Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4438

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
08.952395-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige man uit Engeland is voor de gewelddadige overval op een Zwolse bloemenhandelaar in 2003 veroordeeld tot 6 jaar cel. De rechtbank Overijssel oordeelt in dit cold caseonderzoek dat de man schuldig is aan het medeplegen een poging doodslag en het vastbinden van het toen 79-jarige slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.952395-16 (P)

Datum vonnis: 28 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in het Huis van Bewaring Ooyershoekseweg,

Verlengde Ooyerhoekseweg 21 te Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 september 2017 en 14 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A. van Veenen van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

  1. in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 te Zwolle samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door met een mes in het hoofd en/of het lichaam van deze [slachtoffer] te steken;

  2. in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 te Zwolle samen met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] met geweld te beroven door deze [slachtoffer] met de beide polsen en beide enkels vast te tapen aan het bed en hem op het hoofd en lichaam te stompen en met een mes in het hoofd en/of lichaam te steken

en/of

in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 te Zwolle samen met een ander of anderen [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd door zijn polsen en enkels vast te tapen aan zijn bed.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of

- (vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of

- (vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tape, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] een of meermalen op het hoofd en/of lichaam geslagen en/of gestompt en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] een of meermalen met (een) mes(sen), althans scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in het hoofd en/of lichaam gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN/OF

hij in of omstreeks de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, immers is/zijn en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en/of

- (vervolgens) de beide polsen, althans armen, en/of de beide enkels, althans benen, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, althans bindmiddel, vastgebonden en/of vastgetapet en/of

- (vervolgens) die vastgebonden en/of vastgetapete polsen, althans armen, en/of enkels, althans benen, met tape, althans bindmiddel op en/of aan het bed, althans de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging terzake het aan verdachte onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Volgens het Europees Arrestatiebevel (EAB) is de overlevering van verdachte verzocht wegens poging doodslag, dan wel poging tot diefstal met geweld en hebben de Engelse justitiële autoriteiten de overlevering alleen voor deze feiten toelaatbaar verklaard. De vervolging van verdachte in Nederland terzake wederrechtelijke vrijheidsberoving is volgens de raadsman in strijd met het in de artikelen 27 en 28 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van 13 juni 2002 (2002/584/BJZ) (hierna: het Kaderbesluit) liggende specialiteitsbeginsel. De raadsman heeft voorts betoogd dat geen sprake is van hetzelfde feit, omdat het beschermd belang van diefstal met geweld is gelegen in de bescherming van geld en goederen en het beschermd belang van wederrechtelijke vrijheidsberoving is gelegen in het beschermen van de integriteit van het menselijk lichaam.

De raadsman heeft verzocht om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging ten aanzien van de onder 2, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ook ontvankelijk is in de vervolging terzake het onder 2, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het specialiteitsbeginsel is inderdaad van toepassing, maar het gaat in deze strafzaak om de geweldscomponent – het vastbinden van iemand met tape – en dat is beschreven bij zowel de poging tot doodslag als de poging tot diefstal met geweld. Het gaat dan ook om hetzelfde feit.

De rechtbank overweegt dat – voorzover al een rechtstreeks beroep kan worden gedaan op het Kaderbesluit nu dit een instructie is aan de wetgever die dit vervolgens in de Overleveringswet heeft geïmplementeerd – door de Nederlandse autoriteiten op grond van de artikelen 45, 287 en 312 Wetboek van Strafrecht aan het Verenigd Koninkrijk om overlevering van verdachte is gevraagd. Dit blijkt uit het EAB, waarvan de rechtbank moet uitgaan, omdat de stukken van de toetsing door de Engelse rechter in het dossier ontbreekt. Gelet op deze stukken van de Nederlandse autoriteiten blijkt dat ‘vastbinden van iemand met tape’ onderdeel uitmaakt van het feitensubstraat dat ten grondslag ligt aan het EAB. Gelet op de overlap van het onmiskenbaar bedoelde beschermd belang in artikel 312 Wetboek van Strafrecht en artikel 282 Sr - te weten een inbreuk op de integriteit van het menselijk lichaam-, is de rechtbank van oordeel dat de toestemming die is verleend voor de overlevering ook impliciet geldt voor de wederrechtelijke vrijheidsberoving, die door de officier van justitie onder 2 tweede cumulatief/alternatief, is ten laste gelegd. Gelet hierop wordt het verweer van de verdediging door de rechtbank verworpen en is de officier van justitie ook ontvankelijk in de vervolging van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

De rechtbank heeft derhalve vastgesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

In de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 lag de 79-jarige aangever [slachtoffer] in zijn bed te slapen toen hij wakker werd van twee gemaskerde mannen die zijn polsen en enkels hadden vastgebonden met tape. [slachtoffer] heeft verklaard dat zijn enkels ook met tape aan de spijlen van het bed waren vastgebonden. [slachtoffer] heeft verklaard dat de mannen hem meermalen op zijn hoofd sloegen en dat één van de mannen een mes had en naar hem uithaalde. [slachtoffer] heeft zijn handen en armen voor zijn hoofd gehouden en werd meerdere malen geraakt aan zijn hoofd en handen en heeft hierbij diverse verwondingen opgelopen.

In de woning van [slachtoffer] heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden en zijn onder andere diverse stukken tape aangetroffen en onderzocht. Uit bemonsteringen van de tape werden DNA-profielen verkregen van aangever [slachtoffer] , een onbekende man A en een onbekende man B. De profielen van de onbekende man A en de onbekende man B werden op 26 september 2003 opgenomen in de DNA-databank en vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Er werden geen overeenkomstige DNA-profielen gevonden. In september 2003 werd het onderzoek naar de overval op [slachtoffer] gearchiveerd.

In het jaar 2014 werd een DNA match gevonden van de onbekende man A met [medeverdachte] . Naar aanleiding van de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] rees een verdenking naar verdachte van betrokkenheid bij de overval op aangever [slachtoffer] . In 2016 bleek dat het DNA-profiel van de onbekende man B matchte met een DNA-profiel in de Engelse databank. Het DNA-profiel van de onbekende man B matchte met het DNA-referentieprofiel van verdachte.

