Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4380

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
08/955062-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 26-jarige man uit Enschede tot een taakstraf van 240 uren en ontzegging van de rijbevoegheid voor 1 jaar. De man veroorzaakte in oktober vorig jaar een verkeersongeval op de N35 bij Enschede, waarbij een vrouw om het leven kwam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/955062-16 (P)

Datum vonnis: 22 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1991 in [geboorteplaats 1] ( [land] ),

wonende in [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Agelink en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. M. Pekkeriet, advocaat te Deventer, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 oktober 2016 in Enschede als automobilist een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij mevrouw [slachtoffer] om het leven is gekomen danwel dat verdachte op die datum in Enschede de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Enschede in de gemeente Enschede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Duitsland en/of gaande in de richting Hengelo (O), daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de N35,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (N35) en/of

niet of in onvoldoende mate dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) onder controle heeft gehouden en/of

in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich geheel of gedeeltelijk aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N35) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen", heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Mazda),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood en/of zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2016 te Enschede in de gemeente Enschede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Duitsland en/of gaande in de richting Hengelo (O), daarmee heeft gereden op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de N35 en

niet of in onvoldoende mate dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) onder controle heeft gehouden en/of

in strijd met artikel 3 van voormeld reglement niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich geheel of gedeeltelijk aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N35) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen", heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Mazda),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 25 oktober 2016 heeft verdachte in zijn personenauto (een Ford) op de N35 komende uit de richting van Duitsland in de richting van Hengelo (O) gereden. Verdachte is met zijn auto op de linker weghelft gekomen en vervolgens in aanrijding gekomen met de personenauto (een Mazda) van mevrouw [slachtoffer] . Als gevolg van die aanrijding is mevrouw [slachtoffer] komen te overlijden.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Vanwege de omstandigheden van het ongeval, die er in bestaan dat verdachte onvoldoende op de weg is blijven letten, hij niet voldoende rechts heeft gehouden, hij de dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en hij deels is gaan rijden op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer, is er volgens de officier van justitie bij verdachte sprake geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettend verkeersgedrag (aanmerkelijke schuld).

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit de bevindingen van de verbalisant van de verkeersongevalanalyse (VOA) in samenhang met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] af dat verdachte ongeveer 100 kilometer per uur reed, met zijn auto de dubbele doorgetrokken streep heeft overschreden en met zijn auto gedeeltelijk terecht is gekomen op het weggedeelte bestemd voor tegemoetkomend verkeer. Mevrouw [slachtoffer] reed met haar auto (een Mazda) in de tegenovergestelde richting van verdachte. Verdachte is vervolgens met zijn auto in aanrijding gekomen met de auto van mevrouw [slachtoffer] . Uit het GGD-schouwverslag blijkt dat mevrouw [slachtoffer] de dag na de aanrijding aan de gevolgen daarvan is overleden.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (in dit geval) een ander werd gedood.

Het juridische begrip ‘schuld’ in het kader van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 houdt in dat voor strafbaarheid minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of

één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van

artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met een of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin1.

Gelet op dit toetsingskader moet het gedrag van verdachte worden afgemeten aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Die zorgplicht houdt mede in dat een bestuurder zijn voertuig onder controle heeft.

Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, bevond verdachte zich direct voorafgaand aan het ongeval met zijn auto grotendeels op de weghelft bestemd voor het hem tegemoetkomend verkeer en heeft hij daarbij een dubbele doorgetrokken streep overschreden. Vervolgens is hij met een auto in aanrijding gekomen. Als een bestuurder van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur op een tweebaansweg, niet zoveel mogelijk rechts houdt, maar zonder enige aanleiding zo ver naar links komt dat hij daardoor op de verkeerde weghelft terechtkomt en daar in botsing komt met een tegenligger, is, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, in beginsel sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijden en daarom van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit zou anders kunnen zijn als zich een uitzonderlijke omstandigheid heeft voorgedaan, bijvoorbeeld dat verdachte in verontschuldigbare onmacht verkeerde ten tijde van het ongeval. Dat dat het geval zou zijn is door verdachte niet gesteld en ook anderszins is daarvan niet gebleken.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 25 oktober 2016 te Enschede in de gemeente Enschede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Duitsland en gaande in de richting Hengelo (O), daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de N35,

aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

in onvoldoende mate dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (personenauto) onder controle heeft gehouden en

niet aan zijn, verdachtes, verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links is gegaan en gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) is terecht gekomen en

zich aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (de N35) aangebrachte dubbele doorgetrokken streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen", heeft bevonden en

rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de N35) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto, merk Mazda),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tenlastelegging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van tweehonderdveertig uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van een op te leggen werkstraf bepleit rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte als gevolg van het ongeval ernstig letsel heeft opgelopen die er in bestaat dat het linkerbeen van verdachte is verbrijzeld. Hij heeft daardoor twee operaties moeten ondergaan en is nog steeds onder behandeling bij revalidatiecentrum [naam] .

