Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4435

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-11-2017
Datum publicatie
28-11-2017
Zaaknummer
C/08/201547 / FA RK 17-1012
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Behoefte vaststellen in geval partijen nimmer in gezinsverband hebben samengewoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer: C/08/201547 / FA RK 17-1012

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d.

10 november 2017

inzake

[verzoekster] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. P.L. Hellinga te Zwolle,

en

[verweerder] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. D.J. Sol te Zwolle.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 03 mei 2017;

- het verweer, binnengekomen op 18 juli 2017;

- op 5, 6 en 10 oktober 2017 binnengekomen stukken van mr. Sol.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 10 oktober 2017. De man is, zoals aangekondigd niet in persoon verschenen, doch vertegenwoordigd door mr. Sol, nu de rechtbank het uitstelverzoek van de man niet heeft gehonoreerd. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat.

1.3.

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van de rechtbank binnengekomen:

- een op 13 oktober 2017 binnengekomen brief van mr. Sol van 12 oktober 2017 met bijlage (herstelbeschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 11 oktober 2017).

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad doch hebben nimmer samengewoond. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Partijen zijn ouders van het navolgende minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [2017] , hierna te noemen [minderjarige] . De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . De vrouw heeft drie andere minderjarige kinderen van twee ex-echtgenoten.

2.3.

Bij beschikking van 2 augustus 2017, hersteld/verbeterd bij beschikking van 11 oktober 2017, heeft de rechtbank Noord-Nederland de man als alleenstaande – en voor zover thans van belang – met ingang van [datum] een door hem te betalen kinderalimentatie opgelegd voor zijn dochter [X] (geboren op [2005] uit een eerder huwelijk van de man) van € 231,- per maand.

3 Het verzoek

De vrouw verzoekt (uiteindelijk) de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van [geboortedatum] vast te stellen op € 223,- per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

4 Het verweer

De man voert verweer, althans, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de kinderbijdrage wordt bepaald op € 25,-.

5 De beoordeling

5.1.

De ouders verschillen van mening over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] .

5.2.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen. In een situatie als de onderhavige waarin de ouders nimmer met elkaar in gezinsverband hebben samengeleefd, wordt de behoefte van een kind aldus bepaald dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder. De inkomens dienen dus niet bij elkaar te worden opgeteld.

5.3.

[minderjarige] is geboren op [2017] , zodat het inkomen dat door de man en de vrouw in 2017 wordt gegenereerd in beginsel als leidraad heeft te gelden voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] .

5.4.

De rechtbank gaat op basis van de totalen op de salarisstrook van de man van september 2017 (jaarinkomen ABP) ervan uit dat het belastbare loon van de man in dat jaar € 42.934,72 bedraagt, hetgeen rekening houdend met de voor hem geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen, neerkomt op een besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.522,- netto per maand.

5.5.

Het feit dat de behoefte op basis van een gemiddelde wordt berekend, maakt dat het NBI van de man (enkel voor de berekening van de behoefte) (fictief) wordt verhoogd met het kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop wat de man had kunnen ontvangen als [minderjarige] in zijn huishouden zou verblijven. De rechtbank schat dit bedrag aan kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop in op € 223,- per maand. Aan de zijde van de man gaat de rechtbank daarom uit van een NBI van de man van € 2.745,- per maand. Zie daarvoor de aangehechte berekening: NBI tijdens relatie ( [verweerder] ) met fictief KGB/AOK.

5.6.

Op basis van genoemde tabel 2017 en voormeld (verhoogd) NBI van de man berekent de rechtbank de behoefte van [minderjarige] aan een bijdrage van zijn ouders op basis van het inkomen van de man op € 407,- per maand (4 punten, tabel voor 1 kind).

5.7.

Het inkomen van de vrouw is niet geschil en bedraagt € 15.175,- per jaar (jaaropgaaf 2016 Wajong uitkering), hetgeen rekening houdend met de voor haar geldende tarieven inkomstenbelasting en de heffingskortingen, neerkomt op een besteedbaar inkomen van € 990,- netto per maand.

5.8.

De rechtbank vermeerdert ook dit NBI met het kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop, door de rechtbank geschat op € 513,- per maand. Aan de zijde van de vrouw gaat de rechtbank daarom uit van een NBI van € 1.503,- per maand. Zie daarvoor de aangehechte berekening: draagkrachtberekening [verweerder] / [verzoekster] .

5.9.

Op basis van genoemde tabel 2017 en voormeld NBI berekent de rechtbank de behoefte van [minderjarige] aan een bijdrage van zijn ouders op basis van het inkomen van de vrouw op € 101,- per maand (8 punten, tabel voor 4 kinderen).

5.10.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen becijfert de rechtbank de gemiddelde behoefte van [minderjarige] op (afgerond) € 254,- (407 + 101 : 2) per maand.

5.11.

Beide ouders dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de man

5.12.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] uit van de navolgende gegevens.

5.13.

De man is alleenstaand.

5.14.

Het NBI van de man wordt gesteld op € 2.522,- per maand, zoals hiervoor genoemd.

5.15.

De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 905)] op € 602,- per maand.

De behoefte van [X] en de draagkracht van de moeder van [X] ( [A] )

5.16.

Uit genoemde (herstelde) beschikking van de rechtbank Noord Nederland blijkt, althans onweersproken is gebleven dat de behoefte van [X] aan een bijdrage van haar ouders € 551,- per maand bedraagt en dat (na draagkrachtvergelijking) het aandeel van de moeder van [X] in de kosten van [X] € 182,- per maand bedraagt. De rechtbank zal hier verder vanuit gaan.

Verdeling draagkracht van de man over [minderjarige] en [X]

5.17.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan worden geconcludeerd dat de behoefte van [minderjarige] (€ 254,- per maand) en [X] (€ 551,- per maand) van elkaar afwijkt. Voorts is gebleken dat de draagkracht van de man onvoldoende is om volledig in de behoefte van alle kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom de beschikbare draagkracht van de man verdelen naar rato van de behoefte van de kinderen volgens de formule: (behoefte 1 kind / totale behoefte alle kinderen) x de draagkracht.

Rekening houdend met het voorgaande berekent de rechtbank de voor [minderjarige] beschikbare draagkracht van de man op € 190,- ((254 / 805) x 602) per maand, en voor [X] op € 412,- ((551 / 805) x 602) per maand. Echter zoals vastgesteld door de rechtbank Noord-Nederland en door partijen niet betwist, bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [X]

€ 369,- per maand en van de moeder van [X] € 182,- per maand, zodat zij samen voorzien in de behoefte van [X] . Het voorgaande betekent dat een beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige] resteert van € 233,- (602 -/- 369) per maand.

De draagkracht van de vrouw

5.18.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] uit van de navolgende gegevens.

5.19.

De draagkracht van de vrouw voor [minderjarige] is niet in geschil en wordt derhalve bepaald op € 31,- per maand.

Verdeling draagkracht van de man en de vrouw over [minderjarige] (draagkrachtvergelijking)

5.20.

Nu de totale draagkracht van de man en de vrouw voor [minderjarige] tezamen € 264,- (€ 233,- + € 31,-) per maand bedraagt en deze hoger is dan de behoefte van [minderjarige] , die is vastgesteld op € 254,- per maand, dient het aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige] te worden berekend. Dit aandeel wordt berekend met behulp van de formule:

[eigen draagkracht : totale draagkracht] x totale behoefte

Aan de hand van de hiervoor overwogen formule wordt het aandeel van de man vastgesteld op een (afgerond) bedrag van € 224,- per maand (€ 233,- : € 264,- x € 254,-). Het aandeel van de vrouw stelt de rechtbank vast op (afgerond) € 30,- per maand (€ 31,- : € 264,- x € 254,-).

De zorgkorting

5.21.

De man heeft niet gemotiveerd betwist de stelling van de vrouw dat zij veel inspanningen heeft geleverd om contact tussen de man en [minderjarige] tot stand te brengen, maar dat dit tot op heden niet is gelukt. De vrouw heeft aangevoerd dat zij na de ziekenhuisopname van [minderjarige] geprobeerd heeft telefonisch contact met de man op te nemen maar de man heeft niet gereageerd, ook niet nadat personen in zijn omgeving hem daarop hadden gewezen. De man heeft voorts zijn stelling dat de vrouw omgang met [minderjarige] in de weg staat onvoldoende onderbouwd. De man heeft evenmin onderbouwd welke kosten hij sinds de geboorte van [minderjarige] heeft gedragen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de man thans geen aanspraak kan maken op een zorgkorting.

5.22.

Dit laat onverlet dat partijen in onderling overleg de kinderbijdrage kunnen aanpassen, met inachtneming van de zorgkortingspercentages conform genoemde Alimentatienormen, zodra er wel omgang wordt gerealiseerd.

5.23.

Aldus gerekend bedraagt de door de man aan de vrouw te leveren bijdrage in de kosten voor [minderjarige] € 224,- per maand. Voormelde bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

De ingangsdatum

De man heeft aangegeven een ingangsdatum voor de kinderbijdrage van 5 juli 2017 te willen hanteren: de datum waarop partijen uit elkaar gingen. De vrouw wenst de kinderbijdrage vanaf [minderjarige] geboorte te laten ingaan. De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage de datum van het verzoekschrift hanteren, nu de man vanaf deze datum rekening kon houden met het verschuldigd worden van een eventuele kinderbijdrage.

De proceskosten

Nu partijen een relatie hebben gehad, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [2017]

met ingang van 3 mei 2017 op € 224,- (tweehonderd vier en twintig EURO) per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Zwolle door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2017 in tegenwoordigheid van mr. A.H. Wiersma, griffier.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  2. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.