Op 14 juni 2017 is verdachte overgeleverd aan Nederland.

Verdachte heeft elke betrokkenheid bij de overval op [slachtoffer] ontkend. Verdachte heeft verklaard dat hij een gereedschapskist had uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte] en dat daarin door hem eerder gebruikte latex handschoenen en een gebruikte rol ducttape zullen hebben gelegen.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting - overeenkomstig de inhoud van het door hem aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir - gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken voor het onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde – de poging doodslag op [slachtoffer] - en voor het onder 2 tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde – de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] .

Kortgezegd heeft de officier van justitie ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde - poging tot doodslag - aangevoerd dat op basis van de aangifte van [slachtoffer] , de getuigenverklaring van [medeverdachte] en de aangetroffen DNA-sporen van verdachte in de woning van [slachtoffer] – alles in samenhang bezien - wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] aangever [slachtoffer] in de nacht van
9 juli 2003 op 10 juli 2003 heeft vastgebonden met tape, waarbij [slachtoffer] tevens met een mes in zijn gezicht is gestoken en is geslagen. De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat het alternatieve scenario van verdachte gelet op de bewijsmiddelen en de samenhang daarvan niet aannemelijk is geworden.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich - overeenkomstig een aan de rechtbank overgelegde schriftelijke pleitnota - ten aanzien van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde primair op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen.

Weliswaar is DNA van verdachte op tape in de woning aangetroffen, maar verdachte heeft een alternatief scenario gegeven over het feit dat zijn DNA in de woning is aangetroffen. Dit alternatieve scenario wordt ondersteund door het NFI-rapport d.d. 7 november 2017. De raadsman van verdachte heeft voorts betoogd dat de verklaringen van [medeverdachte] als kennelijk leugenachtig moeten worden beschouwd en om die reden niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. In het dossier zit volgens de raadsman dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs; verdachte dient van de gehele tenlastelegging te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich - mocht de rechtbank wel de overtuiging hebben dat verdachte betrokken is geweest bij de mishandeling van [slachtoffer] - subsidiair ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] op de koop toe heeft genomen door te steken met een puntig voorwerp in de hals en aangezicht van [slachtoffer] . Dat sprake was van een aanmerkelijke kans vindt onvoldoende steun in het NFI-rapport en tevens is de verdediging niet in de gelegenheid geweest om [slachtoffer] hierover nader te horen. Nu in het dossier onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, dient verdachte van de onder 1 ten laste gelegde poging doodslag te worden vrijgesproken.

Voorts heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde – diefstal met geweld – op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, nu niet is gebleken dat het opzet van de twee personen was gericht op het wegnemen van geld en/of goederen van [slachtoffer] .

Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van het onder 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde – wederrechtelijke vrijheidsberoving – zijn standpunt gehandhaafd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging verklaard dient te worden wegens schending van het specialiteitsbeginsel.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het tot verdachte te herleiden DNA-spoor dat is aangetroffen op een stukje van een latexhandschoen en op stukjes ducttape die in de berging van de woning van [slachtoffer] zijn gevonden (met SIN AFD654) zogenoemde dadersporen betreffen en zo ja, of met deze sporen, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, voldoende wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde samen met een ander heeft begaan.

De rechtbank ziet zich in deze strafzaak geconfronteerd met twee verschillende scenario’s.

Ten eerste het scenario waarop de tenlastelegging is gebaseerd, inhoudende dat het DNA van verdachte op de plaats delict is aangetroffen, omdat verdachte één van de twee mannen is geweest die de woning van [slachtoffer] is binnengedrongen en deze [slachtoffer] in zijn slaap met tape heeft vastgebonden, terwijl hij, verdachte, latex handschoenen droeg.

Daartegenover staat het scenario van verdachte inhoudende dat zijn DNA op de plaats delict is aangetroffen, omdat hij zijn gereedschapskist had uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte] en dat daarin reeds door hem eerder gedragen latex handschoenen en een reeds eerder gebruikte rol ducttape zaten.

Door de rechtbank dient beoordeeld te worden of de gegevens in het strafdossier aannemelijker zijn bij het scenario van de tenlastelegging of bij het alternatief scenario van verdachte.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Na de melding van aangever [slachtoffer] in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 heeft op de plaats delict vrijwel direct na het incident een forensisch sporenonderzoek plaatsgevonden. Tijdens het onderzoek in de woning zijn diverse verschillende stukken ducttape op verschillende plekken veiliggesteld en in beslag genomen. Met deze tape is [slachtoffer] , zo blijkt uit het forensisch sporenonderzoek, vastgebonden geweest, dan wel is dit tape door de overvallers op de plaats delict achtergelaten. In de berging is aangetroffen een prop grijze ducttape over elkaar geplakt met daartussen delen van een latex handschoen. Genoemde ducttape is gewaarmerkt met het Spoor Identificatie Nummer (SIN) AFD654. Op deze prop ducttape en delen latex handschoen zijn DNA-profielen aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van verdachte. Voor deze profielen geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dat DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

Voorts zijn een stukje ducttape onder het bed (SIN AFD650) en een stuk tape op het matras (SIN AFD651) veiliggesteld en in beslag genomen. Op deze stukken tape zijn DNA-profielen aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte] . Voor deze profielen geldt eveneens dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dat DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

Voorts is door het NFI een soucheonderzoek verricht, hetgeen inhoudt een onderzoek naar de vraag of bepaalde delen ooit één geheel hebben gevormd.

Op grond van de conclusies uit de NFI-rapporten staat naar het oordeel van de rechtbank met voldoende zekerheid vast dat de stukken ducttape oorspronkelijk één geheel hebben gevormd met een totale lengte van 5,31 meter en dat de eerste 47 centimeter van de tape de buitenzijde van de rol heeft gevormd.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de conclusies uit de in de bijlage genoemde NFI-rapporten vast is komen te staan dat DNA van verdachte is aangetroffen op diverse verschillende plekken op de ducttape gerekend vanaf het begin van de rol tape. Zo zit op 3,85 meter van het begin van de rol DNA van verdachte in de vinger van de latexhandschoen (AFD654#2). Tussen 3,595 meter en 5,31 meter van het begin van de rol zit DNA van verdachte in een stukje latex kleefzijde tape (AFD654#07), hetgeen een mengprofiel betreft van verdachte met het slachtoffer. Voorts zit tussen 3,595 meter en 5,31 meter van het begin van de rol DNA van verdachte (AFD654#08) op een stukje latex kleefzijde tape. Tot slot zit op 5,31 meter DNA van verdachte (AFD654#3) in een bijtspoor op het tape, hetgeen een mengprofiel betreft van verdachte, het slachtoffer en [medeverdachte] .

