Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:448

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
C/08/195308 / KG ZA 16-426
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot afgifte hond toegewezen. Straat- en contactverbod thans niet gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/195308 / KG ZA 16-426

Vonnis in kort geding van 3 februari 2017

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verder te noemen: [A] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer te Almelo,

tegen

1 [B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verder te noemen: [B] ,

2. [C],

wonende te [woonplaats 3] ,

verder te noemen: [C] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. A.C. Hermes te Raamsdonksveer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,

  • -

    de mondelinge behandeling op 20 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] en [C] zijn gewezen echtelieden. Bij beschikking van deze rechtbank van 3 juli 2015 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken.

2.2.

Na deze scheiding heeft [A] een relatie gekregen met [B] . Zij hadden een LAT-relatie. Deze relatie is omstreeks juni/juli 2016 verbroken.

2.3.

Gedurende het huwelijk van [A] en [C] is een Duitse dog, genaamd Baron, aangeschaft.

2.4.

Bij echtscheidingsconvenant d.d. 29 juni 2015, welk convenant deel uitmaakt van voormelde echtscheidingsbeschikking, zijn [A] en [C] ten aanzien van Baron overeengekomen dat Baron aan [A] wordt toegedeeld. Na de scheiding was het feitelijk ook zo dat Baron bij [A] woonachtig was.

2.5.

Op 30 november 2016 zijn [C] en [B] naar de woning van [A] gegaan en hebben Baron meegenomen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:

I. te verklaren dat [C] en [B] onrechtmatig hebben gehandeld door de hond van [A] , Baron, zonder toestemming te hebben meegenomen;

II. [C] en [B] te veroordelen de hond van [A] , Baron, binnen 24 uur na dit vonnis af te geven aan [A] , op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag c.q. gedeelte van een dag tot een maximum van € 50.000,00;

III. [C] en [B] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[A] stelt daartoe -kort gezegd- dat hij als eigenaar van Baron moet worden aangemerkt. Baron is in het echtscheidingsconvenant tussen hem en [C] aan hem toegedeeld. Hij staat als eigenaar in het paspoort en heeft in de periode na de echtscheiding Baron in zijn bezit gehad. Nu [C] en [B] Baron zonder toestemming hebben meegenomen, hebben zij op grond van artikel 6:162 BW onrechtmatig gehandeld. [A] vordert dan ook afgifte van Baron. Omdat het [A] niet duidelijk is waar Baron zich nu bevindt, heeft hij zowel [C] als [B] in rechte betrokken.

3.3.

[C] en [B] voeren verweer. Op dit verweer wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[C] en [B] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,:

I. [A] te veroordelen aan [C] te voldoen een bedrag van € 174,80 ter zake verreden kilometers in het kader van onderhavige onnodig gestarte procedure;

II. [A] te veroordelen aan [B] te voldoen een bedrag van € 550,00 ter zake inkomensderving als gevolg van onderhavige onnodig gestarte procedure en de diverse (lasterlijke c.q. smadelijke) berichtgeving aan en over haar;

III. [A] te verbieden om zich per direct voor de duur van vijf jaren hetzij persoonlijk, hetzij telefonisch, hetzij schriftelijk, hetzij per e-mail, hetzij mondeling of via enige andere communicatiewijze contact te verkrijgen met [B] en/of [C] , dan wel zich uit te laten over [B] en/of [C] , met uitzondering van gebruikelijke berichtgeving via zijn advocaat;

IV. [A] te veroordelen om aan [B] en/of [C] te betalen een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per overtreding van het verbod als genoemd onder III, met een maximum van € 100.000,00;

V. [A] te verbieden om zich per direct voor de duur van vijf jaren op te houden in [woonplaats 2] en/of te [woonplaats 3] , dan wel subsidiair in een straal van drie kilometer rondom de [adres 1] te [woonplaats 2] en/of de [adres 2] te [woonplaats 3] ;

VI. [A] te veroordelen om aan [B] en/of [C] te betalen een direct opeisbare dwangsom van € 1.000,00 per overtreding van het verbod als genoemd onder V. met een maximum van € 100.000,00;

VII. [A] te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

[C] en [B] stellen daartoe dat zij als gevolg van het handelen van [A] onnodige kosten hebben moeten maken. Daarnaast bestookt [A] [C] en [B] met e-mailberichten en spreekt hij zelfs familie, vrienden en de eigenaren van trimsalons aan. Ook heeft hij diverse valse meldingen bij instanties gedaan. [C] en [B] voelen zich in ernstige mate bedreigd als gevolg van de veelal dreigende, stalkende berichten van [A] en vorderen derhalve een algeheel contactverbod. Indien de voorzieningenrechter [C] en [B] in het gelijk stelt, hebben zij tevens de vrees dat [A] zal proberen Baron terug onder zich te nemen. De enige mogelijkheid om dit te voorkomen is door [A] een straatverbod op te leggen. Zowel het contactverbod als het straatverbod dienen te gelden voor de duur van vijf jaren. Deze duur is ingegeven door de levensverwachting van Baron.

