Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4389

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
ak_zwo_17_443
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onherstelbare vertrouwensbreuk; seksueel intimiderend gedrag; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/443

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. J. Klopstra, advocaat te Stadskanaal,

en

de Korpschef van Politie, verweerder,

gemachtigden: mw.mr. M.B. de Witte-van den Haak en mr. E.I. Dekkers, advocaten te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 29 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser met ingang van 5 maart 2016 eervol ontslag verleend op grond van artikel 95, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk die het volgens verweerder onmogelijk maakt(e) om nog tot een werkbare arbeidsrelatie te komen.

Bij besluit van 22 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard voor zover het de ingangsdatum van het ontslag betreft en vervolgens het ontslag laten ingaan op 2 juni 2016. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Noord-Nederland.

Aangezien eiser werkzaam is geweest binnen die rechtbank is de zaak op 10 februari 2017 ter verdere behandeling doorverwezen naar de rechtbank Overijssel.

Op 5 september 2017 heeft verweerder een aanvullend besluit op bezwaar genomen. Bij brief van 22 september 2017 heeft de gemachtigde van eiser hierop zijn commentaar geleverd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 26 september 2017 ter zitting gevoegd behandeld met het beroep van eiser met zaaknummer AWB 17/531.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en mw.mr. M. van der Werf. Voorts was

O.R. Dros, politiechef van de Eenheid Noord-Nederland, aanwezig,

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de zaken gesplitst en in beide zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

Overwegingen

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1. Eiser is in 1978 in dienst getreden bij de politie en heeft de rang van inspecteur van politie. Eiser is per 1 januari 2013 tijdelijk geplaatst als projectleider in de basiseenheid Veendam. Naar aanleiding van de resultaten van een uitgevoerd disciplinair onderzoek, neergelegd in een rapport van 7 oktober 2013, heeft verweerder bij brief van 28 november 2013 aan eiser het voornemen bekend gemaakt hem primair disciplinair ontslag te verlenen en subsidiair ontslag vanwege ongeschiktheid. Verweerder is daarbij uitgegaan van:

1. het misbruiken van zijn positie als politieambtenaar en leidinggevende in de periode van 2004 tot heden;

2. het zich schuldig maken aan seksuele intimidatie in de periode 2004-2006 te Groningen met betrekking tot mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] , in de periode in en rond 2008 met betrekking tot mevrouw [naam 3] en in de periode op en rond 2010 met betrekking tot mevrouw [naam 4] ;

3. het misbruiken van zijn politiebevoegdheden door een kenteken na te trekken voor privédoeleinden;

4. het buitensporig gebruiken van diensttijd en –middelen voor privédoeleinden.

Bij besluit van 24 februari 2014 heeft verweerder (primair) aan eiser met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend en (subsidiair) ontslag op grond van ongeschiktheid voor het door eiser beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2. De bezwaaradviescommissie HRM (verder: de commissie) heeft op 23 oktober 2014 verweerder geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. De commissie heeft daarbij overwogen dat eiser weliswaar plichtsverzuim heeft gepleegd, maar dat de sanctie van strafontslag onevenredig is. De commissie stelde vast dat het functionele aspect van de aan eiser verweten gedragingen in het rapport van het disciplinaire onderzoek weinig aandacht heeft gekregen, Ten aanzien van het ongeschiktheidsontslag heeft de commissie aangegeven dat daaraan een verbetertraject vooraf had moeten gaan.

In reactie hierop heeft verweerder op 21 mei 2015 een tweede disciplinair onderzoek gestart.

Bij besluit van 11 augustus 2015 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij het bezwaarschrift tegen het strafontslagbesluit van 24 februari 2015 in zoverre gegrond acht dat een nader onderzoek noodzakelijk is, maar dat dit ontslagbesluit vooralsnog in stand blijft.