Voor de profielen AFD654#2, AFD654#07 en AFD654#08 geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dat DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.

De rechtbank is van oordeel dat een rol ducttape volgens algemene ervaringsregels een strak opgerolde lange band is waarbij de ene kant van een glad materiaal is gemaakt en de andere kant is voorzien van een sterke lijm. Gebleken is dat het DNA van verdachte op verschillende plekken op de ducttape is aangetroffen tussen 3,85 meter en 5,31 meter. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verschillende plekken waar het DNA van verdachte op de rol is aangetroffen, alsmede gelet op de afstand vanaf het begin van de rol - dat verder weg ligt op de rol dan de eerste 47 centimeter - met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het celmateriaal van verdachte pas op de tape kan zijn overgebracht op het moment dat de tape op de plaats delict werd afgerold, hetgeen past in het scenario van de tenlastelegging.

Dat het DNA van verdachte pas op de plaats delict in de handschoen en op de tape terecht is gekomen, wordt tevens versterkt door het feit dat tussen 3,595 meter en 5,31 meter van het begin van de rol (AFD654#07) een DNA-mengprofiel is aangetroffen van verdachte en het slachtoffer [slachtoffer] . Dit mengprofiel van de rol impliceert dat het celmateriaal van beide donoren in dezelfde tijdspanne op de tape is gekomen. De tape is immers pas tijdens de overval door het slachtoffer aangeraakt, en kan pas door de verdachte zijn aangeraakt nadat de tape was afgerold tot minimaal 3,595 meter vanaf het begin. Het celmateriaal van verdachte kan er dus onmogelijk vóór de overval op zijn gekomen en ná de overval evenmin.

Voorts is op 5,31 meter vanaf het begin van de rol een ander mengprofiel aangetroffen van verdachte, het slachtoffer en [medeverdachte] . De rechtbank is van oordeel dat dit mengprofiel past binnen het scenario dat het slachtoffer is overmeesterd en is vastgebonden met ducttape door twee mannen, waarvan verdachte er één was. Dit scenario wordt nog eens bevestigd door het gegeven dat tijdens het forensisch onderzoek geen melding wordt gemaakt van andere DNA-profielen die zijn aangetroffen, dan die van verdachte, het slachtoffer en [medeverdachte] .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het forensisch onderzoek - en dan met name gelet op het aantreffen van het DNA van verdachte op verschillende locaties op de tape op ruime afstand van het begin van de rol én de vast te stellen gelijktijdigheid waarmee DNA van verdachte en van het slachtoffer en/of van medeverdachte [medeverdachte] op de tape is gekomen – voldoende vast is komen te staan dat het DNA van verdachte op de latexhandschoen en op de ducttape terecht moet zijn gekomen op de plaats delict ten tijde van het vastbinden van [slachtoffer] en derhalve onmiskenbaar als daderspoor is aan te merken.

De rechtbank is van oordeel dat de uitkomsten van voornoemd forensisch onderzoek en het scenario van de tenlastelegging voorts nog worden ondersteund door de volgende bewijsmiddelen.

In het dossier zit de aangifte van [slachtoffer] die heeft verklaard dat hij wakker werd en bleek te zijn vastgebonden met tape en dat op dat moment twee gemaskerde mannen naast zijn bed stonden die in een voor hem vreemde taal spraken. Dit past binnen het gegeven dat verdachte van Iraakse komaf is en medeverdachte [medeverdachte] van Syrische komaf is.

Voorts worden de uitkomsten van het forensisch onderzoek en het scenario van de tenlastelegging nog ondersteund door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] .

Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] als kennelijk leugenachtig ter zijde moet worden geschoven en niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet.

De rechtbank constateert dat medeverdachte [medeverdachte] in zijn afgelegde verklaringen voor wat betreft zijn eigen rol weliswaar niet eenduidig is geweest, maar dat zijn verklaringen over de nacht van de overval en de toen aanwezige personen wel betrouwbaar en geloofwaardig wordt geacht. Zo heeft medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat hij in de nacht van de overval twee mannen heeft afgezet in de buurt van de plaats delict en dat hij in diezelfde nacht telefonisch contact heeft gehad met één van de mannen, te weten [naam] . Dit wordt bevestigd door het proces-verbaal van bevindingen waaruit is gebleken dat de telefoon van [medeverdachte] en de telefoon van [naam] zich rond het tijdstip van de overval onder het bereik van palen in de omgeving van de plaats delict bevonden. Voorts is uit het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] uit eigen initiatief en uit eigen wetenschap heeft verklaard over de tweede man die aanwezig was, de Iraakse jongen ‘ [verdachte] ’, waarvan vast is komen te staan dat dit verdachte is. Dat medeverdachte [medeverdachte] , [naam] en verdachte elkaar kenden en tevens regelmatig met elkaar omgingen, wordt tevens ondersteund door de eigen verklaring van verdachte.

Alternatief scenario

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting aangevoerd dat een plausibele verklaring kan worden gegeven voor de aanwezigheid van het voor verdachte belastend forensisch bewijsmateriaal op de plaats delict, namelijk dat hij zijn gereedschapskist had uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte] . In die gereedschapskist zaten volgens verdachte latexhandschoenen die eerder door hem waren gedragen. Tevens zat in de gereedschapskist een door verdachte eerder gebruikte rol ducttape. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de rol ducttape eerder had gebruikt bij het afplakken van auto’s en dat hij daarbij latex handschoenen heeft gedragen. Vervolgens had verdachte de rol weer opgerold om te kunnen hergebruiken. Volgens verdachte zijn deze spullen gebruikt bij de overval op [slachtoffer] .

