Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4391

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
C/08/209545 / KG ZA 17-355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vordering tot het verlenen van medewerking aan het weer inschrijven van de man in de basisregistratie personen van de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/209545 / KG ZA 17-355

Vonnis in kort geding van 21 november 2017 (fs)

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. C. Ravesteijn te Amsterdam,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.S. Flokstra te Oldenzaal.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties I. tot en met IV.

  • -

    de producties 1 tot en met 7 van de zijde van de vrouw

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van de vrouw.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad die omstreeks mei 2017 is beëindigd.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning aan [het adres] te [woonplaats] . Op het adres is blijkens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister tevens gevestigd de eenmanszaak van de man, Administratie- [A] .

2.3.

Na het beëindigen van de relatie heeft de man de woning verlaten en is de vrouw, met de twee nog minderjarige kinderen van partijen, in de woning blijven wonen.

De man heeft eerst bij een vriend verbleven en verblijft op dit moment bij zijn broer in een aparte woonunit op diens terrein.

2.4.

Op 18 september 2017 is de man door de gemeente Enschede medegedeeld dat hij is uitgeschreven van het adres aan [het adres] te [woonplaats] en is hem verzocht zijn werkelijke woon- of verblijfplaats op te geven. Uit een door de gemeente op 27 oktober 2017 uitgevoerde adrescontrole is gebleken dat de man niet op voornoemd adres woonachtig is. De gemeente heeft de man laten weten dat hij zich moet hervestigen op het adres waar hij woonachtig is en slaapt.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

I. de vrouw alle vereiste medewerking zal verlenen om de man in het bevolkingsregister weer ingeschreven te krijgen op het adres [het adres] te [woonplaats] ,

II. de vrouw zich in het bevolkingsregister zal doen uitschrijven op het adres [het adres] te [woonplaats] ,

III. de vrouw de woning aan [het adres] te [woonplaats] uiterlijk op 31 december 2017 geheel ter vrije beschikking dient te stellen aan de man,

IV. de vrouw alle voor de man bestemde poststukken, zakelijk en persoonlijk, onmiddellijk aan de man ter hand zal stellen, op straffe van een dwangsom van € 25,- per dag of dagdeel, indien die ter hand stelling niet plaatsvindt binnen drie werkdagen na de datering van betreffend poststuk,

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Reeds omdat de man van de gemeente de aanzegging heeft gekregen dat is vastgesteld dat hij niet woonachtig is op het adres [het adres] te [woonplaats] en dat hij zich dient in te schrijven op het adres waar hij woonachtig is en slaapt, heeft de man een spoedeisend belang bij zijn vordering. De voorzieningenrechter zal dan ook over gaan tot een materiële beoordeling van de zaak.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat beide partijen er belang bij hebben om op het adres [het adres] te [woonplaats] in de basisregistratie personen (BRP) bij de gemeente [woonplaats] ingeschreven te staan.

4.3.

De man erkent dat de vrouw en de kinderen - mede gelet op het verkrijgen van (kinder-)toeslagen - een groot belang hebben bij een voortgezet verblijf en een voortgezette inschrijving op haar huidige adres. Dat is voor hem ook de reden geweest dat hij de vrouw sinds het beëindigen van de relatie in de gelegenheid heeft gesteld om in afwachting van andere zelfstandige woonruimte aan [het adres] te blijven wonen. De man stelt dat ook hij om persoonlijke, zakelijke en financiële redenen een groot belang heeft bij een vaste woon- en verblijfplaats, en wel op laatstgenoemd adres. De man heeft eerst bij een vriend verbleven en verblijft op dit moment bij zijn broer. Hij vreest dat de bedrijfsvoering van zijn op dat adres ingeschreven onderneming in gevaar komt, onder meer omdat hij poststukken niet of niet tijdig ontvangt. De klanten van zijn administratie- en fiscaal adviesbureau zijn geheel afhankelijk van adequate en tijdige communicatie met onder meer de fiscus, aldus de man. Termijnen spelen daarbij een doorslaggevende rol. Doordat de man niet langer op het adres aan [het adres] staat ingeschreven, kan hij voorts nog maar 50% van de hypotheekrente aftrekken. De financiële positie van de man komt hierdoor onnodig onder druk te staan. Dit heeft ook gevolgen voor de vrouw en de kinderen, aangezien met het inkomen van de man alle uitgaven van het gezin, waaronder de aflossing van de hypotheek, de hypotheekrente en de overige woonlasten, worden gefinancierd. De situatie is volgens de man alarmerend geworden nu de ziektekostenverzekeraar voornemens is om de verzekering van de man te beëindigen, omdat hij niet ingeschreven staat op een woonadres.

4.4.

De vrouw heeft belang bij het ingeschreven blijven staan op het adres [het adres] te [woonplaats] , omdat zij geen mogelijkheid heeft om elders een woning te huren of te kopen voor haar en de kinderen. Zij heeft bovendien belang om alleen met de kinderen op dat adres ingeschreven te staan omdat zij alleen dan aanspraak kan maken op toeslagen, waaronder kindgebonden budget (inclusief AOK) en zorgtoeslag, welke toeslagen voor haar meer dan € 500,- per maand bedragen. De vrouw, die met haar inkomen (zij geniet op dit moment een uitkering ingevolge de Ziektewet) niet in staat is om de woning aan [het adres] over te nemen, is actief op zoek naar andere woonruimte, tot op heden tevergeefs. Zij is aangewezen op een sociale huurwoning omdat zij de huren in de particuliere sector met haar inkomen niet kan betalen. De vrouw komt niet in aanmerking voor een urgentieverklaring, omdat een verbreking van een relatie voor de woningbouwverenigingen geen reden is om urgentie te verlenen.

4.5.

Vast staat dat de woning gemeenschappelijk eigendom is van de man en de vrouw. Zij hebben in beginsel evenveel recht om daarin (voorlopig) te (blijven) wonen. Het komt derhalve aan op een belangenafweging.

4.6.

Hoewel duidelijk is dat beide partijen belang hebben om in de woning te blijven wonen, weegt het belang van de vrouw en de kinderen naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan dat van de man. Duidelijk is dat de vrouw de woning niet kan financieren en zij de woning uiteindelijk zal verlaten. Partijen hebben bij het uit elkaar gaan het belang van de vrouw en de kinderen voorop gesteld en besloten dat de vrouw enkele maanden de tijd krijgt om een andere woning te zoeken en dat zij gedurende die tijd met de kinderen in de woning zal blijven wonen. De man heeft de woning zolang verlaten en zou proberen om de financiering voor de woning rond te krijgen, zodat hij de woning zou kunnen overnemen en de vrouw zou kunnen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het belang van de vrouw om met de kinderen aan [het adres] te blijven wonen onverminderd groot. Vanwege haar geringe inkomsten is het voor haar moeilijk om elders geschikte en zelfstandige woonruimte te huren, waarmee zij aanspraak kan maken op de toeslagen die zij nodig heeft om rond te kunnen komen.

4.7.

Het moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor de man makkelijker zijn dan voor de vrouw om (tijdelijk) andere woonruimte te vinden. Hij heeft meer financiële armslag dan de vrouw, zeker zolang de vrouw in de gezamenlijke woning woont en aanspraak kan maken op de toeslagen, waardoor de man minder aan haar kosten van levensonderhoud hoeft bij te dragen. Dat zijn bedrijfsvoering onredelijk wordt bemoeilijkt als hij geen gebruik kan maken van [het adres] heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zoals de man ter zitting heeft verklaard gaat hij vaak naar zijn klanten toe en ligt ook de zakelijke administratie meestal bij de klanten thuis. Om ervoor te zorgen dat de man al zijn (zakelijke) post krijgt, zodat de communicatie met klanten en instanties niet onder de situatie lijdt, zou de man bijvoorbeeld een postadres kunnen nemen. Mocht er toch nog post voor de man worden bezorgd op het adres aan [het adres] , dan dient de vrouw deze binnen drie dagen na ontvangst aan de man ter hand te stellen.

4.8.

Omdat niet of nauwelijks te controleren is of er al dan niet poststukken voor de man door de vrouw zijn ontvangen, zal de voorzieningenrechter het onder IV. gevorderde toewijzen met uitzondering van de gevorderde dwangsom. De overige vorderingen zullen worden afgewezen. Het belang van de vrouw bij het ingeschreven kunnen blijven staan op het adres aan [het adres] te [woonplaats] is groter dan dat van de man, zodat de onder II. gevorderde uitschrijving van de vrouw van dat adres en de onder III. gevorderde ontruiming van de woning niet aan de orde zijn en afgewezen dienen te worden. Toewijzing van het onder I. gevorderde zou bovendien betekenen dat van de vrouw verlangd wordt dat zij haar medewerking moet verlenen aan een handeling die in strijd met de Wet basisregistratie personen is, te weten het weer laten inschrijven van de man op een adres waarop hij niet woonachtig is. Bovendien zal de gemeente naar alle waarschijnlijkheid aan een dergelijke inschrijving niet meewerken.

4.9.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door partijen is gesteld geen aanleiding om af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat de proceskosten in een zaak als de onderhavige, waarin het geschil voortvloeit uit de (beëindigde) relatie tussen partijen, tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat de vrouw alle voor de man bestemde poststukken, zakelijk en persoonlijk, die worden bezorgd op het adres [het adres] te [woonplaats] , binnen drie dagen na ontvangst aan de man ter hand zal stellen,

5.2.

wijst af het meer of anders gevorderde,

5.3.

compenseert de kosten van het geding aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.1

1 type: coll: