Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4441

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
08/955034-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 39-jarige man uit Wormerveer tot een taakstraf van 90 uren en een rijontzegging van zes maanden, waarvan vier voorwaardelijk, voor het met zijn vrachtauto veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel op de N35 in Zwolle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/955034-16(P)

Datum vonnis: 28 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.E. Postma en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. E. Vels-Turan, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 2 februari 2016 te Zwolle, als bestuurder van een bedrijfsauto/vrachtauto, een ongeval op de weg heeft veroorzaakt waardoor aan anderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 2 februari 2016 te Zwolle in de gemeente Zwolle, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto), komende vanuit de richting Zwolle en/of gaande in de richting Heino, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken bestaande weg, de Heinoseweg (N35)

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl het uitzicht voor hem, verdachte niet werd belemmerd en/of gehinderd

ter hoogte van een aan die weg (de Heinoseweg/N35) gelegen tankstation is gaan keren, waarbij hij, verdachte het terrein van dat tankstation is opgereden en/of op dat terrein met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto) een aantal keren voor en/of achteruit heeft moeten rijden (steken) om te kunnen keren en/of vanaf dat terrein die Heinoseweg (N35) weer is opgereden, gaande in de richting van Zwolle, welk keren en/of oprijden een bijzondere manoeuvre(s) is/zijn als vermeld in artikel 54 van het regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

een zich op die weg (de Heinoseweg N35) bevindende en/of in de richting Heino rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) niet heeft laten voorgaan en/of

bij het uitvoeren van voormelde manoeuvre(s) niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het zich op die weg (de Heinoseweg/N35) bevindende verkeer en/of

bij het uitvoeren van die manoeuvre(s) in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond heeft overschreden terwijl hij, verdachte zich niet links van een op die weg, de Heinoseweg N35 aangebrachte doorgetrokken streep, terwijl die streep was aangebracht tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen, mocht bevinden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat op die weg (de Heinoseweg/N35) rijdende, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto)

waardoor hij zich aldus zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander(en) (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 2 februari 2016 te Zwolle in de gemeente Zwolle, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto), komende vanuit de richting Zwolle en/of gaande in de richting Heino, daarmee heeft gereden op de uit twee rijstroken bestaande weg, de Heinoseweg (N35) en

ter hoogte van een aan die weg (de Heinoseweg/N35) gelegen tankstation is gaan keren, waarbij hij, verdachte het terrein van dat tankstation is opgereden en/of op dat terrein met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto) een aantal keren voor en/of achteruit heeft moeten rijden steken) om te kunnen keren en/of vanaf dat terrein die Heinoseweg (N35) weer is opgereden, gaande in de richting van Zwolle, welk keren en/of oprijden een bijzondere manoeuvre(s) is/zijn als vermeld in artikel 51 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en/of

een zich op die weg (de Heinoseweg N35) bevindende en/of in de richting Heino rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig (personenauto) niet heeft laten voorgaan en/of

bij het uitvoeren van die manoeuvre(s) hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond heeft overschreden en/of zich niet links van een op die weg, de Heinoseweg N35 aangebrachte doorgetrokken streep, terwijl die streep was aangebracht tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen, mocht bevinden en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met dat op die weg (de Heinoseweg/N35) rijdende, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig (personenauto) door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit met dien verstande dat bewezen is dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken nu - zakelijk weergegeven- niet bewezen is dat verdachte schuld aan het ongeval heeft gehad zoals bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). De verdediging heeft daarbij tevens bepleit dat, (mede) gezien de letselrapportages, het aan mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] toegebrachte letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Verder heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat het op grond van de in de bijlage en de voetnoten genoemde bewijsmiddelen uit van het volgende.

