Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4378

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
ak_zwo_17_1708
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boete opgelegd van € 500,00 wegens niet op tijd voldaan hebben aan de inburgeringsplicht; verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem geen verwijt treft; verdere matiging van de boete niet aan de orde; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1708

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te Goor, eiser,

gemachtigde: mr. I. Mercanoglu,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder, gemachtigde:

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 500,- wegens het niet naleven van artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering (hierna: Wi).

Bij besluit van 26 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg. Ter zitting was een tolk aanwezig.

Overwegingen

1. Het op het geschil van toepassing zijnde wettelijk kader luidde als volgt.

Artikel 7, eerste lid, van de Wi bepaalt dat de inburgeringsplichtige binnen drie jaar mondelinge en schriftelijke vaardigheden verwerft in de Nederlandse taal op ten minste

het niveau A2 van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen en kennis van

de Nederlandse samenleving.

Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de minister de in het eerste lid bedoelde termijn verlengt:

a. indien de inburgeringsplichtige aannemelijk maakt dat hem geen verwijt treft terzake van het niet voldoen aan de inburgeringsplicht, of

b. eenmalig met ten hoogste twee jaren, indien aantoonbaar een alfabetiseringscursus wordt of is gevolgd voor het verstrijken van die termijn.

Artikel 31, eerste lid, van de Wi, bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat de minister een bestuurlijke boete oplegt aan de inburgeringsplichtige die niet binnen de in artikel 7, eerste lid, genoemde termijn of de met toepassing van artikel 7, derde lid, verlengde termijn aan de inburgeringsplicht heeft voldaan.

Artikel 32 van de Wi bepaalt dat de minister in de boetebeschikking, bedoeld in artikel 31, eerste lid, een nieuwe termijn stelt van ten hoogste twee jaren waarbinnen de inburgerings-plichtige na het bekendmaken van de boetebeschikking alsnog aan de inburgeringsplicht moet voldoen.

Artikel 34, aanhef en onder a, van de Wi bepaalt dat de bestuurlijke boete niet hoger kan zijn dan € 1.250,- voor het niet naleven van artikel 7, eerste lid.

2. Bij brief van 5 juli 2013 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij inburgerings-plichtig is, dat de inburgeringstermijn is gestart op 22 mei 2013 en dat hij voor 21 mei 2016 moet voldoen aan de inburgeringsplicht. Bij brief van 19 juni 2015 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij extra tijd krijgt om in te burgeren omdat de inburgeringstermijn is gestart op een tijdstip dat is gelegen op meer dan vier weken voor de kennisgeving omtrent de inburgeringsplicht. De inburgeringstermijn is daarom verlengd tot 18 juni 2016.

Bij brief van 20 juni 2016 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij niet op tijd heeft voldaan aan de inburgeringsplicht en dat verweerder voornemens is eiser een boete van

€ 1.250,- op te leggen. Eiser heeft hierop gereageerd en stukken ingebracht.

De door eiser ingebrachte medische stukken zijn voorgelegd aan de medisch adviseur van verweerder. Verder heeft de medisch adviseur, na hiertoe verkregen toestemming van eiser, informatie opgevraagd bij de door eiser genoemde arts. De medisch adviseur heeft een advies uitgebracht, waarin deze zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen medische redenen zijn waardoor eiser gedurende een periode van ten minste drie aaneengesloten maanden niet in staat is geweest om onderwijs te volgen op grond waarvan verlenging van

de inburgeringsperiode kan worden toegekend.

In het primaire besluit heeft verweerder het advies van de medisch adviseur overgenomen. Nu eiser niet op tijd - te weten uiterlijk op 18 juni 2016 - is ingeburgerd, is aan hem een boete opgelegd van € 500,-. Hierbij is afgezien van het opleggen van de maximale bestuurlijke boete vanwege het aantal cursusuren dat eiser heeft gevolgd bij een onderwijsinstelling met het Blik op Werk keurmerk. Verder heeft verweerder in dit besluit aan eiser meegedeeld dat hij nog steeds inburgeringsplichtig is, dat hij twee jaren extra de tijd krijgt om in te burgeren zodat eiser op 18 juni 2018 moet voldoen aan de inburgeringsplicht.

In bezwaar heeft eiser (nieuwe) medische stukken ingebracht. Verweerder heeft deze stukken voorgelegd aan de medisch adviseur. Deze adviseur heeft zijn primaire advies gehandhaafd.

In het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de medisch adviseur, het primaire besluit gehandhaafd.