3. Bij uitspraak van 16 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter het namens eiser tegen dit besluit ingediende beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 augustus 2015 vernietigd en verweerder opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4. Bij besluit van 24 november 2015 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 februari 2014 herroepen. Daarbij heeft verweerder onder meer het advies van de commissie overgenomen dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is en dat het ongeschiktheidsontslag waartoe subsidiair is besloten niet gehandhaafd kan blijven omdat dit had moeten worden voorafgegaan door een verbetertraject. Het advies van de commissie om eiser een minder zware disciplinaire straf op te leggen heeft verweerder niet overgenomen omdat verweerder het voornemen bekend heeft gemaakt om in een apart besluit op een andere grond tot ontslag van eiser over te gaan.

5. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals beschreven in de vorige rubriek Procesverloop.

6. Namens eiser is -primair- aangevoerd dat de motivering van het besluit op bezwaar in vrijwel volle omvang en op nagenoeg ieder onderdeel, afwijkt van het advies van de commissie. Door enkel aan te geven dat het wegen van de feiten anders dan door de commissie is gedaan, gaat verweerder voorbij aan de bijzondere motiveringsplicht uit artikel 7:13, lid 7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder verwijzing naar de stukken, met name naar het advies van de commissie van 25 november 2016, heeft eiser gesteld dat meerdere verwijten hem kunnen worden aangerekend maar dat zijn latere functioneren gedurende een aantal jaren als politie-inspecteur/leidinggevende blijk geeft van een fors verbeterd inzicht. Immers, op geen enkele wijze is na de thans door verweerder gehanteerde feiten en omstandigheden ter motivering van het ontslag, gebleken van enig disfunctioneren van welke aard of omvang dan ook. Integendeel, de beoordelingen van eiser zijn meer dan uitstekend te noemen, ook daar waar zij zien op zijn werkzaamheden en functievervulling nà de gewraakte feiten en omstandigheden.

Verweerder heeft aan het ontslag ten grondslag gelegd dat het functioneren van eiser als leidinggevende, zowel in de periode bij de parketpolitie als ook daarna, ervoor heeft gezorgd dat er een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan, die het onmogelijk maakt om nog tot een werkbare arbeidsrelatie te komen. Eiser heeft er bij herhaling blijk van gegeven niet te beschikken over het verantwoordelijkheidsbesef, de integriteit en de betrouwbaarheid die van een politieambtenaar gevergd en verwacht kan worden en heeft bij herhaling verkeerd voorbeeldgedrag vertoond. Eiser wordt als aanvulling op hetgeen hiervoor onder overweging 1 reeds is weergegeven, onder meer verweten dat hij:

-in de hoedanigheid van leidinggevende onprofessioneel en onzorgvuldig handelde door (seksuele) relaties met twee ondergeschikten (mw. [naam 2] en mw. [naam 1] ) aan te gaan, waardoor een onbalans is ontstaan in de hiërarchische verhoudingen tussen hen;

-nadat zijn intieme relatie met mw. [naam 1] was verbroken, zich ongepast tegenover haar heeft gedragen door in aanwezigheid van de heer [naam 5] , een hand onder haar kleding te schuiven:

-impertinente vragen heeft gesteld aan een studente die hij begeleidde (mw. [naam 4] ) over haar onderkleding (of zij een string droeg tijdens het voetballen)

-seksuele toespelingen heeft gemaakt tijdens een functioneringsgesprek met mw. [naam 1] over het standje dat hij ’s avonds met haar wilde doen;

-in aanwezigheid van collega’s tegen [naam 6] heeft gezegd dat ze samen konden douchen na een sportactiviteit;

- tegen mw. [naam 3] heeft gezegd dat hij eens met [naam 7] samen een vriendinnetje oppikte om daarna samen een trio te hebben of aan partnerruil te doen;

-niet heeft ingegrepen toen een student een fictieve bon heeft uitgeschreven;

-onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen met betrekking tot het tijdig behalen van het diploma Operationeel Leidinggevende Leergang (OLL).

Omdat verweerder het noodzakelijke onvoorwaardelijke vertrouwen in eiser mist en verweerder het voor het gezag en de uitstraling van het politiekorps volstrekt ongewenst en onverantwoord vindt om eiser – gezien zijn verleden bij de organisatie – te handhaven, is verweerder ertoe overgegaan eiser op grond van artikel 95 van het Barp, eervol ontslag te verlenen.

In het aanvullend besluit op bezwaar van 5 september 2017 heeft verweerder, in afwijking van het door de commissie gegeven advies, geoordeeld dat het herhaaldelijk ongepaste gedrag van eiser tegenover (ondergeschikte) vrouwen ten eerste kan worden gekwalificeerd als seksuele intimidatie. In de tweede plaats heeft verweerder gesteld dat het seksueel intimiderende gedrag van eiser niet beperkt is gebleven tot de periode waarin hij onder andere werkzaam was bij de Parketpolitie. Ook in de periode hierna, waarin eiser onder andere werkzaam was als trajectbegeleider, heeft eiser zich naar het oordeel van verweerder schuldig gemaakt aan seksueel intimiderend gedrag.

Dit besluit wordt op grond van het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb in de beoordeling betrokken.

7.1.

In artikel 95, eerste lid, van het Barp is bepaald dat een ambtenaar ook op andere gronden, dan die welke in artikel 94 zijn geregeld of waarnaar in dat artikel wordt verwezen, kan worden ontslagen. Het ontslag wordt eervol verleend.

7.2.

De door verweerder aan eiser verweten gedragingen die tot het ontslagbesluit van
29 februari 2016 hebben geleid zijn onder te verdelen in twee periodes, te weten:

1. de periode van 1 september 2002 tot en met 1 november 2006, toen eiser projectleider cluster parketpolitie was (verder: periode 1)

2. de periode van 1 november 2006 tot medio 2010, toen eiser projectleider trajectbegeleiding was (verder: periode 2).

7.3.

Niet in geschil is dat eiser in periode 1 een tweetal affectieve relaties is aangegaan met ondergeschikten, te weten mw. [naam 1] en mw. [naam 2] . Niet in geschil is dat eiser in elk geval één van deze relaties (de relatie met mw. [naam 1] ) in strijd met de geldende regels niet dan wel te laat heeft gemeld. De rechtbank is op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting tot het oordeel gekomen dat eiser deze (op zichzelf niet verboden) relaties niet strikt privé heeft gehouden maar van negatieve invloed heeft laten zijn op zijn functioneren als leidinggevende en de functionele verhoudingen binnen de parketpolitie.

Zo acht de rechtbank op basis van de afgelegde verklaringen voldoende aannemelijk dat als gevolg van de door eiser aangegane relaties, binnen de parketpolitie een sfeer van wantrou-wen en kampvorming is ontstaan. Verklaard is dat de partners werden voorgetrokken en dat zij bepaalde privileges genoten die andere medewerkers niet hadden, hetgeen zorgde voor scheve verhoudingen. Zo is verklaard dat bij een verhuizing van mw. [naam 1] een aantal collega’s werd vrijgemaakt om haar in diensttijd daarbij te helpen. Dit heeft geleid tot een onbalans in de hiërarchische verhoudingen. Een deel van de medewerkers heeft aangegeven dat als gevolg van de relaties een sfeer bij de parketpolitie is ontstaan die als onveilig werd ervaren. Ook heeft een aantal medewerkers aangegeven dat er tweespalt in het team ontstond ten gevolge van de relaties van eiser met mw. [naam 2] en mw. [naam 1] en dat er wantrouwen en een angstcultuur binnen de groep bestond. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden aan de afgelegde getuigenverklaringen, zoals opgenomen in bijlage 16 van het onderzoeksrapport van 24 november 2015, te twijfelen.

Daarbij komt dat eiser zelf in een verklaring heeft aangegeven dat hij het gevoel had dat mw. [naam 1] gebruik maakte van de ontstane situatie en dat hij gedrag van haar door de vingers zag, dat hij van andere ondergeschikten niet zou tolereren.

Eiser kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van al het voorgaande onprofessioneel en grensoverschrijdend functioneren in periode 1 worden verweten, met name nu eiser als leidinggevende een voorbeeldfunctie had.

7.4.

Door en namens eiser is enkele keren herhaald dat hij met zijn latere functioneren in periode 2 blijk heeft gegeven van een fors verbeterd inzicht. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Zo acht de rechtbank voldoende aangetoond dat eiser in periode 2 – nadat de affectieve relatie inmiddels was verbroken – mw. [naam 1] ongepast heeft aangeraakt door in aanwezigheid van de heer [naam 5] een hand onder haar kleding te schuiven.

