij beslissing van 3 oktober 2016 geoordeeld dat er onvoldoende bewijs was dat [eiser] zich schuldig zou hebben gemaakt aan wangedrag.

2.14.

[gedaagde] heeft hiertegen beroep aangetekend bij de commissie van beroep van de KNLTB.

2.15.

Uit de beslissing van de commissie van beroep van de KNLTB volgt dat het hoger beroep niet is gericht tegen de vrijspraak van het gedrag van [eiser] op 8 mei 2016, maar alleen is gericht tegen de uitspraak van de tuchtcommissie over het filmen op 29 mei 2016 en derhalve niet tegen de daarbij gemaakte opmerkingen van [eiser] . De commissie van beroep is daarom alleen daarop ingegaan.

2.16.

De commissie van beroep heeft op 5 december 2016 uitspraak gedaan.

De commissie heeft het inhoudelijke bezwaar van [gedaagde] gegrond geacht en bewezen geacht dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in het clubhuis van de Groninger Lawn Tennis Bond, te weten met een mobiele telefoon maken van filmopnames van de heer [gedaagde] en de heer [A] – althans de schijn daarvan – terwijl het duidelijk was dat betrokkenen daarvan niet gediend waren.

2.17.

De Commissie had het liefst [eiser] schuldig bevonden zonder een straf op te leggen, maar Het Reglement Fair Play van de KNLTB gaf die mogelijkheid niet (zie overweging 6.5 van de uitspraak van Commissie van Beroep van de KNLTB).

2.18.

De Commissie heeft [eiser] een tuchtrechtelijke waarschuwing als straf opgelegd.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] heeft voorafgaand aan de comparitie bij akte van 7 september 2017 zijn eis gewijzigd. [eiser] vordert na eiswijzing kort samengevat dat:

- de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie op de website van de tennisclub;

- de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen uitlatingen te doen en/of zich te gedragen op een wijze gelijk aan een wijze als omschreven en weergegeven in de uitspraken van de KNLTB met nummers TR 2016-12 en 2016-12B;

- de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] te betalen het bedrag van € 5.726,- alsmede de kosten van de procedure inclusief de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Voor zover van belang zal hieronder op de stellingen en het verweer nader worden ingegaan.

4 De motivering van de beslissing

4.1.

[eiser] vordert onder meer dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen tot het plaatsen van de volgende rectificatietekst op de site van de tennisclub:

“Aan allen die dit lezen: voor diegenen die getuige zijn geweest van de onenigheden tussen mij ( [gedaagde] ) en de heer [eiser] dan verklaar ik hierbij dat de heer [eiser] daar op geen enkele wijze voor verantwoordelijk is geweest noch de aanstichter en dat de oorzaak van die incidenten geheel bij mij ligt. Mijn excuses voor eenieder en in het bijzonder de heer [eiser] die door mijn gedragingen hinder hebben ondervonden”

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat deze vordering dient te worden afgewezen. Van een publicatie aan de zijde van [gedaagde] die voor rectificatie vatbaar is als bedoeld in artikel 6:167 BW, is geen sprake.

4.3.

Voor zover geen rectificatie maar een publiek excuus als grondslag wordt bedoeld, is de rechtbank van oordeel dat ook op grond hiervan de vordering niet kan worden toegewezen nu de gevorderde te plaatsen tekst niet overeenstemt met de feiten zoals die volgen uit de stukken en het verklaarde ter zitting.

4.4.

Uit de beslissing van de commissie van beroep volgt immers dat ook [eiser] zich op 29 mei 2016 heeft schuldig gemaakt aan wangedrag.

4.5.

Voorts volgt ook uit het navolgende niet dat [eiser] op geen enkele wijze verantwoordelijk is voor de ontstane onenigheden, dan wel dat de oorzaak hiervan geheel bij

[gedaagde] ligt.

4.6.

Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat hij de-escalerend te werk zou zijn gegaan en dat een excuses van [gedaagde] na het eerste incident genoeg zou zijn geweest. Volgens

[eiser] heeft hij enkele weken na het eerste incident een brief aan de president van de rechtbank geschreven omdat excuses aan de zijde van [gedaagde] uitbleven.

4.7.

Ter comparitie is echter vast komen te staan dat die verklaring van [eiser] niet juist is. Vast is immers komen te staan dat [eiser] direct na het eerste incident op 8 mei 2016 zich bij brief van 9 mei 2016 heeft beklaagd bij de president van de rechtbank Noord-Nederland. Ook heeft [eiser] direct na het eerste incident een klacht ingediend bij het bestuur van de tennisclub, de KNLTB en de politie. Die klachten zijn vervolgens in behandeling genomen.

4.8.

Dat [eiser] de-escalerend te werk is gegaan en [gedaagde] ruimte heeft gegeven voor het maken van excuses, volgt hieruit derhalve niet. Hieruit volgt juist het tegendeel.

4.9.

De rechtbank heeft de overtuiging dat mede hierdoor, met name door het direct indienen van een officiële klacht bij de president van de rechtbank Noord-Nederland, waar [gedaagde] als rechter werkzaam is, de zaak is geëscaleerd.

4.10.