Verdachte reed op 2 februari 2016 als bestuurder van een vrachtauto met dit voertuig over de uit twee rijstroken bestaande Heinoseweg, komende vanuit de richting Zwolle en gaande in de richting Heino. Verdachte was de kruising met de Kanaalweg voorbij gereden omdat zijn navigatiesysteem aangaf dat hij deze weg in moest rijden, terwijl dit niet mocht. Verdachte zocht vervolgens een mogelijkheid om te keren en is daarom een aan de rechterzijde van die weg gelegen tankstation opgereden. Aan de zijde waaraan het tankstation was aangelegd, is een invoegstrook aangebracht. Indien dit tankstation wordt verlaten, worden bestuurders aldus geacht verder te rijden in de richting Heino. Dit wordt, gezien de rijrichting van verdachte, door middel van een doorgetrokken streep op de as van de rijbaan en de aldaar langs de wegkant aangebrachte doorgetrokken streep kenbaar gemaakt. Verdachte heeft echter de bedoeling gehad om met zijn vrachtauto vanaf het terrein van het tankstation linksaf de Heinoseweg, in de richting Zwolle, op te rijden. Verdachte heeft daartoe zijn vrachtauto voor- en achteruit gereden om de vrachtauto in positie te brengen. Op het moment dat verdachte de Heinoseweg opreed, kwam er gelijktijdig een Renault vanuit de richting Zwolle en gaande in de richting Heino aangereden. Verdachte heeft deze auto niet gezien. De bestuurder van de Renault, mevrouw [slachtoffer 1] was de vrachtauto al zo dicht genaderd dat zij een botsing met de voorzijde van haar voertuig met de linkervoorzijde van de vrachtauto niet heeft kunnen voorkomen. Ten gevolge van deze botsing ontstond letsel bij mevrouw [slachtoffer 1] en de andere inzittende van de Renault, [slachtoffer 2] .2

Verdachte heeft verklaard dat hij, voordat hij met zijn vrachtauto linksaf de Heinoseweg op wilde gaan, er zich bewust van was dat de Heinosweg een drukke weg betrof en dat er zich op deze route meerdere verkeerslichten bevonden. Verdachte heeft blijkens zijn verklaring eerst ongeveer een dertigtal auto’s laten passeren. Op het moment dat de stroom met auto’s was opgehouden, is verdachte ervan uitgegaan dat de verkeerslichten ter plaatse op rood waren gegaan. Vervolgens heeft verdachte naar eigen zeggen herhaaldelijk naar links en naar rechts gekeken, en heeft hij, toen hij van beide kanten geen verkeer aan zag komen, zijn manoeuvre aangevangen. Verdachte heeft daarbij verklaard dat de omstandigheid dat hij de Renault niet heeft gezien, waarschijnlijk moet worden verklaard doordat het aldaar aanwezige verkeerbord zijn zicht aan zijn linkerkant, de kant vanwaar de Renault aan kwam rijden, heeft gehinderd. Dat er op de as van de rijbaan en aan de wegkant een doorgetrokken streep was geplaatst, heeft verdachte naar zijn eigen zeggen niet gezien.

Om tot het oordeel te komen dat er sprake is van schuld, zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), moeten de gedragingen van verdachte roekeloos, zeer althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam zijn geweest. Voor de beoordeling van verdachtes verkeersgedrag in het onderhavige geval beziet de rechtbank het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden van het geval. De rechtbank komt ten aanzien van verdachtes gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan tot het volgende oordeel.