Verder acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser aan mw. [naam 4] , een studente die hij begeleidde, heeft gevraagd of zij een string droeg tijdens het voetballen en heeft hij aan haar gevraagd of zij een vriend had omdat eiser op zoek was naar een jongere vriendin die nog kinderen wilde. Ook heeft eiser seksuele toespelingen gemaakt tijdens een functioneringsgesprek dat hij met mw. [naam 1] heeft gevoerd over het standje dat hij ’s avonds met haar wilde doen. Ook acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat eiser na een sportactiviteit – in aanwezigheid van collega’s – aan [naam 6] heeft verteld dat zij wel samen met hem kon douchen. Ook heeft eiser aan mw. [naam 3] gevraagd of zij van een trio hield en of zij (eveneens) samen met hem wilde douchen.

Eiser heeft ter zitting herhaald dat hij dergelijke opmerkingen niet heeft gemaakt en ook niet zal maken. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser op grond van de afgelegde verklaringen hierin niet kan worden gevolgd. Zo is de verklaring van mw. [naam 4] nauwkeurig en is gebleken dat zij in het verleden haar collega, mw. Van der Hoek, al van dit gebeuren op de hoogte had gesteld.

In dit verband merkt de rechtbank verder op dat [naam 6] heeft verklaard dat genoemde opmerkingen zijn gedaan tijdens een bindingsdag in Drenthe, waarbij meerdere collega’s aanwezig waren. De rechtbank acht het dan ook weinig aannemelijk dat eiser dit niet zo heeft gezegd terwijl meerdere collega’s deze opmerkingen hebben gehoord.

De rechtbank is met de commissie van oordeel dat het stellen van impertinente vragen over de onderkleding van mw. [naam 4] (die als studente aan de begeleiding en zorg van eiser was toevertrouwd) als volstrekt ongepast dient te worden aangemerkt en een gedraging betreft die een goed politieambtenaar achterwege dient te laten. Een voorstel om samen te douchen getuigt er van dat eiser toentertijd in zijn hoedanigheid van leidinggevende niet over een goed gevoel voor onderlinge verhoudingen beschikte,

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor beschreven gedragingen van eiser als seksueel intimiderend zijn te beschouwen en vallen onder het grensoverschrijdende gedrag dat eiser in een reeks van jaren heeft vertoond. De rechtbank volgt verweerder in zijn visie dat alle gedragingen niet op zichzelf staan maar een patroon bloot leggen van voortdurend impertinent en ongewenst gedrag tegenover (ondergeschikte) vrouwelijke collega’s.

7.5.

Tevens heeft verweerder aan het ontslag ten grondslag gelegd dat eiser:

- tijdens werktijd veelvuldig sms’te, belde en op andere wijze privécontacten onderhield met ondergeschikten en derden, gebruik makend van middelen van de dienst;

- een kenteken voor privé doeleinden heeft nagetrokken;

- onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen met betrekking tot het tijdig behalen van het diploma Operationeel Leidinggevende Leergang (OLL).

De rechtbank stelt vast dat eiser het veelvuldig sms’en niet heeft ontkend. Zo heeft eiser over het sms’en verklaard dat dit wellicht in iets mindere mate had gekund. Verder heeft [naam 8] verklaard dat er tussen haar en eiser veel werd gebeld, gemaild en sms-berichten werden verstuurd onder werktijd. Het natrekken van een kenteken voor privé-doeleinden heeft eiser erkend.

Wat betreft het niet tijdig behalen van het diploma OLL heeft eiser ter zitting een verklaring gegeven. Eiser heeft de rechtbank er echter onvoldoende van kunnen overtuigen dat het voor hem onmogelijk is geweest de opleiding binnen een redelijke termijn af te ronden. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat medewerkers normaal gesproken twee tot drie jaar over deze opleiding doen. Uit een zich tussen de stukken bevindend gespreksverslag tussen eiser en O.R. Dros blijkt echter dat eiser meer dan zeven jaar over de OLL-opleiding heeft gedaan. Ook naar het oordeel van de rechtbank is dit exceptioneel te noemen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser de OLL-opleiding enkel vanwege werkdruk niet eerder heeft kunnen afronden, te meer nu eiser op enig moment overgeplaatst is naar een andere functie om hem in de gelegenheid te stellen het diploma te halen en het vervolgens nog enige tijd duurde voordat hij het diploma haalde.