Dat [eiser] voor de onenigheden op geen enkele wijze verantwoordelijk is geweest, noch de aanstichter is en dat de oorzaak van die incidenten geheel bij [gedaagde] ligt, volgt uit het bovenstaande derhalve niet. Tot het plaatsen van een dergelijke tekst kan [gedaagde] dan ook niet worden veroordeeld. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

4.11.

De vordering als vermeld onder punt 2 in de akte wijziging van eis kan evenmin worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat deze te algemeen is geformuleerd en daardoor te onbepaald is om te kunnen toewijzen. Onduidelijk is dan wanneer door [gedaagde] dwangsommen zouden zijn verbeurd.

4.12.

Tevens is de rechtbank van enig belang bij toewijzing van deze vordering niet gebleken.

4.13.

[eiser] stelt dat deze wijziging van eis is ingegeven door het feit dat [gedaagde] de confrontatie blijft opzoeken. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd bestreden.

4.14.

[eiser] stelt ter onderbouwing dat [gedaagde] tot twee keer toe verhaal zou zijn gaan halen bij [eiser] over de kwestie met [A] .

4.15.

Niet is weersproken en dus staat vast dat dit ‘verhaal halen’ zich afspeelde vóór

8 mei 2016, derhalve voordat het eerste incident plaatsvond. Dat [gedaagde] na 29 mei 2016 de confrontatie is blijven opzoeken onderbouwt [eiser] niet en is de rechtbank niet gebleken.

4.16.

Het belang bij toewijzing van deze vordering ontbreekt tevens omdat

[gedaagde] zich, net als ieder ander KNLTB-lid, ook zonder een veroordeling hiertoe dient te gedragen conform de gedragsregels van de KNLTB. Een vordering met oplegging van een dwangsom is hiervoor niet nodig. De KNLTB kent een eigen sanctiesysteem bij niet nakoming hiervan. Ook dit deel van de vordering dient derhalve te worden afgewezen.

4.17.

Tenslotte vordert [eiser] € 5.726,- aan schadevergoeding inclusief € 726,- buitengerechtelijke incassokosten.

4.18.

[eiser] stelt hiertoe - samengevat - dat hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] imagoschade heeft geleden en alsnog lijdt.

4.19.

[eiser] noemt het onrechtmatig handelen van [gedaagde] als grondslag voor zijn vordering. De rechtbank begrijpt dat hiermee het handelen wordt bedoeld waarvoor

[gedaagde] door de commissie van beroep een tuchtrechtelijke berisping heeft gekregen.

Van ander onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens [eiser] is de rechtbank niet gebleken.

4.20.

[gedaagde] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en gehouden is tot het vergoeden van schade.

4.21.

De rechtbank is het met de beoordeling van de commissie van beroep eens dat

[gedaagde] zich op 29 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan wangedrag op het terras van de Groninger Lawn Tennisbond door het ongevraagd en ongewenst plaatsnemen naast de heer [eiser] op het terras, het dreigen met financieel-economische ondergang van de heer [eiser] als gevolg van het door [gedaagde] te leggen beslag op de bezittingen en inkomsten van de heer [eiser] .

4.22.

[gedaagde] heeft daarmee de grenzen van het toelaatbare overschreden. [gedaagde] had eerder om moeten draaien, eerder moeten stoppen en weg moeten gaan.

4.23.

[gedaagde] heeft in strijd gehandeld met artikel 6 lid 1 van de Statuten van de KNLTB en de artikelen 5 en 6 van de Algemene Gedragscode van de KNLTB en is hiervoor tuchtrechtelijk berispt. Het handelen van [gedaagde] is hiermee onrechtmatig.

4.24.

Tot het toekennen van immateriële schadevergoeding als gevolg van dit onrechtmatig handelen komt de rechtbank echter niet. Dat [eiser] als gevolg hiervan (imago)schade heeft geleden, betwist [gedaagde] , heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd en is de rechtbank niet gebleken.

4.25.

Uit de verklaring van [B] die [eiser] als productie 8 heeft overgelegd volgt die onderbouwing niet.

4.26.

Juist een andere oorzaak voor de gestelde imagoschade wordt in de brief onder punt 6 genoemd, namelijk een brief afkomstig van [C] waarin [eiser] voor het oog van honderden leden te kijk zou zijn gezet.

4.27.

De rechtbank is met de inhoud van die brief niet bekend. Deze is niet als productie overgelegd. Voor zover [eiser] hierdoor imagoschade heeft opgelopen kan dat echter

[gedaagde] niet worden toegerekend, nu de brief niet van [gedaagde] afkomstig is, maar van [C] .

4.28.

Voorts weegt voor de beoordeling van de vordering tot immateriële schade mee dat ook [eiser] zelf zijn handen niet volledig in onschuld kan wassen nu ook hij zich heeft schuldig gemaakt aan wangedrag.

4.29.

Voor zover er al sprake zou zijn van imagoschade is niet uit te sluiten dat dit dan mede is veroorzaakt door eigen wangedrag van [eiser] hetgeen immers eveneens op

29 mei 2016 plaatsvond. Ook deze vordering dient derhalve te worden afgewezen.

4.30.

Nu de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen, zal [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

De beslissing

I. wijst de vorderingen af;

II. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.651,00 (2 punten a € 384,00 + € 883,00 griffierecht) te vermeerderen met de wettelijke rente indien en voor zover [eiser] deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan;

III. verklaart onderdeel II van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.M. Marsman, W.K.F. Hangelbroek en G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.