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met verschillende factoren. Zo kijkt de rechtbank naar de aard en de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Daarnaast kijkt de rechtbank naar de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en tijdens de behandeling ter zitting naar voren zijn gekomen. Eveneens kijkt de rechtbank naar eventuele eerdere veroordelingen voor een soortgelijk feit (recidive).


Het veroorzaken van een ongeval waarbij een ander wordt gedood, is een zeer ernstig feit.

Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] niet met opzet aangereden en heeft dit ook zeker niet gewild. Het ongeval is wel aan zijn schuld te wijten en door toedoen van verdachte leeft mevrouw [slachtoffer] niet meer. Dat is een enorm verlies voor haar man en dochter. Zij moeten hun vrouw en moeder missen. Uit de slachtofferverklaring die op de terechtzitting is voorgelezen blijkt hoe moeilijk dit voor hen is en welke ingrijpende gevolgen haar overlijden in het afgelopen jaar voor haar man en dochter heeft gehad. Daarnaast raakt het verdriet om het overlijden van mevrouw [slachtoffer] meer mensen. Uit de door de zus van mevrouw [slachtoffer] ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt ook van een groot gemis.

Door de gedraging van verdachte is aan de nabestaanden van mevrouw [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht. Een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, zal dit leed niet ongedaan kunnen maken. Evenwel dient vanwege de strafbare gedraging en de strafbare dader strafoplegging te volgen. In dit soort zaken dient strafoplegging vooral afgezet te worden tegen de ernst van de gemaakte verkeersfout en de mate van schuld daaraan van verdachte. De in dit geval desastreuze gevolgen van de door verdachte gemaakte verkeersfout spelen uiteraard mee in de strafmaat, maar zijn niet de doorslaggevende factor.

Het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht) heeft voor diverse strafbare feiten oriëntatiepunten opgesteld. De oriëntatiepunten die het LOVS voor een feit als dit hanteert, houden in dat bij een dodelijk verkeersongeluk, waarbij aanmerkelijke schuld - zijnde de laagste gradatie van schuld - is bewezen, vaak een maximale taakstraf opgelegd wordt. Daarnaast wordt dan een ontzegging van de rijbevoegdheid voor een jaar opgelegd.

Ook in deze zaak sluit de rechtbank aan bij hetgeen het LOVS in haar oriëntatiepunten hanteert, nu zij geen reden ziet om daarvan af te wijken. In de omstandigheid dat verdachte zich in eerste instantie tijdens politieverhoren heeft beroepen op zijn zwijgrecht, ziet de rechtbank die reden ook niet; dit recht komt een iedere verdachte toe – hoe moeizaam dat ook is te verteren voor de nabestaanden. Wel speelt de houding die verdachte ten opzichte van nabestaanden inneemt een rol bij de strafmaat. In dit verband constateert de rechtbank dat nimmer een wellicht, mogelijk zinvol, indirect contact heeft plaatsgevonden. Verdachte is verder niet eerder voor verkeersdelicten in aanraking is geweest met politie en justitie en heeft door het ongeval letsel opgelopen. Alles overziend komt de rechtbank tot de slotsom dat de hierna te vermelden straf passend en geboden is.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het primair bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (een) jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. G. van Eerden en

mr. M.I. van Meel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.

Mr. Van Meel is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

1.

Het proces-verbaal van de zitting van 8 november 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, de verklaring van verdachte [verdachte] :

Op 25 oktober 2016 reed ik als bestuurder van een personenauto over de N35 te Enschede in de richting van Hengelo (O). Ik kwam uit de richting van Duitsland. Ik reed met een snelheid van zo’n 100 kilometer per uur.

2.

Een proces-verbaal verkeersongevalanalyse van 16 november 2016, voor zover inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant] , zakelijk weergegeven:

Op 25 oktober 2016 heb ik, [verbalisant] , brigadier van Politie, Oost Nederland, Forensische Opsporing, een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het plaatsgevonden verkeersongeval en de technische staat van de daarbij betrokken voertuigen.

1.2

Beknopte ongevalsbeschrijving

De Fordbestuurder had gereden over de rijbaan van de N35 te Enschede, komende uit de richting van de Oostweg en gaande in de richting van de Zuiderval. De Mazdabestuurster reed over de N35 komende uit de richting van de Zuiderval en gaande in de richting van de Oostweg. Bij hmp. 72.1 botste de Fordbestuurder met de voorzijde van zijn voertuig tegen de voorzijde van de Mazda. Beide bestuurders bekwamen bij dit ongeval lichamelijk letsel en tevens ontstond er materiele schade.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig, merk Ford, kenteken [kenteken 1] en voertuig, merk Mazda, kenteken [kenteken 2] .

