Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4494

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
01-12-2017
Zaaknummer
6328732 \ HA VERZ 17-127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Na ontslag op staande voet vraagt verzoeker (tandarts voor bepaalde tijd in dienst van verweerster) op grond van artikel 7:681 BW om toekenning van een billijke vergoeding en om toekenning van het loon over de periode dat het dienstverband zou hebben voortbestaan. Verzoeker berust daarbij in het ontslag zelf. Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake geweest van een dringende reden voor ontslag, gelegen in mishandeling door verzoeker van de assistente van de praktijk. Het ontslag op staande voet wordt rechtsgeldig geacht. De verzoeken worden daarom afgewezen. Het voorwaardelijk tegenverzoek behoeft geen nadere bespreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-1443
AR 2017/6338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 6328732 \ HA VERZ 17-127

Beschikking van de kantonrechter van 28 november 2017

in de zaak van

[A] ,
wonende te [plaats] ,

verzoekende partij,

tevens voorwaardelijk verwerende partij,

hierna te noemen [A] ,

gemachtigde: mr. A.A.M. van der Zandt,

tegen

de besloten vennootschap CENTRUM TANDHEELKUNDE GENEMUIDEN B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Genemuiden,

verwerende partij,

tevens voorwaardelijk verzoekende partij,

hierna te noemen CTG,

gemachtigde: mr. G. van Lent.

1 De procedure

1.1.

[A] (werknemer) heeft een verzoek ingediend strekkende tot betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW en tot betaling van loon ex artikel 7:677 BW. Het verzoek is ter griffie ontvangen op 19 september 2017.

1.2.

CTG heeft een verweerschrift met bijbehorende producties, tevens houdende een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding met voorwaardelijk bewijsincident ex artikel 843a Rv., ingediend. Dit processtuk is ter griffie ontvangen op 19 oktober 2017.

1.3.

Op 31 oktober 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben ter zitting pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van [A] bij brief van 26 oktober 2017 nog aanvullende stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[A] , geboren op 10 februari 1952, is op 30 juni 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (nul-urencontract) voor bepaalde tijd in dienst getreden bij CTG, in de functie van tandarts. De derde arbeidsovereenkomst is ingegaan op 1 juli 2017 en eindigt volgens die overeenkomst op 31 mei 2018.

2.2.

Volgens de arbeidsovereenkomst bedraagt het salaris 30% van de door [A] gegenereerde omzet (dit is inclusief 8% vakantiegeld en opbouw vakantiedagen) doch minimaal het wettelijk minimumloon.

2.3.

De tandartspraktijk van CTG wordt gedreven door de heer [B] (hierna: [B] ). [B] is gehuwd met mevrouw [C] (hierna: [C] ), afkomstig uit [land] . Zij is als tandartsassistente in de praktijk werkzaam.

2.4.

Op 2 augustus 2017 heeft in de tandartspraktijk een incident plaatsgevonden, waarbij [A] en [C] betrokken waren. [C] heeft hiervan op 4 augustus 2017 aangifte gedaan bij de politie.

2.5.

In de avond van 2 augustus 2017 heeft [A] per e-mail aan [B] geschreven:

Werter Herr [B] ,

Als Folge der von Milena angezettelten Schlägerei melde ich mich für Donnerstag und Freitag krank. Laut beiliegenden Photos habe ich an der linken Kopfseite Schürfwunden sowie am rechten Daumen eine schmerzhafte Schwellung. Auβerdem habe ich seit heute 15 Uhr starke Kopfschmerzen. So kann ich morgen und übermorgen nicht als Zahnarzt arbeiten.

Die Schlägerei in der Garage ging von Milena aus, als sie versuchte, mir den Garagenschlüssel gewaltsam zu entreiβen sowie mich daran zu hindern, die Garage mit meinem Fahrrad zu verlassen.

2.6.

Op 8 augustus 2017 is aan [A] ontslag op staande voet gegeven. De ontslagbrief van 8 augustus 2017 luidt als volgt:

Geachte heer [A] ,

Tot mij wendde zich Centrum Tandheelkunde Genemuiden B.V., gevestigd te [adres] , met het verzoek haar belangen te behartigen.

U bent als tandarts werkzaam bij cliënte. Mevrouw [C] is bij cliënte werkzaam als

tandartsassistente. Zij is echtgenote van de heer [B] , eigenaar van de tandartspraktijk.

Met ingang van heden bent u op staande voet ontslagen. Aan dit ontslag liggen de volgende redenen ten grondslag.