4.3.

[A] voert verweer. Op dit verweer wordt hierna -voor zover van belang- nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De onderhavige zaak valt onder het materiële, formele en temporele bereik van de Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Ingevolge artikel 5 lid 1 in samenhang met artikel 7, aanhef en lid 2 van deze Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd van de onderhavige vordering kennis te nemen, nu de gestelde onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden in Nederland, te weten in [woonplaats 1] . Voorts is hiermee de relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter van deze rechtbank gegeven, nu [woonplaats 1] in het arrondissement van deze rechtbank ligt.

5.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de aard van de vordering, te weten de afgifte van een hond, voortvloeit dat er sprake is van een spoedeisend belang.

5.3.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vordering onder I. een vordering tot het geven van een verklaring voor recht betreft. Met het geven van een verklaring voor recht in kort geding wordt terughoudend omgegaan. Nu het [A] gaat om afgifte van Baron (vordering onder II.), is een verklaring voor recht daarnaast overbodig. Deze vordering dient dan ook te worden afgewezen.

5.4.

Ten aanzien van de vordering onder II. overweegt de voorzieningenrechter dat de kern van dit geschil is terug te voeren op de vraag wie als eigenaar van Baron moet worden aangemerkt.

5.5.

Vast staat dat [A] en [C] in het echtscheidingsconvenant hebben afgesproken dat Baron aan [A] wordt toegedeeld en dat Baron na de scheiding ook bij [A] woonachtig was. [C] en [B] hebben allereerst betoogd dat mondeling, in aanwezigheid van de echtscheidingsadvocaat mr. G.H. Hendriks, tussen [A] en [C] is afgesproken dat Baron bij ziekte van [A] alsnog definitief aan [C] zou worden toebedeeld. Ter onderbouwing hebben zij een verklaring van de buurvrouw en een verklaring van mevrouw [E] overgelegd. [A] heeft betwist dat deze afspraak is gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [C] en [B] gestelde nadere afspraak thans onvoldoende is komen vast te staan. Hierbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat uit het convenant niet blijkt dat deze afspraak is gemaakt en de overgelegde getuigenverklaringen onvoldoende zijn om thans tot het oordeel te komen dat deze nadere afspraak wel is gemaakt. Voorts blijkt noch uit de stellingen van [C] en [B] noch uit de overgelegde getuigenverklaringen wat de exacte strekking van deze afspraak zou zijn. Zo is onduidelijk hoe ziek [A] zou moeten zijn om tot toedeling van Baron aan [C] te komen en wie dat zou beoordelen. Nu het convenant duidelijk is en de stelling van [C] niet aannemelijk is, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat Baron eigendom is van [A] .

5.6.

[C] en [B] hebben vervolgens betoogd dat [A] afstand heeft gedaan van Baron. Zij hebben ter onderbouwing onder meer diverse e-mail berichten overgelegd en een advertentie van [A] op marktplaats waarin [A] Baron te koop heeft aangeboden. De voorzieningenrechter overweegt dat uit deze stukken weliswaar valt af te leiden dat [A] dusdanige gezondheidsproblemen had dat hij op dat moment niet (goed) voor Baron kon zorgen, maar niet dat hij ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van Baron en al helemaal niet aan wie.

5.7.

Evenmin is thans naar het oordeel van de voorzieningenrechter vast komen te staan dat [C] en [B] met [A] een afspraak hadden gemaakt dat zij op 30 november 2016 Baron zouden komen ophalen. [C] en [B] hebben gesteld dat zij deze afspraak telefonisch met [A] hadden gemaakt, maar [A] heeft dat betwist. De voorzieningenrechter acht het bestaan van deze afspraak overigens ook onaannemelijk nu uit de overgelegde stukken blijkt dat [A] vlak voor 30 november 2016 boze mailtjes aan [B] heeft gestuurd, waarbij hij onder meer schrijft dat hij zich niet laat wegzetten als een klein kind. Weliswaar gingen deze mailtjes over een andere kwestie dan Baron, maar hieruit kan wel worden afgeleid dat [A] en [B] op dat moment bepaald niet op één lijn zaten. De uitvoerige voorzorgsmaatregelen die [C] en [B] voor het bezoek aan [A] namen (contact met de politie, derden bij de hand om bij problemen te helpen) wijzen ook niet op het bestaan van een goede afspraak tussen partijen.