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in zijn verschillende afgelegde verklaringen bij de politie en ter zitting ten aanzien van dit alternatieve scenario wisselend en niet eenduidig heeft verklaard. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het scenario van verdachte – dat hij zijn gereedschapskist aan [medeverdachte] had uitgeleend - niet verifieerbaar is. De rechtbank overweegt hierbij dat [medeverdachte] tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 23 oktober 2017 door de verdediging helemaal niet is bevraagd over dit alternatieve scenario en het lenen van de gereedschapskist van verdachte.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het gebruiken van een rol ducttape om een auto af te plakken en daarna weer op te rollen zodat deze tape nogmaals kan worden gebruikt– gelet op de aard en het soort tape – waarbij tevens door verdachte latex handschoenen zijn gedragen - volstrekt onaannemelijk is. Dit geldt temeer nu op de tape op een afstand tussen 3,595 meter en 5,31 meter vanaf het begin van de rol tape en op een afstand van 5,31 meter vanaf het begin van de rol tape DNA-mengprofielen zijn aangetroffen van verdachte en het slachtoffer en van verdachte, het slachtoffer en [medeverdachte] . Dit impliceert immers dat het DNA van verdachte nimmer vóór de overval op de tape terecht kan zijn gekomen.

De rechtbank acht gelet op al het hiervoor overwogene dan ook het alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk geworden.

Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank de aangevoerde bewijsverweren en acht de rechtbank op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die samen met een medeverdachte in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 aangever [slachtoffer] met ducttape aan zijn polsen en enkels heeft vastgebonden en vervolgens aan de bedspijlen, waarbij de vastgebonden [slachtoffer] tevens in zijn gezicht en tegen zijn lichaam is geslagen en met een mes in zijn hoofd en in zijn lichaam is gestoken.

Poging tot doodslag

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het verdachte is geweest die met een mes in het gezicht en in het lichaam van [slachtoffer] heeft gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door verdachte en medeverdachte gepleegde feitelijkheden - het gezamenlijk binnenkomen in de nachtelijke uren in de woning van [slachtoffer] , waarbij beide verdachten samen [slachtoffer] hebben vastgebonden en in zijn gezicht en tegen zijn lichaam hebben geslagen en één van de verdachten een mes in zijn hand houdt en [slachtoffer] meermalen in zijn hoofd hals, en handen heeft gestoken, - sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat een en ander moet worden aangemerkt als medeplegen.

In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een poging doodslag. Eén van de verdachten heeft met een mes stekende bewegingen in de richting van het lichaam en het hoofd van [slachtoffer] gemaakt en [slachtoffer] is daarbij ook daadwerkelijk meermalen geraakt, zowel aan het hoofd, de hals en de handen. Dit wordt bevestigd door de NFI-rapporten die opgemaakt zijn naar aanleiding van het letsel van [slachtoffer] . Naar de uiterlijke verschijningsvorm is dit handelen van de verdachte zodanig gericht op het toedienen van dodelijk letsel, dat geoordeeld moet worden dat de verdachte minst genomen voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer] had. In de hals bevinden zich immers meerdere slagaders en de kans dat vitale delen van het lichaam zouden zijn geraakt is daarmee aanmerkelijk. Verdachte heeft die kans, gelet op de doelgerichtheid van zijn gedragingen, het meermalen in steken op het hoofd en lichaam van [slachtoffer] , ook welbewust aanvaard.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld over medeplegen, wordt het steken met het mes aan verdachte toegerekend.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Diefstal met geweld

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat op basis van de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 geld dan wel goederen van [slachtoffer] uit zijn woning zijn weggenomen, zodat verdachte van het onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde - diefstal met geweld - vrijgesproken dient te worden.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

Naar het oordeel van de rechtbank kan - op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder 1 reeds is geoordeeld - vastgesteld worden dat verdachte en zijn medeverdachte de woning van [slachtoffer] zijn binnengedrongen toen [slachtoffer] lag te slapen en hem bij polsen en enkels met ducttape hebben vastgebonden. Tevens heeft verdachte samen met een medeverdachte [slachtoffer] met ducttape aan de spijlen van het bed vastgebonden. Hierdoor kon [slachtoffer] zijn bed en zijn woning gedurende enige tijd niet verlaten.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een medeverdachte in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever [slachtoffer] , zoals onder 2 tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 eerste cumulatief/alternatief is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij en/of een ander in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003 in de gemeente Zwolle, ter uitvoering van het door verdachte en/of een ander voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met een mes, in het hoofd en lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. tweede cumulatief/alternatief

hij in de nacht van 9 juli 2003 op 10 juli 2003, in de gemeente Zwolle, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, immers zijn en/of hebben verdachte, en/of zijn mededader:

- de woning van die [slachtoffer] wederrechtelijk binnengedrongen en

- (vervolgens) de beide polsen, en/of de beide enkels, van die (slapende) [slachtoffer] met tape, vastgebonden en/of vastgetapet en/of

- (vervolgens) die vastgebonden enkels met tape, op en aan de bedspijlen vastgebonden en/of vastgetapet.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en onder 2 tweede cumulatief/alternatief meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 47, 287 en 282 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: medeplegen van poging tot doodslag;

feit 2 tweede cumulatief/alternatief

het misdrijf: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van het voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van een eventuele strafoplegging op het standpunt gesteld dat aan verdachte een aanzienlijk lagere straf opgelegd dient te worden dan door de officier van justitie geëist.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met een mededader schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en de wederrechtelijke vrijheidsberoving van een kwetsbaar slachtoffer, te weten de destijds bijna 80-jarige aangever. Verdachte is samen met zijn mededader in de nacht de woning van aangever binnengegaan en heeft de bejaarde man in zijn slaap vastgebonden met tape. Ook heeft hij, terwijl het slachtoffer was vastgebonden, hem meermalen met een mes in zijn lichaam en hoofd gestoken. Het slachtoffer is in die nacht enige tijd gekneveld geweest aan zijn handen en voeten, terwijl dit gebeurde in zijn eigen woning, bij uitstek een plek waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Verdachte heeft zeldzaam bruut geweld gebruikt jegens een oud weerloos slachtoffer dat lag te slapen en heeft zich daarbij geen enkele rekenschap gegeven van de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen kunnen nog langdurig angstgevoelens en psychische klachten ondervinden. In deze zaak heeft het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte nooit meer terug kunnen keren naar zijn eigen woning en heeft tot zijn overlijden verbleven in een verzorgingstehuis. Tevens versterkt dergelijk gewelddadig optreden de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent verdachte dit handelen zeer zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van:

  • -

    een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 5 september 2017, opgemaakt door G.M.J. Meurs en

  • -

    het uittreksel justitieel documentatieregister d.d. 11 oktober 2017.