Foto 4 toont bij label 1 de botsomgeving. Rond label 1 lag een concentratie van voertuigdelen. In de met witte verf gemarkeerde delen van de weg werd door mij zand/aarde aangetroffen. Vermoedelijk is dit afkomstig uit de spatschermen van de Ford en/of Mazda.

De foto's 5 en 6 tonen het zand/aarde in detail.

Foto 4 toont bij de rode pijl een kras in het wegdek welke vermoedelijk is ontstaan na de botsing en afkomstig is van de velg van het linker voorwiel van de Mazda.

Foto 8 toont bij de rode pijl een krasspoor afkomstig van de velg van de linker voorzijde van de Ford. Dit spoor is ontstaan na de botsing en, nadat de Ford was geroteerd, achterwaarts de berm in reed. Foto 9 toont de linker voorzijde van de Ford met de velg met de kapotte band.

Reminrichting: Ik zag dat de remschijven op de voorwielen schoon en blank waren.

Banden: Ik onderzocht de banden van de vier wielen van het voertuig. lk zag dat de banden met betrekking tot de eisen van beschadigingen, uitstulpingen en profieldiepte voldeden aan de gestelde eisen.

Schade: Ik zag aan de linkerzijde en voorzijde van het voertuig recente schade. lk zag dat de linkerzijde en de voorzijde gedeformeerd was.

3.

Een proces-verbaal van verhoor getuige van 27 oktober 2016, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 1] , zakelijk weergegeven:

Op 25 oktober 2016 reed ik over de N35 komende uit de richting van Duitsland en gaande in de richting van Hengelo (O). Ik reed in een personenauto van het merk Citroen voorzien van het kenteken [kenteken 3] . Ik reed ongeveer 100 km/u. Ik reed vanaf de afslag Enschede Oost achter een grijze Ford en ik zag opeens dat deze bestuurder met zijn rechter voorwiel in de berm terecht kwam. Ik zag dat hij bij wilde sturen en ik zag dat hij opeens op de andere weghelft terecht kwam. Ik zag dat hij frontaal botste op een andere donkere personenauto die uit de richting van Hengelo kwam. Beide auto's draaiden meerdere keren rond en kwamen uiteindelijk in de berm terecht.

4.

Een proces-verbaal van verhoor getuige van 27 oktober 2016, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3] , zakelijk weergegeven:

Op 25 oktober 2016 reed ik als bestuurder van een bedrijfsauto Volkswagen Transporter over de N35 te Enschede. Ik kwam uit de richting van Duitsland en ik ging in de richting van Hengelo (O). Ik reed ongeveer 100 km/u. Ik reed tussen de afslag Enschede Oost en de afslag Enschede Zuid. Voor mij reed een zwarte Citroen.

Opeens zag ik dat een auto die iets verder voor mij reed op de andere weghelft kwam.

Ik zag dat het een grijze Ford Fiesta was die plotseling op de andere weghelft zat. Ik zag dat deze Ford frontaal op een andere auto botste die uit de richting van Hengelo kwam.

5.

Een proces-verbaal van verhoor getuige van 27 oktober 2016, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:

Op 25 oktober 2016 reed ik als bestuurder van een personenauto Mercedes Vito over de N35. Ik kwam uit de richting van Hengelo (O) en ik ging in de richting van Duitsland. Ik reed met een snelheid van ongeveer 100 km/u. Voor mij in dezelfde richting reed een personenauto van het merk Mazda.

Ik zag opeens een personenauto van het merk Ford die vanuit de andere weghelft op mijn weghelft kwam. Deze personenauto kwam uit de richting van Duitsland. Ik zag dat deze auto frontaal op de Mazda botste. Ik zag dat de Ford de linkervoorzijde van de Mazda raakte.

6.

Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Sv, te weten een GGD-schouwverslag van drs. T.H. Loef, forensisch arts KNMG/FMG, van 26 oktober 2016, voor zover inhoudende:

Cliënt [slachtoffer]

Geslacht Vrouw

Geboren op [geboortedatum 2] 1965 [geboorteplaats 2]

Overlijdensdatum 26-10-2016 11:05

Schouwverslag

frontale botsing omdat tegenligger van de weg raakte in de berm en tijdens

stuurcorrectie doorschoot naar de andere weghelft waar betrokkene reed; naar

ziekenhuis en door naar operatiekamer. Verder opname Intensive care waar verdere

achteruitgang werd vastgesteld ondanks bloedstelping en onder andere wel 30 zakken

bloed.

Conclusie Frontale botsing twee auto's. Spoedoperatie mocht niet baten om uiteindelijk bloeding in buik te stoppen, zodat betrokkene een dag later overleed.

Niet natuurlijk overlijden.

1 HR 1 juni 2004, NJ 2005, AO5822.