Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4393

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
08.952772-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsbeslissing. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van €16.095,95,- aan de Staat.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:1932

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer : 08.952772-15

Datum : 23 november 2017

Beslissing op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ( [land] ),

wonende te [adres] .

1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 36.045,45.

2 De procedure

De vordering is in eerste instantie behandeld op de openbare terechtzitting van 25 april 2017. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. E. Schriemer, advocaat te Zwolle, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. De officier van justitie, mr. M. Zwartjes, heeft op de terechtzitting de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 19.000,- moet worden gesteld.

Bij beslissing van 9 mei 2017 heeft de rechtbank besloten dat het onderzoek moet worden heropend om partijen in de gelegenheid te stellen hun uiteenlopende standpunten over de hoogte van het te ontnemen bedrag, in het kader van hoor en wederhoor, volledig kenbaar te maken.

Op 19 juni 2017 heeft mr. Schriemer zijn conclusie van antwoord ingediend, waarin hij heeft uiteengezet dat zijn cliënt geen enkel wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en dat daarom de vordering dient te worden afgewezen.

Op 14 augustus 2017 heeft de officier van justitie een conclusie van repliek ingediend, waarin zij heeft uiteengezet op welke gronden zij ter terechtzitting van 25 april 2017 het wederrechtelijk verkregen voordeel naar € 19.000,- heeft bijgesteld en heeft aangegeven dit bedrag nog steeds te handhaven.

Op 9 oktober 2017 heeft mr. Schriemer zijn conclusie van dupliek ingediend, waarin hij heeft aangegeven zijn standpunt te handhaven.

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2017. De veroordeelde, bijgestaan door mr. Schriemer, is op die terechtzitting verschenen.

De officier van justitie, mr. M. Zwartjes, heeft ter terechtzitting verklaard haar standpunt te handhaven dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 19.000,-.

3 De beoordeling van de vordering

3.1

Veroordeling

De rechtbank heeft veroordeelde in de onderliggende strafzaak met hierboven vermeld parketnummer bij vonnis van 9 mei 2017 veroordeeld ter zake van het misdrijf:

verduistering.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 321 Sr.

3.2

De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak met hierboven vermeld parketnummer tegen veroordeelde, te weten:

- de stukken van het opsporingsonderzoek van regiopolitie Oost-Nederland met nummer [nummer] , onderzoek Wayang, inclusief de voordeelsrapportage d.d. 10 augustus 2016;

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 9 mei 2017 met hierboven vermeld parketnummer;

- de hiervoor onder 2 genoemde schriftelijke stukken van de raadsman en de officier van justitie.

Ter terechtzitting heeft de raadsman verklaard bij zijn standpunt te blijven. De raadsman heeft verder bepleit dat naast het door de heer [naam] aan veroordeelde te betalen huurbedrag van € 750,- per maand, ook het door hem te betalen zorgbedrag van € 500,- per maand verrekend zou moeten worden in die zin dat deze bedragen niet wederrechtelijk door hem zijn verkregen. Uit de bankafschriften en facturen die de raadsman voor de zitting van 25 april 2017 aan de rechtbank heeft gestuurd, zou blijken dat zijn cliënt in totaal een bedrag van € 31.365,90 voor de heer [naam] heeft betaald. Van het gepinde bedrag van € 26.242,35 (NB de rechtbank ziet hierin een typefout en leest dit bedrag als € 26.942,35), dat de basis biedt voor het volgens de officier van justitie te ontnemen bedrag, blijft derhalve niets over om aan te merken als wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting het standpunt ingenomen dat zij in wat de raadsman heeft aangevoerd geen reden ziet om het te ontnemen bedrag te wijzigen.

De rechtbank is op grond van de stukken van voornoemd voorbereidend onderzoek en gelet op hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten door middel van en uit de baten van de feiten ter zake waarvan veroordeelde bij hierboven vermeld vonnis is veroordeeld.

De rechtbank schat dit voordeel op € 16.095,95.

De rechtbank is bij haar schatting uitgegaan van de uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen voortvloeiende -als aannemelijk aan te merken- gegevens, waarop ook bovenvermelde voordeelsrapportage d.d. 10 augustus 2016 is gebaseerd.

In de voordeelsrapportage wordt uitgegaan van een door veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel van € 26.942,35. Veroordeelde heeft erkend dit bedrag in de periode van 20 november 2014 tot en met 1 november 2015 opgenomen te hebben van de rekening van de heer [naam] , maar hij heeft diverse posten aangevoerd die, onder andere als gemaakte kosten voor de heer [naam] , verrekend zouden moeten worden met het opgenomen bedrag.