5.8.

Tussen partijen is vervolgens niet in geschil dat op het moment dat [C] en [B] bij de woning van [A] kwamen om Baron op te halen, [A] geen toestemming heeft gegeven om Baron mee te nemen. Ter zitting heeft [B] hierover verklaard dat [A] op dat moment heeft gezegd: “Je krijgt de hond niet mee”. Desondanks hebben [C] en [B] hierop Baron meegenomen.

5.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat voorshands ervan moet worden uitgegaan dat Baron eigendom is van [A] , [A] geen afstand van zijn eigendomsrecht heeft gedaan en [A] geen toestemming heeft gegeven aan [C] en [B] om Baron mee te nemen. Dat Baron vrijwillig met [C] en [B] zou zijn meegelopen is uiteraard niet relevant.

5.10.

[C] en [B] hebben ten slotte betoogd dat de belangen van Baron zich tegen terugkeer naar [A] verzetten. Aan een afweging van de belangen van partijen en Baron wordt echter niet toegekomen. Het gaat in dit kort geding om een eigendomskwestie, niet om het belang van de hond. Indien [C] en [B] van mening zijn dat [A] niet meer in voldoende mate voor Baron kan zorgen, kunnen zij daarop gerichte maatregelen nemen. Het geeft hen echter geen recht om zich Baron toe te eigenen.

5.11.

Ter zitting is komen vast te staan dat Baron thans bij [C] verblijft. Gelet op het vorenstaande houdt [C] Baron zonder recht of titel bij zich. Nu [C] en [B] Baron samen bij [A] hebben opgehaald, zijn ze ook beiden verantwoordelijk voor afgifte van Baron aan [A] . De vordering onder II. ligt dan ook voor toewijzing gereed. De termijn voor afgifte van Baron zal de voorzieningenrechter hierbij stellen op 48 uur na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom zal op na te melden wijze worden toegewezen.

5.12.

Gelet op het feit dat zowel [C] als [B] een affectieve relatie met [A] heeft gehad, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de aard van de vordering, te weten onder meer een straat- en contactverbod, voortvloeit dat er sprake is van een spoedeisend belang.

6.2.

Gelet op de overwegingen in conventie is in het onderhavige geval geen sprake van een onnodig door [A] gestarte procedure, zoals [C] en [B] hebben betoogd. Reeds gelet hierop dienen de vorderingen onder I. en II. te worden afgewezen.

6.3.

Een straatverbod vormt een inbreuk op het aan een ieder toekomend recht om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel moet sprake zijn van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die zo’n inbreuk rechtvaardigen.

6.4.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [C] en [B] gepresenteerde feiten en omstandigheden een dergelijke inbreuk niet rechtvaardigen. [C] en [B] vrezen dat indien de voorzieningenrechter hen in conventie in het gelijk stelt, [A] zal proberen Baron terug onder zich te nemen. Nu [C] en [B] in conventie echter grotendeels in het ongelijk zijn gesteld en [A] onweersproken heeft gesteld dat hij nog nooit bij de huidige woning van [C] en [B] is geweest, acht de voorzieningenrechter een straatverbod thans niet geïndiceerd. De vorderingen onder V. en VI. zullen derhalve worden afgewezen.

6.5.

De voorzieningenrechter acht een contactverbod thans evenmin gerechtvaardigd.

Nu in conventie is beslist dat Baron aan [A] moet worden afgegeven, heeft [A] ook geen reden meer om contact met [C] en [B] te zoeken en over deze kwestie de openbaarheid te zoeken. Ook de vorderingen onder III. en IV. zullen derhalve worden afgewezen.

6.6.

Gelet op het feit dat zowel [C] als [B] een affectieve relatie met [A] heeft gehad, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [C] om de hond van [A] , Baron, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis af te geven aan [A] , op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag c.q. gedeelte van een dag dat [C] hieraan niet voldoet tot een maximum van € 5.000,00;

7.2.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.4.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.5.

wijst het gevorderde af,

7.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2017.1

1 type: coll: