Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4338

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
08/760056-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 30-jarige man uit Hengelo tot een gevangenisstraf van 48 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor het onttrekken van twee minderjarigen aan het gezag en opzicht dat over hen was gesteld. De man nam de twee jongens mee naar zijn huis, terwijl hij wist dat zij minderjarig waren en dat zij uit een instelling waren weggelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760056-17 (P)

Datum vonnis: 21 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1987 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.P. Dronkers en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. P.A. Speijdel, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte twee minderjarigen aan het wettelijk gezag dan wel aan het bevoegd opzicht heeft onttrokken (gehouden).

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij in de periode van 10 april 2017 tot en met 12 april 2017 te Hengelo, gemeente

Hengelo (O), in elk geval in Nederland, opzettelijk twee minderjarigen, te weten

[slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2004) en [slachtoffer 2] (geboren op

[geboortedatum 3] 2004) heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over die

minderjarigen gestelde gezag (het Leger des Heils en/of [naam 1] en/of [naam 2] )

en/of aan het opzicht van degene die dat opzicht desbevoegd over die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] uitoefende(n), immers heeft verdachte zonder toestemming:

  • -

    voornoemde minderjarigen meegenomen naar zijn woning gelegen aan de [adres] en/of

  • -

    voornoemde minderjarigen in zijn woning vastgehouden/ondergebracht,

en aldus voornoemde minderjarigen buiten het bereik en/of de invloedssfeer van het Leger des Heils en/of [naam 1] en/of [naam 2] gebracht en/of gehouden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen 1

4.1

Inleiding

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen de feiten vast die niet ter discussie hebben gestaan.

Op 10 april 2017 zijn de minderjarigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden twaalf jaar, weggelopen bij jeugdinstelling [instelling] te Hengelo (O). Op 12 april 2017 heeft de politie zich begeven naar de [adres] in Hengelo (O). Daar werden op een parkeerplaats de twee minderjarigen aangetroffen, die verklaarden in de woning van verdachte te hebben verbleven. Op 12 april 2017 is door [naam 3] , jeugdbeschermer bij Leger des Heils Reclassering & Jeugdbescherming, namens zowel de moeder als [naam 1] , de voogd van [slachtoffer 1] , en door [naam 2] , moeder van [slachtoffer 2] , aangifte gedaan ter zake van onttrekking van beide minderjarigen aan het gezag en/of het bevoegd opzicht.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onttrekken van twee minderjarigen aan het gezag en/of het bevoegd opzicht bewezen kan worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. In de eerste plaats omdat uit het dossier onvoldoende is gebleken wie het gezag dan wel het bevoegd opzicht over de minderjarigen uitoefende. In de tweede plaats omdat er van onttrekken aan het gezag of opzicht geen sprake is geweest en verdachte daarop geen opzet heeft gehad.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Wettig gezag en/of bevoegd opzicht

Het verwijt dat verdachte wordt gemaakt is dat hij de minderjarigen heeft onttrokken aan het over hen gestelde gezag en/of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend.

Ingevolge artikel 1:245 Burgerlijk Wetboek (BW) staan minderjarigen onder gezag. Dat kan zijn ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 1:255 BW bepaalt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een zogenoemde gecertificeerde instelling. Het Leger des Heils is zo een gecertificeerde instelling. Van ‘opzicht’ in de zin van artikel 279 Wetboek van Strafrecht (Sr) is sprake in het geval van een ondertoezichtstelling. In het kader van een ondertoezichtstelling kan, zoals artikel 1:265b BW bepaalt, een ondertoezichtgestelde minderjarige met machtiging van de kinderrechter uithuisgeplaatst worden.

Hoewel in het dossier geen uittreksels uit het gezagsregister en/of beslissingen van de kinderrechter zijn te vinden, kan wel vastgesteld worden hoe het met het gezag en opzicht over de minderjarigen is gesteld.

Op basis van de verklaring van [naam 3] stelt de rechtbank vast dat in elk geval zijn moeder met het ouderlijk gezag over [slachtoffer 1] was belast en het Leger des Heils met de ondertoezichtstelling. Weliswaar is de terminologie (voogdij) in die aangifte wat ongelukkig gekozen, maar aangezien in de praktijk nog vaak over voogdij wordt gesproken waar ondertoezichtstelling wordt bedoeld, staat dat aan het gebruik van de aangifte voor het bewijs van het gezag en het opzicht niet in de weg.

Voor [slachtoffer 2] geldt dat zijn moeder, [naam 2] , in haar aangifte impliciet verklaart dat zij het ouderlijk gezag over hem heeft: “ik heb niemand toestemming gegeven mijn zoon opzettelijk aan het wettig over hem gestelde gezag te onttrekken”. De verbalisant maakt melding van de aanwezigheid van [naam 4] , werkzaam bij het Leger des Heils, en een ondertoezichtstelling bij dat Leger des Heils. Dat wordt bevestigd door moeder die immers spreekt over een uithuisplaatsing.

De rechtbank stelt daarom ten aanzien van beide minderjarigen vast dat in elk geval moeder het ouderlijk gezag had en dat voor beiden een ondertoezichtstelling (‘opzicht’) gold.

Opzet en onttrekken

De rechtbank stelt voorop dat in beginsel elk doen verkeren van een minderjarige buiten het wettig gezag of bevoegd opzicht kan worden beschouwd als het onttrekken van deze minderjarige in de zin van artikel 279 Sr.