Uit voornoemd reclasseringsadvies komt naar voren dat verdachte een 38-jarige man is, die eerder getrouwd is geweest en uit dat huwelijk drie kinderen heeft. Verdachte huurt nu met zijn vrouw en baby een woning in [woonplaats] in Engeland en was tot aan zijn aanhouding werkzaam in Engeland. Vanwege de naderende Brexit is verdachte voornemens om weer in Nederland te gaan wonen en heeft hier een baan aangeboden gekregen. Gelet op de ontkennende houding van verdachte heeft de reclassering zich onthouden van een strafadvies.

De rechtbank is van oordeel dat vanwege de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van substantiële omvang noodzakelijk is. Gezien de feitenconstellatie in deze strafzaak heeft de rechtbank bij de bepaling van de straf mede acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk overleg vakinhoud strafrecht (LOVS) die gelden voor een woningoverval. Voor een woningoverval wordt in beginsel 5 jaar gevangenisstraf passend geacht. De rechtbank heeft als strafverzwarende omstandigheden meegenomen dat tijdens de woningoverval sprake is geweest van bruut geweld en tevens van een kwetsbaar slachtoffer.

Alles afwegende acht de rechtbank in dit geval oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27 en 57 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en onder 2 tweede cumulatief/alternatief meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1: het misdrijf: medeplegen van poging tot doodslag;
    feit 2: het misdrijf: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 tweede cumulatief/alternatief bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. A.A.A.M. Schreuder en mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 november 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Oost-Nederland TGO Bloem, met dossiernummer 2017268274. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 10 juli 20031, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever [slachtoffer] :

Pleegplaats/-adres: Zwolle, [adres]

Nadere omschrijving: woning

Incident: geweld met letsel met wapen

Pleegdatum/-tijd: tussen woensdag 9 juli 2003 10:30 uur en

donderdag 10 juli 2003 02:43 uur(..)

Ik doe aangifte van poging tot doodslag, wederrechtelijke vrijheidsbeneming en zware mishandeling.(..)

Vannacht werd ik wakker van een aanraking aan mijn handen. Ik wilde mijn armen bewegen, maar dit lukte niet, ik was vast. Ik deed mijn ogen open en zag gelijk twee zwarte maskers. Daarna zag ik dat aan beide zijden van het bed een man stond. Ik weet zeker dat het twee mannen waren. Ik hoorde de twee mannen heel snel in een voor mij vreemde taal met elkaar praatten. Ik hoorde aan de stemmen dat het mannen waren. (..) De maskers, die ze droegen waren zwart van kleur. Ik kon het haar van de mannen niet zien, ook de monden niet. (..) Het licht in de hal was aan. Het was schemerdonker in de slaapkamer. De man, die rechts van mij stond had iets in zijn handen, maar ik weet niet wat. Aan de linkerzijde van mij stond de man, met in zijn rechterhand een mes. Toen ik wakker werd was ik nog niet gestoken. Toen ik wakker werd heb ik eerst niets gezegd. Plots voelde ik harde slagen op mijn hoofd. Ik denk dat ik in totaal wel 3 of 4 slagen heb gehad op mijn hoofd. Ik zag dat beide mannen mij op mijn hoofd sloegen met de blote vuisten. Ik heb toen wel wat gezegd, maar weet niet wat, ik denk; oh god.” ofzo.

Het mes was een steekmes. Het was breed bij het handvat en smal aan het eind. Het had een zwart handvat. Het snij vlak was ongeveer 12 cm. lang. Totaal was het mes ongeveer 20 cm. lang. Het was een glad mes. Over de kleding van de twee mannen kan ik niets zeggen. Ik weet niet was ze aan hadden. Het volgende moment zag ik dat de man met het mes mij boven het linker oog stak. Ik voelde een heftige pijn. Ik was bang dat hij mij wilde vermoorden. Ik heb het idee dat hij vanaf hoog met een boog van voren in zijn had op mijn hoofd in stak. Ik totaal stak hij drie keer, geloof ik. Ik weet niet of de mannen handschoenen droegen. Ik heb geprobeerd het mes af te weren. Ik heb het mes meerdere malen in mijn handen gehad. Ik heb dan ook snijwonden in mijn handen. Ik heb het mes vast gepakt, meerdere malen, tijdens het steken. Ik heb geschreeuwd en ben tegen de mannen gaan platen over Allah en de moskee en dat ze van Allah geen mensen mogen vermoorden. Plots was het stil. Ik hoorde niets meer. Ik heb de mannen niet de slaapkamer uit horen en zien gaan. Ik ben volgens mij niet buiten bewustzijn geraakt. Het geweld hield plots op. (..) Later hoorde ik ze niet meer. Toen de mannen weg waren heb ik mijn handen vrij gemaakt. Volgens mij zaten er knopen in, maar was het hanzaplast, ofzo, waarmee ik vastgebonden zat. Ik heb mijn handen los gewrongen. Dit duurde ongeveer 5 minuten. Ik weet niet zeker of het touw of tape was, maar het was geknoopt. Dat weet ik zeker. Het was dik spul. Daarna heb ik mijn voeten los gemaakt, die zaten op dezelfde manier vast met hetzelfde spul. De binnen polsen van mijn handen zaten aan elkaar vastgebonden. Ook zaten mijn enkels aan elkaar vast. De enkels zaten ook vast aan een spijl van het bed, aan de achterkant. Het spul waarmee ik vast had gezeten, heb ik nadien van me af gegooid.