De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van verdachte in beginsel moet worden afgemeten aan wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht te letten op ander verkeer en de geldende verkeersregels na te leven opdat aanrijdingen worden voorkomen. Verdachte heeft door met zijn vrachtauto een bijzondere manoeuvre te verrichten op een daartoe -gezien de aangebrachte doorgetrokken strepen op de weg aldaar- verboden plek, en daarbij geen voorrang te verlenen aan een op die weg rijdende personenauto, een ernstige verkeersovertreding begaan. Dat verdachte voorafgaand aan het uitvoeren van zijn manoeuvre zich kennelijk niet heeft vergewist van de geldende verkeersregels aldaar, nu hij de doorgetrokken strepen op de weg niet heeft gezien, moet hem worden aangerekend. Daarbij is tevens van belang dat, zoals verdachte zelf ook heeft opgemerkt, het een drukke weg betrof en dat er verkeer van beide richtingen kwam. Door op die plek een dergelijke verboden manoeuvre met een vrachtauto uit te voeren heeft verdachte een ongeoorloofd risico genomen. De verklaring van verdachte dat hij de Renault waarschijnlijk niet heeft gezien omdat hij vanwege een aldaar geplaatst verkeersbord in zijn zicht werd belemmerd, kan hem niet vrijpleiten. Daarvan uitgaande had verdachte immers nooit aan de manoeuvre mogen beginnen nu hij aldus niet met zekerheid kon vaststellen of er wel of geen verkeer vanuit de richting Zwolle kwam. Echter, nu deze omstandigheid, gezien de tenlastelegging, niet mede als verwijt aan de vereiste schuld ten grondslag ten laste is gelegd, zal de rechtbank deze omstandigheid buiten beschouwing laten.

De rechtbank stelt daarbij vast dat verdachte de vrachtauto heeft bestuurd in de uitoefening van zijn beroep. Om die redenen is de rechtbank van oordeel dat verdachte, als vrachtwagenchauffeur, een zekere ‘Garantenstellung’ heeft, een extra verantwoordelijkheid en daarmee grotere zorgplicht. Hiervan is te meer sprake nu, zoals genoemd, verdachte een zwaar voertuig heeft bestuurd, waarbij in het geval van een botsing met een dergelijk voertuig andere verkeersdeelnemers groter gevaar lopen dan bij een botsing met een lichter voertuig, zoals een personenauto. Gelet op die omstandigheid mocht van verdachte worden verwacht dat hij meer nog dan een gewone verkeersdeelnemer alert zou zijn op het verkeer en op de geldende verkeersregels ter plaatse.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat verdachtes handelen mede in het licht van de geldende ‘Garantenstellung’ als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Blijkens de letselrapportage van GGD IJsselland3 is als gevolg van het ongeval aan [slachtoffer 1] (onder meer) een gecompliceerde enkelfractuur c.q. verbrijzeling van de enkel toegebracht en is de kop van het kuitbeen nabij de knie gebroken, waarbij een operatieve correctie noodzakelijk was. Geconcludeerd is dat gezien de ernst van het letsel en de leeftijd van slachtoffer, destijds 79 jaar, waarschijnlijk sprake zal zijn van forse blijvende restafwijkingen en beperkingen van het loopvermogen. Daarbij is opgemerkt dat hoe en wanneer de eindtoestand zal zijn bereikt en de exacte ernst van de blijvende beperkingen niet zijn aan te geven.

Blijkens de letselrapportage van GGD IJsselland4 heeft [slachtoffer 2] als gevolg van het ongeval - onder meer- gebroken ribben oplopen. Daarnaast zijn als direct gevolg van het ongeval en het letsel hartklachten opgetreden die naar verwachting langdurig dan wel blijvend zullen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de geldende jurisprudentie, het aan mevrouw [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 2 februari 2016 te Zwolle in de gemeente Zwolle, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, bedrijfsauto/vrachtauto, komende vanuit de richting Zwolle en gaande in de richting Heino, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken bestaande weg, de Heinoseweg (N35)

aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

ter hoogte van een aan die weg de Heinoseweg/N35 gelegen tankstation is gaan keren, waarbij hij, verdachte het terrein van dat tankstation is opgereden en op dat terrein met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig, bedrijfsauto/vrachtauto, een aantal keren voor en achteruit heeft moeten rijden (steken) om te kunnen keren en vanaf dat terrein die Heinoseweg (N35) weer is opgereden, gaande in de richting van Zwolle, welk keren en oprijden een bijzondere manoeuvre is als vermeld in artikel 54 van het regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en

een zich op die weg de Heinoseweg N35 bevindende en in de richting Heino rijdende bestuurder van een ander motorrijtuig personenauto niet heeft laten voorgaan en

bij het uitvoeren van voormelde manoeuvre niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het zich op die weg de Heinoseweg/N35 bevindende verkeer en

bij het uitvoeren van die manoeuvre hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevond heeft overschreden en zich niet links van een op die weg, de Heinoseweg N35, aangebrachte doorgetrokken streep, terwijl die streep was aangebracht tussen rijstroken met verkeer in beide richtingen, heeft bevonden en

is gebotst tegen een op die weg, de Heinoseweg/N35, rijdende, toen hem, verdachte dicht genaderd zijnde andere motorrijtuig, personenauto, en

aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 6 en 175 van de WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

Het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat zij bewezen heeft geacht gevorderd dat de verdachte een werkstraf van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht verdacht een geldboete op te leggen, alsmede de gevorderde ontzegging van de rijbevoegdheid, indien deze aan de orde is, geheel voorwaardelijk op te leggen omdat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Verdachte heeft een ernstig verkeersongeval veroorzaakt door met een vrachtauto een bijzondere manoeuvre uit te voeren op een plek waar dat niet was toegestaan. Verdachte heeft daarbij een personenauto niet aan zien komen rijden waardoor deze personenauto met zijn vrachtauto in aanrijding is gekomen. De beide inzittenden van deze auto hebben als gevolg van het ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij achteraf gezien anders had moeten handelen, lijkt hij de oorzaak van het ongeval voornamelijk buiten zichzelf te zoeken.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 september 2017, afgezien van rijden door rood licht in België, niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest. Verdachte is nog steeds werkzaam als vrachtwagenchauffeur en heeft aangegeven om die reden zijn rijbewijs nodig te hebben. Indien verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd, zal verdachte, zo heeft hij ter zitting verklaard, mogelijk tijdelijk andere werkzaamheden kunnen verrichten, maar dit staat nog niet vast.

De rechtbank neemt in beginsel bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. Bij overtreding van artikel 6 van de WVW 1994, zoals in het onderhavige geval, waarbij rekening is gehouden geldt als oriëntatiepunt een werkstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De rechtbank ziet in omstandigheid dat het feit ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden, het strafblad van verdachte en in de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden enigszins van die richtlijn af te wijken. De rechtbank acht met name van belang dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Met een gehele onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zou verdachte onevenredig worden gestraft indien hij daardoor zijn werk zal verliezen. Aan de andere kant acht de rechtbank het gepleegde feit te ernstig om niet een deel van de ontzegging onvoorwaardelijk op te leggen. De rechtbank acht alles overwegende de eis van de officier van justitie passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 WVW 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair

Het misdrijf: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 90 uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 45 dagen.

maatregel

  • -

    veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijk deel niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter, en mrs. F. van der Maden en D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.E. Martini, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

1. Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal, zijn dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van Politie Eenheid Oost-Nederland, onder dossiernummer PL0600-2016055954, opgemaakt op (d.d.) 3 maart 2016. d.d. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal en wordt de inhoud van het bewijsmiddel zakelijk weergegeven.

1.1

Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] , pagina 21 e.v., onder meer inhoudende:

(..)

Op donderdag 4 februari 2016, omstreeks 14.30 uur heb ik, verbalisant [verbalisant] , een

verklaring van het slachtoffer opgenomen. Mevrouw [slachtoffer 1] is slachtoffer van de

aanrijding op dinsdag 2 februari 2016 op de Heinoseweg te Zwolle.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] verklaarde het volgende:

Ik reed in de auto met kenteken [kenteken] . (..) Ik zat achter het stuur. We kwamen vanaf de Oldeneelallee en reden de Heinoseweg op richting Raalte. Ik reed rond de 80 kilometer per uur. Ter hoogte van het benzinestation zag ik een vrachtauto staan die parallel reed aan de Heinoseweg. Voor mijn gevoel wilde hij ook door rijden. (..) Ik dacht dat hij zou stoppen om de weg richting Raalte te vervolgen. Hij stond toen al een stukje op de weg. Opeens zag ik dat de vrachtauto naar links kwam. Ik dacht nog: “O Nee!”. Het ging zo snel. Ik voelde een

behoorlijke klap en zag dat de motorkap iets omhoog kwam.

1.2

Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] , pagina 27 e.v., onder meer inhoudende:

(..)

Bij aanvang van het verhoor deelde ik aan de betrokkene het volgende mee:

Wat kunt u zich herinneren van het ongeval op dinsdag 2 februari 2016 op de

Heinoseweg?

“Wij reden over de weg. Wij zijn vanaf de Oldeneelallee de Heinoseweg op gereden.

Bij het benzinestation zagen wij een vrachtauto. De vrachtauto reed naast de

benzinepomp. Hij wilde linksaf de Heinoseweg op. De vrachtauto reed vooruit en daarna

weer achteruit. Mijn vriendin zei: “Wat doet hij nou?” Zij remde af. Toen gingen wij

op een sukkel gangetje verder. Ineens kwam de vrachtauto naar voren. Het was een

grote metalen vrachtwagen. Het was een harde klap. De airbag kwam eruit. Er was een

boel rook en gas. (..) Mijn vriendin, bij wie ik in de auto zat, heet [slachtoffer 1] . (..)U vraagt mij naar de snelheid waar mijn vriendin mee gereden heeft. Het is vast niet

hard gegaan. Zij rijdt altijd heel voorzichtig. Daarom durf ik bij haar in de auto te

zitten. (..)

1.3

De door verdachte ter terechtzitting van 14 november 2017 afgelegde verklaring, onder meer inhoudende.

Op 2 februari 2016 reed ik als bestuurder van een bedrijsfauto/vrachtauto met dit voertuig over de Heinoseweg, komende vanuit de richting Zwolle en gaande in de richting Heino. Ik was de kruising met de Kanaalweg voorbij gereden omdat mijn navigatiesysteem aangaf dat ik deze weg in moest rijden, terwijl dit niet mocht. Ik heb derhalve een mogelijkheid gezocht om te keren en ik ben daarom een aan de rechterzijde van die weg gelegen tankstation opgereden. Ik heb de bedoeling gehad om met mijn vrachtauto vanaf het terrein van het tankstation linksaf de Heinoseweg op te rijden. Dat er op de as van de rijbaan en aan de wegkant een doorgetrokken streep was geplaatst, heb ik niet gezien

Eerst had ik geen goed zicht en ben toen nog een keer met mijn vrachtauto achteruit gestoken. Ik heb gezien dat de Heinoseweg een drukke weg betrof en dat er zich op deze route meerdere verkeerslichten bevonden. Ik heb eerst ongeveer een dertigtal auto’s laten passeren. Op het moment dat de stroom met auto’s was opgehouden, ben ik ervan uitgegaan dat de verkeerslichten ter plaatse op rood waren gegaan. Vervolgens heb ik herhaaldelijk naar links en naar rechts gekeken, en heb ik, toen ik van beide kanten geen verkeer aan zag komen, mijn manoeuvre aangevangen. Ik keek naar rechts en wilde de weg opdraaien. Toen zag ik links opeens een auto naderen. Ik hoorde dat de bestuurder van de auto remde en ik hoorde dat de auto tegen het wiel aan de bestuurderskant aan klapte.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken, betreft dit op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van Politie Eenheid Oost-Nederland, onder dossiernummer PL0600-2016055954, opgemaakt op (d.d.) 3 maart 2016.

2 Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, BHV-nummer 2016055954, opgemaakt d.d. 4 juli 2016, pagina 4 t/m 20.

3 Letselrapportage van GGD IJsselland m.b.t. [slachtoffer 1] , opgemaakt door S.J.Th. Kuijk, forensisch arts, d.d. 29 februari 2016, pagina 24 t/m 27.

4 Letselrapportage van GGD IJsselland m.b.t. [slachtoffer 2] , opgemaakt door S.J.Th. Kuijk, forensisch arts, d.d. 24 februari 2016, pagina 30 t/m 31.