3. Eiser stelt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn lichamelijke en psychische klachten niet van dien aard zijn dat hij het inburgeringsexamen niet binnen de vastgestelde termijn heeft kunnen afleggen. Verweerder heeft zijn gezondheidsproblemen onvoldoende meegewogen, aldus eiser.

Eiser stelt verder dat de opgelegde boete in strijd is met het Unierecht waardoor deze in ieder geval zal moeten worden gematigd. Verder voert eiser aan dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, waardoor matiging op zijn plaats is. Deze verminderde verwijtbaarheid wordt veroorzaakt doordat eiser analfabeet is. Eiser is van mening dat verweerder, voor

wat betreft de verminderde verwijtbaarheid in relatie tot de mate van matiging, aansluiting had moeten zoeken bij het systeem zoals dat door de Centrale Raad van Beroep wordt gehanteerd. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn financiële draagkracht.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Uit de stukken, meer specifiek de twee kennisgevingen inburgeringsplicht van 5 juli 2013 en 19 juni 2015, volgt dat eiser inburgeringsplichtig is en dat hij het inburgerings-examen uiterlijk op 18 juni 2016 had moeten behalen. Er is geen grond om van een andere termijn uit te gaan.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op 18 juni 2016 niet had voldaan aan de op hem rustende inburgeringsplicht. De rechtbank onderschrijft dit gedeelde standpunt.

4.2.

Wat betreft de gestelde gezondheidsklachten overweegt de rechtbank dat de door eiser aangevoerde medische klachten en de door hem ingebrachte medische stukken tot twee keer toe zijn beoordeeld door een medisch adviseur. Deze adviseur is arts en daarmee ter zake deskundig. De medisch adviseur heeft zich in zijn beide rapportages op het standpunt gesteld dat er geen redenen zijn waarom eiser gedurende een periode van ten minste drie aaneengesloten maanden niet naar school zou hebben kunnen gaan. De rechtbank constateert dat eiser heeft gesteld noch onderbouwd dat en waarom deze twee rapportages naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dan wel inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent zijn, dat verweerder zich daarop niet heeft mogen baseren. De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder zijn besluitvorming heeft mogen baseren op de twee rapportages van de medisch adviseur.

Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem geen verwijt treft ter zake van het niet binnen de inburgeringstermijn behalen van het inburgeringsexamen. Verweerder heeft dan ook terecht aan eiser een boete opgelegd.

4.3.

Over de hoogte van de boete overweegt de rechtbank het volgende.

4.3.1.

De gestelde strijd met het Unierecht is door eiser genoemd, maar een onderbouwing ontbreekt. Van dergelijke strijd is de rechtbank ook niet gebleken met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2603, waarin gestelde strijd met Richtlijn 2003/109/EG is beoordeeld en afgewezen.

4.3.2.

Ter zitting is gebleken dat eiser is opgegroeid met en kennis heeft van het Arabische alfabet. Dat eiser niet is opgegroeid met het West-Europese alfabet betekent niet dat eiser daarom analfabeet is. Ook is ter zitting gebleken dat eiser geen alfabetiseringscursus volgt of heeft gevolgd, zodat een verlenging van de inburgeringstermijn op grond van artikel 7, derde lid, onder b, van de Wi niet aan de orde is. Nu eiser geen analfabeet is en hij niet voldoet aan de voorwaarden voor verlenging van de inburgeringstermijn op grond van artikel 7, derde lid, onder b, van de Wi, is verminderde verwijtbaarheid vanwege (gesteld) analfabetisme niet aan de orde.

4.3.3.

Er is geen reden waarom verweerder zou moeten aansluiten bij de wijze van matigen zoals wordt gehanteerd in sociale zekerheidszaken.

Daarnaast hanteert verweerder een eigen matigingsbeleid. Dat beleid komt erop neer dat

de maximale boete van € 1.250,- wordt gematigd naarmate betrokkene meer lesuren en/of examenpogingen heeft ondernomen. Dit heeft bij eiser geresulteerd in een boete van € 500,- (in plaats van een boete van € 1.250,-).

Voor een verdere matiging van de boete op grond van een door eiser aangevoerde verminderde verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding.

4.3.4.

Het beroep op verminderde draagkracht heeft eiser niet onderbouwd zodat dit

reeds hierom niet kan slagen. De enkele stelling dat de boete even hoog is als een halve bijstandsuitkering is daartoe onvoldoende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat eiser een betalingsregeling kan treffen.

4.3.5.

Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat verdere matiging dan hij reeds heeft toegepast in deze zaak, niet aan de orde is.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.E.M. Lever, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.