Uw samenwerking met mevrouw [C] verliep stroef. U gedroeg zich neerbuigend tegenover

mevrouw [C] en zei dingen tegen haar als: “Domme Peruaan, vuile Peruaan en schijt Peruaan”. U

bent regelmatig aangesproken op uw gedrag door de heer [B] en u bent regelmatig door hem

verzocht uw gedrag aan te passen. U deed dit echter niet en ging gewoon door.

Op woensdag 2 augustus 2017 heeft u zich opnieuw verbaal agressief gedragen tegen mevrouw [C] . Mevrouw [C] heeft u tevergeefs verzocht hiermee te stoppen. Om circa 10.00 uur heeft u haar ook nog eens een harde klap op haar rug gegeven. Hierna liep u zonder iets te zeggen terug de behandelkamer in. Mevrouw [C] voelde direct erg veel pijn in haar rug. Mevrouw [C] heeft zich terug getrokken in haar woning direct naast de praktijk gelegen en is gaan liggen in de hoop dat de pijn zou wegtrekken.

‘s Middags kwamen nog een aantal patiënten voor controle c.q. behandeling. Vanaf 14.00 uur was mevrouw [C] terug in de praktijk evenals u na uw pauze. Die middag verliest u om circa 14.45 uur opnieuw uw zelfbeheersing. U heeft tegen mevrouw [C] gezegd: “Schijt Peruaan” en “Jij bent afval”.

Mevrouw [C] heeft u toen gevraagd uw sleutels in te leveren omdat zij niet wilde dat u zomaar de praktijk binnen kon komen wanneer u maar wilde gelet op de dreigende situatie. Mevrouw [C] was bang dat de situatie opnieuw uit de hand zou lopen. Mevrouw [C] zag dat uw sleutel in de garagedeur zat. Mevrouw [C] wilde deze sleutel pakken. Vervolgens sloeg u mevrouw [C] hard op haar hand. Door de klap viel de sleutel op de grond. Mevrouw [C] bukte zich voorover om de sleutel te pakken waarna u haar een harde duw gaf tegen haar rechterschouder aan. Hierdoor viel mevrouw [C] hard op de grond. U werd woedend. U sloeg met uw vuisten hard tegen het lichaam van mevrouw [C] aan. U bleef haar maar slaan. De meeste klappen kwamen op haar schouders en op haar hoofd. Ook sloeg u mevrouw [C] op haar benen en in haar buik. Mevrouw [C] was erg bang en probeerde tevergeefs weg te komen. Toen mevrouw [C] probeerde op te staan, voelde zij uw beide handen om haar keel. U kneep mevrouw [C] zo hard in haar keel dat zij geen lucht meer kreeg. U tilde mevrouw [C] op aan haar keel. Mevrouw [C] vreesde voor haar leven. Mevrouw [C] sloeg om zich heen en probeerde zich los te maken uit uw greep. Vervolgens is zij buiten bewustzijn geraakt. Toen mevrouw [C] bijkwam, had u de praktijk verlaten. Mevrouw [C] was in paniek. Haar hele lichaam deed pijn. Op haar voorhoofd zat een grote bult. In haar hals zaten grote rode striemen. Op meerdere plaatsen in haar gezicht en aan de binnenzijde van haar mond had zij wondjes. Mevrouw [C] heeft haar man gebeld die onderweg was naar Genemuiden. Mevrouw [C] heeft zich diezelfde middag onder doktersbehandeling moeten stellen. In het ziekenhuis is zij behandeld aan haar wonden en kneuzingen. Tevens heeft zij pijnmedicatie gekregen.

Deze omstandigheden leveren ieder zelfstandig maar ook in onderlinge samenhang een dringende

reden ex artikel 7:677 jo. artikel 7: 678 BW op. Bij de afweging van alle belangen is ook rekening gehouden met uw persoonlijke omstandigheden.

Het ontslag op staande voet heeft tot gevolg dat uw arbeidsovereenkomst d.d. 16 juni 2017 met cliënte met ingang van vandaag ten einde is gekomen. Door uw handelen heeft u een dringende reden veroorzaakt die in ieder geval aan u te verwijten valt, zodat u een vergoeding verschuldigd bent conform artikel 7:677 lid 2 jo. artikel 7:677 lid 3 sub a BW. Cliënte behoudt zich het recht voor om de schade die is ontstaan ten gevolge van uw handelen op u te verhalen.

(…)

3 Het geschil

Het verzoek

3.1.