Een NFI-rapport d.d. 22 januari 20152 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(..) Onderzoek naar de aard en oorzaak van letsels die op 10 juli 2003 zijn vastgesteld bij de heer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] . (..)

Mogelijk 16 van de 25 beschreven letsels (kunnen) zijn opgeleverd door snijden dan wel steken met een scherprandig en scherppuntig voorwerp zoals bijvoorbeeld een scherppuntig mes.

Een NFI-rapport d.d. 18 februari 20153 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(..) Bij de heer [slachtoffer] zijn meerdere letsels vastgesteld die het gevolg waren van krassen, snijden en/of steken met een scherprandig en scherppuntig voorwerp, zoals een scherppuntig mes. Deze letsels bevonden zich voornamelijk aan het hoofd, de hals en de handen. (..)

Snij/steekletsels in het hoofd en de hals kunnen resulteren in ernstige c.q. fatale complicaties; Snij/steekletsels aan de handen kunnen invaliderende gevolgen hebben en door bloedverlies mogelijk in geringe mate een bijdrage leveren aan een ernstig c.q. fataal beloop.

Een proces-verbaal van inbeslagneming van sporenmateriaal d.d. 18 juli 20034, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant of één van hunner:

(..) Omschrijving delict:

Overval op een bejaarde man in zijn woning aan de [adres] te Zwolle op 10 juli 2003, waarbij het slachtoffer werd geboeid, mishandeld en met een mes gestoken.(..)

Souche type: vingertop hands, plaats aantreffen: onder bed, voeteneind

AFD655

Souche type: Stukje tape, plaats aantreffen: onder bed voeteneind

AFD650

Souche type: stukje tape, plaats aantreffen: linkerzijkant matras

AFD651

Souche type: stukje tape, plaats aantreffen, spijl voeteneind

AFD652

Souche type: stukje tape, plaats aantreffen, vloer bergruimte

AFD654

Een NFI-rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte met bijlage d.d. 1 september 20175 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

DNA-onderzoek

Aan het referentiemonster wangslijmvlies RABH942ONL van verdachte [verdachte] is DNA-onderzoek verricht. Van het DNA in dit referentiemonster is een DNA-profiel verkregen.

Vergelijkend DNA-onderzoek

Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] RABH942ONL is vergeleken met het DNA-profiel van het DNA in bemonstering AFD654#02 van een stukje latex (gekoppeld aan onbekende man B). Het DNA-profiel van [verdachte] matcht met dit DNA-profiel. Dit betekent dat het DNA in deze bemonstering afkomstig kan zijn van [verdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

De uitslag van deze vergelijking betekent dat [verdachte] donor kan zijn van DNA in de volgende bemonsteringen (eerder gekoppeld aan onbekende man B):

AFD654#02 een bemonstering van de binnenzijde van een stuk latex op een stuk tape aangetroffen op de vloer van een bergruimte

AFD654#03 een bemonstering van een vermeend bijtspoor op een uiteinde van een stuk

tape

AFD654#07 een bemonstering van een stukje latex op de kleefzijde van stukje tape

aangetroffen op de vloer van een bergruimte

AFD654#08 een bemonstering van een stukje latex op de kleefzijde van stukje tape

aangetroffen op de vloer van een bergruimte (..)

Een proces-verbaal DNA-match [medeverdachte] d.d. 1 mei 20156, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, het relaas van verbalisant of één van hunner:

(..) Op 10 juli 2003, omstreeks 02.40 uur vond een overval plaats op de bewoner van perceel [adres] te Zwolle. De bewoner, de toen 79-jarige [slachtoffer] , lag te slapen in zijn slaapkamer toen hij werd gewekt en mishandeld.(..)

Na onderzoek werden, buiten het DNA-profiel van het slachtoffer, twee separate DNA-profielen bruikbaar geacht. Deze werden in de bescheiden van het NFI aangeduid als ‘onbekende man A’ en ‘onbekende man B’. Op 14 januari 2014 werd in het kader van de Wetgeving DNA en Veroordeelden het referentiemonster opgenomen van [medeverdachte] , geboren op 12 januari 1982. [medeverdachte] voornoemd bleek te matchen met genoemde en bedoelde ‘onbekende man A’.

Een NFI-rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde met bijlage d.d. 17 januari 20147 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(..) Aan het referentiemonster wangslijmvlies RAAU5853NL van de veroordeelde [medeverdachte] is DNA-onderzoek verricht. (..) Het DNA in het sporenmateriaal met de identiteitszegels AFD650#1,(..) uit DNA-profielcluster 19694, kan afkomstig zijn van [medeverdachte] . (..) De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Een NFI-rapport criminalistische interpretatie van de resultaten van het soucheonderzoek en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 d.d. 30 juli 20158 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(..) Soucheonderzoek

Overzicht van de resultaten en conclusies van het soucheonderzoek aan tape

Op basis van overeenkomende klasse-, productie- en scheidingskenmerken, passen alle tapedelen van AFD65O t/m AFD654 aan elkaar, in een volgorde zoals in figuur 1 schematisch is weergegeven.

Voor de bevindingen van het soucheonderzoek is een bewijskracht gegeven. Voor het bepalen van de bewijskracht is uitgegaan van de volgende hypothesen op bronniveau:

Hypothese 1: De ontvangen delen grijze duct tape (AFD65O tot en met -654) hebben oorspronkelijk één geheel gevormd in de volgorde zoals weergegeven in figuur 1.

Hypothese 2: De ontvangen delen grijze duct tape [AFD65O tot en met -654] hebben oorspronkelijk één geheel gevormd in een andere volgorde dan is weergegeven in figuur 1 of met ontbrekende delen soortgelijke grijze duct tape.

De bevindingen van het soucheonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is, dan wanneer hypothese 2 juist is.

De in volgorde aan elkaar passende tapedelen wordt het tapegeheel genoemd.

Uiteinde 25 en 19 S zijn de twee buitenste uiteinden van het tapegeheel, waarvan er maar één het buitenste uiteinde van de rol tape kan zijn geweest. Uiteinde 2E is als enige gesneden en omgeslagen. De andere uiteinden zijn door scheuren (waaronder uiteinde 19E) of knippen ontstaan. Deze combinatie van bevindingen wordt verwacht wanneer uiteinde 2B het buitenste uiteinde van de rol tape is geweest. Uitgaande van een roldiameter van 15 centimeter (gebruikelijk voor een rol met een lengte van circa 50 meter tape), heeft de eerste 47 centimeter van tapedeel 2 [AFD651J, gezien vanaf het omgeslagen uiteinde 28, de buitenzijde van de rol gevormd.(..)

Conclusie

Hypothese 1; Verdachte [medeverdachte] heeft de tape van de rol gescheurd en/of het slachtoffer met tape vastgebonden.

Hypothese 2; Een onbekende persoon heeft de tape van de rol gescheurd en/of het slachtoffer met tape vastgebonden. De verdachte is hier niet bij betrokken geweest Ten aanzien van bovengenoemde hypothesen, en onder de genoemde aannamen, concluderen wij:

De resultaten van het DNA-onderzoek in combinatie met de resultaten van het soucheonderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Een NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 d.d. 8 december 20169 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(..) 2) Verzocht om de matchkans te berekenen van het DNA-profiel verkregen uit het DNA in bemonstering AFD654#08.(..)

(..) Tabel 1 Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel

Celmateriaal kan afkomstig zijn van

Matchkans DNA-profiel

(..) AFD654#2

DNA-profiel van een man

Onbekende man B

Kleiner dan 1 op 1 miljard

AFD654#3

DNA-mengprofiel van minimaal 3 personen

[slachtoffer] , [medeverdachte] en onbekende man B

Zie statische evaluatie

AFD654#07

DNA-mengprofiel van minimaal 2 personen

Onbekende man B (DNA-hoofdprofiel) [slachtoffer] (DNA-nevenprofiel)

Kleiner dan 1 op 1 miljard

(..) Statische evaluatie

Ten aanzien van onderzoeksvraag 2 (bemonstering AFD654#8)

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met het DNA-profiel van het DNA in de bemonstering AFD654#08 is kleiner dan één op één miljard.(..)

Ten aanzien van bemonstering AFD654#3(..)

Hypothese I: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] , onbekende man B en een willekeurige onbekende persoon.

Hypothese II: De bemonstering bevat DNA van [slachtoffer] en van twee willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljoen maal waarschijnlijker als hypothese 1 waar is dan als hypothese II waar is.

Een NFI-rapport aanvullende onderzoek en beantwoording van vragen naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 d.d. 20 juli 201710 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

(..) In tabel 1 zijn de afstanden van de relevante DNA-bemonsteringen ten opzichte van de linker- en rechteruiteinde van het tapegeheel bij benadering weergegeven:

Tabel 1

DNA-bemonstering

Tapedeel nr.

Afstand t.o.v. rechter uiteinde tapedeel 2B

Afstand t.o.v. linker uiteinde tapedeel 19B (..)

AFD654#02

24

385 cm

146

AFD654#03

19

531 cm

0 cm (..)

AFD654#07

Ergens op 19 t/m 24

359,5 – 531 cm

0 – 171,5 cm

AFD654#08

Ergens op 19 t/m 24

359,5 – 531 cm

0- 171,5 cm

Opmerkingen: De totale lengte van het tapegeheel bedraagt 531 cm.

Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 12 december 201411 , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

Er is mij gisteren door de politie een kleine foto getoond. Eerst herkende ik de man op de foto niet. Toen ik in mijn cel was herinnerde ik mij deze man op de foto toch. Ik denk dat ik die man wel ken. Ik ken hem van Zwolle van de straat. Ik ben wel eens met hem omgegaan. (..) Ik ben automonteur en gebruik tape. Misschien heeft iemand de tape die ik eerder heb gebruikt opnieuw gebruikt. Ik ben zelf niet in die woning geweest maar het kan goed zijn dat ik de jongens die het gedaan hebben wel heb weggebracht naar die woning. De politie zegt immers dat ik telefonisch contact heb gehad met [naam] . Er was ook een Irakese jongen bij maar ik herinner mij zijn naam niet. Ik kende die jongens van de straat of de coffeeshop. Ik herinner mij dat ik die jongens ergens heen heb gebracht. Ik herinner mij dan niet of het laat was. Ik heb deze jongens wel vaker ergens heen gebracht. Ik heb een auto en als iemand mij vraagt ze weg te brengen dan doe ik dat. Ik heb op de jongens gewacht en daarna kwamen ze weer terug. Ik weet niet waar ze heen gingen. Ik heb dat ook niet gevraagd. Ze zeiden dat ze 10 minuten weg zouden blijven. Ze waren een beetje laat daarom belde ik.

Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 16 december 201412 , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

(V: We hebben het vorige week met je gehad over het telefonisch contact van jou met [naam] in de nacht van de overval. Is dat ook de persoon van de foto?)

Ik kan mij dat niet herinneren. Wel weet ik dat ik via die [naam] een andere Irakese jongen heb leren kennen. Dat was een wat grotere forsere jongen. Hij was iets ouder dan mij en had 2 kinderen.(..) Ik weet dat die jongen ergens in Holtenbroek woonde, maar zijn ouders hadden een winkel naast [coffeeshop] aan [adres] in Zwolle. Die ouders woonden zelf in Zwolle-Zuid. Daar ben ik 1 x geweest. Ik weet niet hoe die jongen heette. Ik weet zijn voor- of achternaam niet meer. Wel weet ik dat hij een keet naar Engeland is geweest en daar toen ook een oude Rover heeft gekocht (..)

(V: Je hebt vrijdag ook bij de Rechter-Commissaris verteld, dat je zelf geen overval hebt gepleegd, maat dat je wel eens jongens hebt weggebracht. Klopt dat?)

Ik heb heel vaak jongens weggebracht. Als jongens mij dat vragen dan doe ik dat. Ik heb die [naam] ook wel eens weggebracht. Dan waren we in de coffeeshop en dan bracht ik de jongens wel eens weg naar de stad. Ik kan mij herinneren dat ik die [naam] een keer achterin Holtenbroek heb afgezet. Ik weet niet of die andere Irakese jongen daar ook bij was. Ze waren wel vaak bij elkaar. Dat was ergens achter de Gamma bij de Zwartewaterallee. Op het industrieterrein.