De rechtbank zal deze bedragen bespreken. Daarbij zij opgemerkt dat de rechtbank zich zal beperken tot eventueel te verrekenen bedragen die dateren uit of betrekking hebben op dezelfde periode als de periode waarin voornoemd geldbedrag is opgenomen; derhalve november 2014 - november 2015. Uit de voordeelsberekening blijkt immers dat veroordeelde ook in de periode vóór november 2014 bedragen heeft opgenomen van de rekening van de heer [naam] , waarvan de rechtbank aanneemt dat dit enkel ter verrekening van de in díe periode gemaakte kosten kan zijn opgenomen en die hier verder buiten beschouwing zullen worden gelaten.

Bedrag voortvloeiend uit huur- en zorgcontract

Volgens veroordeelde heeft hij met de heer [naam] een huurcontract afgesloten voor € 750,- per maand en een zorgcontract voor € 500,- per maand. Over de maanden december 2014 tot november 2015 zou de heer [naam] hem nog de afgesproken bedragen verschuldigd zijn.

Uit het onderliggend strafdossier leidt de rechtbank af dat getuigen en ook veroordeelde zelf een lager huurbedrag noemen dan het uit het contract voortvloeiende bedrag. In het voordeel van veroordeelde en in navolging van het voorstel van de officier van justitie zal de rechtbank echter uitgaan van een huurbedrag van € 750,- per maand. Omdat veroordeelde de kamer voor de heer [naam] tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis en aansluitend het verpleegtehuis, voor hem beschikbaar hield zoals door veroordeelde is gesteld zal de rechtbank een bedrag van 11 x € 750,- is € 8.250,- -/- € 600,- aan volgens veroordeelde reeds betaalde huurpenningen is € 7.650,- in mindering brengen op het opgenomen bedrag.

Anders ligt dit met betrekking tot het afgesproken bedrag voor zorg. Omdat de heer [naam] vanaf 20 november 2014 werd verzorgd in het ziekenhuis en verpleegtehuis, had veroordeelde geen taak meer als zorgverlener. Zoals ook in het strafvonnis van 9 mei 2017 staat vermeld, kwam op basis van de door de heer [naam] verleende volmacht aan veroordeelde ‘geen algemeen recht of bevoegdheid toe om zich rechtstreeks geld van de heer [naam] toe te eigenen’.

Volgens de rechtbank strekte ‘de volmacht tot niet meer dan ter behartiging van de financiële belangen van de heer [naam] .’ Niet gebleken is dat veroordeelde de opgenomen bedragen heeft aangewend voor de verzorging van de heer [naam] , zodat de door hem opgenomen gelden als wederrechtelijk verkregen worden aangemerkt. Het door veroordeelde overgelegde zorgcontract, los van de vraag of dit contract echt is, doet daar niet aan af.

Overige bedragen op bankafschriften

Volgens veroordeelde zou er drie keer een bedrag van € 1.000,- verrekend moeten worden. Uit de voordeelsrapportage blijkt echter dat deze drie bedragen al zijn meegenomen in de eerste berekening van het te ontnemen bedrag.

Van de overige genoemde bedragen kan de rechtbank de betaling voor de eigen bijdrage van het CAK à € 2.967,05, de betaling aan het Zilveren Kruis à € 154,29 en de betaling aan Juris-dictie betreffende de huisartsenpost à € 75,06, aan de hand van de overgelegde bankafschriften herleiden als zijnde door veroordeelde voorgeschoten rekeningen voor de heer [naam] . Deze betalingen komen daarom voor verrekening in aanmerking in die zin dat de rechtbank deze bedragen niet zal meenemen in het te ontnemen bedrag. Ten aanzien van de overige genoemde bedragen heeft de rechtbank geen stukken in het dossier gezien dat veroordeelde deze in de periode van 20 november 2014 tot en met 1 november 2015 daadwerkelijk ten behoeve van de heer [naam] heeft voorgeschoten en daarvan geen terugbetaling heeft ontvangen dan wel heeft betaald.

Op grond van het voorgaande komt de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel er als volgt uit te zien:

Totaal opgenomen bedrag door veroordeelde: € 26.942,35

11 x huur à € 750,- per maand (- € 600,-): € 7.650,-

Betaling eigen bijdrage CAK: € 2.967,05

Betaling Zilveren Kruis: € 154,29

Betaling Juris-dictie Huisartsenpost: € 75,06

Totaal te verrekenen betalingen: € 10.846,40-

Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 16.095,95

3.3

De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 16.095,95.

4 De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5 De beslissing

De rechtbank:

  • -

    stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 16.095,95;

  • -

    legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 16.095,95 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aldus gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mrs. V.P.K. van Rosmalen en D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Blauw als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2017.