Voorts is door eiser aanvankelijk niet ontkend dat hij tijdens diensttijd een privé-contact heeft gehad met [naam 8] . Ter zitting heeft eiser echter verklaard dat hij met haar alleen een keer koffie heeft gedronken en dat dat werkgerelateerd was omdat daarbij gesproken is over de vraag hoe haar dochter zich kon voorbereiden op een sollicitatiegesprek bij de politie. De rechtbank acht deze eerst ter zitting gegeven afwijkende verklaring van eiser onvoldoende geloofwaardig. Daartoe acht de rechtbank met name van belang dat [naam 8] heeft verklaard dat eiser een keer of vier in uniform bij haar is geweest, zodat de rechtbank aanneemt dat dit in diensttijd is geweest.

7.6.

De rechtbank heeft bij het voorgaande niet uit het oog verloren dat het functioneren van eiser in de periode van 2007-2013 als redelijk tot goed is beoordeeld. Daarbij dient te worden aangetekend dat de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat eisers leidinggevenden in die tijd niet op de hoogte waren van eisers later bekend geworden en thans verweten gedragin-gen in die periode. Deze gedragingen zijn toen niet betrokken in eisersbeoordelingen. De rechtbank acht het standpunt van verweerder voldoende aannemelijk dat indien de beoorde-laars op dat moment bekend waren geweest met het opnieuw seksueel imiterend gedrag van eiser, zoals hiervoor beschreven, dit zeker tot andere beoordelingen zou hebben geleid.

In dit verband acht de rechtbank ook voldoende aannemelijk dat de korpsleiding tot het onderzoek van medio 2013 niet op de hoogte was van het grensoverschrijdende gedrag van eiser in de periode bij de parketpolitie en zijn gedrag in de periode hierna. Zo heeft O.R. Dros op 5 oktober 2016 als getuige verklaard dat de reden van overplaatsing van eiser vanaf 1 november 2006 tweeledig was, namelijk de onvoldoende resultaten van de parketpolitie en het niet goed functioneren van eiser als leidinggevende van het team. Er was ook sprake van veel ziekteverzuim en bovendien was eiser niet in staat de noodzakelijke OLL-opleiding met goed gevolg af te sluiten. Ongewenste omgangsvormen speelden geen enkele rol in de overplaatsing, want hiervan was de korpsleiding niet op de hoogte, aldus getuige Dros. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden aan deze verklaring te twijfelen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten aanzien van het ontstane tijdsverloop geen verwijt kan worden gemaakt en dat dit voor rekening en risico van eiser komt.

De rechtbank is derhalve tot de conclusie gekomen dat het door eiser vertoonde ongewenste gedrag zich niet heeft beperkt tot de periode waarin hij werkzaam was bij de parketpolitie (periode 1) maar zich ook heeft uitgestrekt over de periode hierna (periode 2), waarin hij werkzaam was als trajectbegeleider.

8.1.

De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat de optelsom van alle ongewenste gedragingen van eiser (als leidinggevende) in beide perioden, ervoor heeft gezorgd dat er tussen eiser en verweerder een onherstelbare vertrouwensbreuk is ontstaan, die het onmogelijk maakt om nog tot een werkbare arbeidsrelatie te komen. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is bij de rechtbank de indruk ontstaan dat eiser zaken wenst te bagatelliseren en dat bij hem onvoldoende zelfreflectie bestaat ten aanzien van zijn gedragingen en dan met name zijn gedragingen ten opzichte van vrouwelijke medewerkers.

8.2.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van verweerder om eiser op grond van artikel 95, eerste lid, van het Barp ontslag te verlenen, de rechterlijke toets kan doorstaan.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en mr. R.J. van Lochem, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.