(V: Was dat middenin de nacht?)

Dat zou kunnen. Dat kan ik mij niet herinneren, maar dat zou wel kunnen.

(V: Hoe is dat verder gegaan? Wat moesten ze daar?)

Dat zou ik echt niet weten. Ze zeiden dat ze zo terug zouden komen. Ik moest met de auto blijven wachten. Ze zouden zo terug komen. Ik heb toen gewacht. Ik kan mij niet herinneren dat ik toen naar die [naam] gebeld heb, maar dat zou wel kunnen, omdat het misschien allemaal te lang duurde.

(V: Waar zijn ze heen gelopen?)
Ze zijn gewoon recht voor mij uitgelopen, maar ik weer niet waar ze heen gingen.

(V: Hoe ver heb je ze zien lopen?)
Iets van 20 meter, maar kan ook wel 50 of 70 meter zijn. Ik zat in de auto. Ik weet niet of ze rechts of links zijn gegaan. Ik zag ze een klein stukje weglopen en daarna niet meer.

(V: Wat was het telefoonnummer van die [naam] dan?)

Dat weet ik niet. Ik heb wel het hele weekeinde nagedacht over de naam van die andere Irakese jongen, maar ik kan er niet opkomen. Mogelijk [verdachte] , maar ik weet dat niet zeker. Dat is wel een naam die ik mij van vroeger herinner, maar ik ben daar niet zeker van.

(V: Hoe lang heb je op die jongens staan wachten dan?)

Ik denk ongeveer 10 minuten. Hooguit een kwartiertje, maar langer niet, want als ik vantevoren wist dat het een half uur zou duren dan was ik daar niet op blijven wachten. Dan was ik wel naar huis gegaan.

(V: Na 10 a 15 minuten kwamen die jongens terug. En dan?)

Toen heb ik ze naar huis gebracht. Die andere Irakese jongen woonde in de grote flat aan de [adres] in Holtenbroek. Ik kan mij nog herinneren dat die jongen een Russische vrouw had met een hoofddoek. Dat was ook een forse vrouw. Die [naam] heb ik toen naar zijn huis aan [adres] in Zwolle gebracht. Ik heb hem toen voor de deur afgezet. Ik ben daar nooit binnen geweest. Dat was het huis van zijn ouders.(..)

(V: Met wie bedoel jij die jongens”?)

A: Daarmee bedoel ik [naam] en die andere Irakese jongen met die Russische vrouw, mogelijk [verdachte] .

Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] d.d. 23 oktober 201713 , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte [medeverdachte] :

(..) Ik ken de ene jongen als [verdachte] , dat is [verdachte] .

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 201414, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant of één van hunner:

(..) Op 10-07-2003 om 02:37:48 werd door nummer (31) [telefoonnummer 1] contact gelegd/gepoogd contact te leggen met nummer (31) [telefoonnummer 2] (duur 3 sec) Beginpaal [adres] – Eindpaal [adres] .

Uit de gegevens van RBT Bloem blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] in 2003 op naam stond van [medeverdachte] , [adres] .

Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] stond in 2003 op naam van [naam] , [adres] .(..)

De telefoon van verdachte [medeverdachte] en de telefoon van [naam] bevonden zich rond het tijdstip van de overval onder bereik van palen in de omgeving van de PD.

Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 15 juni 201715, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

(..) (V: In hoeverre ken jij [medeverdachte] ?)
Ik kende hem via [naam] . Dit was gewoon op straat. Ik kan me niet herinneren hoe dat is gegaan. Maar het was op straat. We gingen wel eens samen met vrienden uit. Het was gewoon een vriend.

(V: In hoeverre ken jij [naam] ?)
Volgens mij kende hij [naam] en [naam] . Hij ging ook om met vrienden van mij. Ik kan het mij niet goed herinneren. Volgens mij was hij van een tweeling. (..)

(V: Wij tonen jou een fotoblad. Wie zijn de personen die jij op deze foto’s ziet (bijlage 5)

De linkse persoon is [naam] . Dit is de [naam] over wie ik net sprak. De middelste op de foto ben ik.

1 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 10 juli 2003, pag. 2031 t/m 2035.

2 NFI-rapport d.d. 22 januari 2015, opgemaakt door forensisch arts D. Botter, pag. 3161 t/m 3166.

3 NFI-rapport d.d. 18 februari 2015, opgemaakt door forensisch arts D. Botter, pag. 3167 t/m 3172.

4 Proces-verbaal van inbeslagneming van sporenmateriaal d.d. 18 juli 2003, pag. 3051 t/m 3055.

5 NFI-rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een verdachte en bijlage d.d. 1 september 2017, opgemaakt door B. Kokshoorn pag. 3299 t/m 3301.

6 Proces-verbaal van DNA-match [medeverdachte] d.d. 1 mei 2015, pag. 3040.

7 NFI-rapport DNA-onderzoek aan een referentiemonster van een veroordeelde en bijlage d.d. 17 januari 2014, opgemaakt door V.G. Costa pag. 3042 t/m 3044.

8 NFI-rapport criminalistische interpretatie van de resultaten van het soucheonderzoek en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 d.d. 30 juli 2015, opgemaakt door B. Kokshoorn en R.P. Visser pag. 3302 t/m 3313.

9 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 d.d. 8 december 2016, opgemaakt door B. Kokshoorn pag. 3262 t/m 3268.

10 NFI-rapport aanvullend onderzoek en beantwoording vragen naar aanleiding van een gewapende overval gepleegd in Zwolle op 10 juli 2003 d.d. 20 juli 2017, opgemaakt door B. Kokshoorn pag. 3275 t/m 3281.

11 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 12 december 2014, pag. 2216.

12 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 16 december 2014, pag. 2220 t/m 2221.

13 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 23 oktober 2017 bij de R-C, losbladig.

14 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2014, pag. 2168 en 2169.

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 15 juni 2017, pag. 1066 en 1067 en 1080.