[A] verzoekt CTG te veroordelen om aan hem te voldoen:

- een bedrag van € 21.533,30, zijnde het salaris dat aan [A] zou zijn toegekomen als de arbeidsovereenkomst in stand was gebleven;

- een bedrag van € 15.000,= bruto wegens billijke vergoeding ex artikel 7:681 BW;

- een bedrag van € 1.140,33 voor buitengerechtelijke incassokosten;

- veroordeling van CTG in de kosten van deze procedure.

3.2.

[A] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat er geen sprake is geweest van mishandeling van [C] en dat het verhaal omtrent de mishandeling in het leven is geroepen om hem te benadelen.

Het verweer

3.3.

CTG heeft verweer gevoerd. Zij voert tegen het verzoek van [A] aan dat er op 2 augustus 2017 sprake was van mishandeling van [C] door [A] . Op diezelfde dag heeft [C] zich onder doktersbehandeling gesteld en heeft zij een advocaat bezocht voor juridisch advies. In de dagen daarna heeft zij aangifte gedaan en zij heeft nader medisch onderzoek ondergaan. [B] heeft haar daarbij begeleid. Voorts heeft [B] juridisch advies ingewonnen met betrekking tot de arbeidsverhouding met [A] . Naar aanleiding van het gebeuren op 2 augustus 2017 heeft [B] (CTG) op 8 augustus 2017 aan [A] ontslag op staande voet gegeven. Volgens CTG is sprake van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, zodat de arbeidsovereenkomst op dat moment is geëindigd. Zij betwist daarom dat [A] recht heeft op een billijke vergoeding en op loon. CTG vraagt om veroordeling van [A] in de werkelijke kosten van het geding.

Het voorwaardelijk tegenverzoek

3.4.

Voor het geval mocht blijken dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven en de arbeidsovereenkomst nog bestaat, verzoekt CTG ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 BW, onderdeel e (verwijtbaar handelen) dan wel onderdeel g (verstoorde arbeidsverhouding).

3.5.

Daarnaast verzoekt CTG bij wege van incident – eveneens voor het geval dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven – om [A] te gebieden al zijn inkomstengegevens aan de hand van verificatoire bescheiden in het geding te brengen in verband met het bepaalde in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst.

4 De beoordeling

Het verzoek

4.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW is het verzoek tijdig, dat wil zeggen binnen een termijn van twee maanden na het ontslag op staande voet, ingediend. Teneinde het verzoek van [A] te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk om te beoordelen of er sprake is geweest van een dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW die het gegeven ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de arbeidsovereenkomst, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben (Hoge Raad 12 februari 1999, NJ 1999, 643 Schrijvers/Van Essen). Naast de aanwezigheid van een dringende reden moet het ontslag ook onverwijld zijn gegeven.

4.2.

Om met dit laatste te beginnen: het voorval dat heeft geleid tot het ontslag vond plaats op woensdag 2 augustus 2017. Het ontslag is gegeven op dinsdag 8 augustus 2017. Door CTG is aangevoerd dat de tussenliggende periode nodig was voor doktersbezoek, het inwinnen van juridisch advies en het doen van aangifte. De kantonrechter acht dit tijdsverloop niet te lang. Er is derhalve sprake van een onverwijld gegeven ontslag.

4.3.

De reden voor het ontslag is gelegen in hetgeen in de tandartspraktijk is voorgevallen op 2 augustus 2017 en dat is in de ontslagbrief uitvoerig beschreven.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [A] [C] op 2 augustus 2017 (ten minste) heeft mishandeld en dat van noodweer geen sprake is geweest. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat zowel in het verzoekschrift als in de toelichting ter zitting niet of nauwelijks is ingaan op het door CTG gestelde feitenrelaas. In het verzoekschrift is volstaan met een simpele ontkenning en ter zitting heeft [A] bij monde van zijn gemachtigde aangevoerd dat hij [C] heeft weggeduwd omdat zij hem heeft belemmerd de praktijk te verlaten. Waar CTG een uitvoerige beschrijving van het voorval heeft gegeven, had van [A] mogen worden verwacht dat hij zich van meet af aan goed gemotiveerd had verweerd.

4.4.

Eerst naar aanleiding van vragen van de kantonrechter heeft [A] een toelichting verstrekt op hetgeen volgens hem is gebeurd. Hij heeft verklaard dat hij met zijn fiets die bewuste middag de praktijk via de garage wilde verlaten en dat [C] hem daarbij de doorgang versperde. Naar zijn zeggen heeft hij [C] toen weggeduwd waardoor zij is gevallen, maar toen hij de garage verliet zag hij dat [C] alweer opstond. Van stompen, slaan of wurging is geen sprake geweest.

4.5.

De kantonrechter merkt op dat uit deze weergave, veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid ervan, niet blijkt dat [A] niet anders kón dan [C] wegduwen. Hij had, zelfs indien [C] hem de doorgang zou hebben belet – hetgeen CTG met [C] betwist – geen lichamelijk geweld mogen gebruiken. Daartoe bestond geen noodzaak, ook niet uit het oogpunt van verdediging. Er zijn door [A] geen redenen, laat staan aanvaardbare redenen, aangevoerd die het toepassen van geweld jegens [C] kunnen rechtvaardigen. Daar komt bij dat [A] [C] kennelijk met zoveel geweld heeft weggeduwd dat zij ten val kwam. Van belang is in dit verband dat [C] slechts 1.58 lang is, terwijl [A] 1.85 meter lang is.

4.6.

Tegenover de verklaring van [A] staat het uitgebreide proces-verbaal van aangifte. [C] heeft daarin nauwkeurig laten optekenen wat er die middag volgens haar is gebeurd. De ontslagbrief is op dit punt eveneens uitvoerig.

Bovendien heeft CTG een bericht van het bezoek van [C] aan de huisartsenpost op 2 augustus 2017 overgelegd. Het verslag van het lichamelijk onderzoek van [C] ondersteunt haar aangifte. Zo is geconstateerd: hoofd: pijnplek occipitaal,…, wondje neusrug,…, hals li > re striemen en intracutaan haematoom Rug: gevoelig mn li paravertebraal in thoracaal,…, lichte drukpijn Li buikhelft,…. Li been: gevoelig li lateraal b been…

Ook zijn foto’s van het letsel van [C] overgelegd die dezelfde middag door de advocaat (mr. Doornbos) zijn gemaakt (blauwe plek/bult op het hoofd, rode strepen in de hals).

Al deze gegevens ondersteunen het feitenrelaas van [C] .

Verder is van belang de inhoud van het e-mailbericht dat [A] in de avond van 2 augustus aan [B] (CTG) heeft verstuurd. Uit dat e-mailbericht blijkt dat er een handgemeen heeft plaatsgevonden, aangezien [A] schrijft over een Schlägerei ofwel een vechtpartij die heeft plaatsgevonden. Dit spoort met de verklaring van [C] .

4.7.

Al met al komt de kantonrechter op basis van voornoemde stukken en hetgeen ter zitting door partijen is aangevoerd, tot de conclusie dat er sprake is geweest van (ten minste) mishandeling door [A] waardoor [C] letsel heeft opgelopen. Dit handelen van [A] en het ontbreken van een rechtvaardigingsgrond daarvoor, leiden tot het oordeel dat jegens [C] sprake is geweest van ernstig grensoverschrijdend handelen. Zijn handelen levert een dringende reden op en hij mocht dus op staande voet worden ontslagen.

4.8.

Het voorgaande betekent dat het ontslag op staande voet van 8 augustus 2017 standhoudt, zodat er geen grond bestaat voor loonaanspraken vanaf die datum. In die situatie bestaat er evenmin grond voor de door [A] verzochte billijke vergoeding. De verzoeken van [A] worden daarom afgewezen.

4.9.

Als in het ongelijk gestelde partij dient [A] te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. CTG heeft in dat kader verzocht om vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten. Bij de beoordeling van deze vordering staat voorop, dat deze alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dienaangaande overweegt de kantonrechter dat de beoordeling van een ontslag op staande voet binnen een korte termijn (op straffe van niet-ontvankelijkheid) aan de rechter moet worden voorgelegd en dat bij die beoordeling meerdere factoren een rol spelen. Niet geoordeeld kan worden dat [A] op voorhand moest begrijpen dat zijn verzoek geen enkele kans van slagen zou hebben. Van misbruik van procesrecht is daarom geen sprake. Evenmin kan om die reden het indienen van zijn verzoek als onrechtmatig worden beschouwd. De proceskosten zullen daarom op basis van het gebruikelijke tarief ten gunste van CTG worden toegewezen. Dit betekent dat de kosten aan de zijde van CTG worden begroot op € 600,= voor salaris gemachtigde.

Het tegenverzoek

4.10.

Nu het ontslag van 8 augustus 2017 standhoudt en daarmee de voorwaarde voor het tegenverzoek niet is vervuld, behoeft dit verzoek van CTG geen nadere bespreking. Dit geldt eveneens voor het daarbij opgeworpen bewijsincident.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzoek van [A] af;

5.2.

veroordeelt [A] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van CTG tot en met vandaag vaststelt op € 600,= voor salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017. (ap)