Het enkele feit dat iemand een minderjarige die bij hem op bezoek is gekomen gedurende enkele dagen onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag. Het is in die situatie voor een bewezenverklaring vereist dat degene die de minderjarige opvangt beslissende invloed heeft gehad op de (voortdurende) scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat de [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] minderjarig waren en dat zij waren weggelopen uit een instelling. Door hen mee te nemen naar zijn woning, onderdak te bieden, geen contact met de ouders of de instelling op te nemen en deze situatie twee dagen en nachten te laten voortduren, heeft hij een beslissende invloed gehad op de voortdurende scheiding van de twee minderjarigen en degene die het gezag of opzicht over hen uitoefende.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte de minderjarigen opzettelijk aan het gezag en opzicht heeft onttrokken en dat het door de raadsman gevoerde verweer niet slaagt.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 10 april 2017 tot en met 12 april 2017 te Hengelo, gemeente

Hengelo (O), opzettelijk twee minderjarigen, te weten [slachtoffer 1] (geboren op
[geboortedatum 2] 2004) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2004) heeft onttrokken en onttrokken gehouden aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag en aan het opzicht van degenen die dat opzicht desbevoegd over die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uitoefenden, immers heeft verdachte zonder toestemming:

  • -

    voornoemde minderjarigen meegenomen naar zijn woning gelegen aan de [adres] en

  • -

    voornoemde minderjarigen in zijn woning vastgehouden/ondergebracht,

en aldus voornoemde minderjarigen buiten het bereik en de invloedssfeer van het Leger des Heils en [naam 2] gebracht en gehouden.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 279 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

het misdrijf: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft tevens gevorderd verplicht reclasseringscontact en een meldplicht als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de straf te koppelen, en het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van een duur die de eis van de officier van justitie niet zal overschrijden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van twee minderjarigen aan het gezag en opzicht dat over hen was gesteld. Hij wist dat de jongens die hij rond middernacht vanaf het station mee naar huis had genomen minderjarig waren en dat zij uit een instelling waren weggelopen. Zoals hiervoor ook al gedeeltelijk is overwogen had hij als volwassene zich moeten realiseren dat er mensen waren (ouders, hulpverleners) die zich zorgen om de weggelopen jongens maakten en naar hen op zoek waren. Van verdachte had verwacht mogen worden dat hij contact zou opnemen met ouders, politie of de jeugdinstelling om ervoor te zorgen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , al dan niet door tussenkomst van de politie, zouden terugkeren naar hun ouders dan wel naar de jeugdinstelling. Verdachte had zich dit, zeker gezien zijn eigen achtergrond en historie, moeten realiseren. Door dit na te laten en de situatie te laten voortduren, heeft verdachte zich niet alleen schuldig gemaakt aan een strafbaar feit maar heeft hij ook de familie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de instelling waar zij verbleven in het ongewisse gelaten over de verblijfplaats en het welzijn van de minderjarigen. Dit heeft bij hen tot een groot gevoel van onrust en onzekerheid geleid. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank houdt daarbij eveneens rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 5 oktober 2017, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit met justitie in aanraking is geweest.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend is. De rechtbank brengt daarbij op grond van artikel 27 Sr de dagen die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering op het onvoorwaardelijk deel van de straf. De rechtbank beoogt met de oplegging van deze voorwaardelijke vrijheidsstraf te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen. Indien de verdachte zich niet houdt aan de aan deze voorwaardelijke straf gekoppelde voorwaarden, kan de rechter de tenuitvoerlegging van deze straf gelasten.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid van het feit

  • -

    verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd;

strafbaarheid van de verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 dagen;

  • -

    bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 30 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende algemene en bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

  • -

    zich gedurende de proeftijd meldt bij Tactus Reclassering, Raiffeisenstraat 75 te Enschede, op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zo lang deze instelling dat nodig acht;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2017.

Buiten staat

Mr. Peper is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

1. het proces-verbaal aangifte van 12 april 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van aangever [naam 3] (pagina 28):

Ik ben als jeugdbeschermer werkzaam bij het Leger des Heils dat is belast met het gezag over [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2004. Namens uitvoerend werker [naam 1] , tevens voogd van [slachtoffer 1] , ben ik bevoegd tot het doen van aangifte. Ik doe hierbij samen met de moeder van [slachtoffer 1] aangifte van de onttrekking van [slachtoffer 1] aan het over hem gestelde gezag of aan het toezicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. [slachtoffer 1] staat onder voogdij bij het Leger des Heils. Op 10 april 2017 is [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] weggelopen bij jeugdinstelling [instelling] .

2. het proces-verbaal aangifte van 12 april 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van aangever [naam 2] (pagina 31):

Ik doe aangifte van onttrekking aan het bevoegd gezag van mijn zoon [slachtoffer 2] . Mijn zoon [slachtoffer 2] verblijft bij [instelling] door een uitspraak van de kinderrechter. [slachtoffer 2] is uit huis geplaatst en verblijft bij [instelling] in Hengelo.

[slachtoffer 2] is door een rechter onder toezicht gesteld van het Leger des Heils. Afgelopen zondag zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] vertrokken bij jeugdinstelling [instelling] .

3. het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende de verklaring van de verdachte:

Op 10 april 2017 zag ik de jongens bij het station in Hengelo staan. Ze vertelden mij dat ze waren weggelopen uit een instelling en vroegen of ze met mij mee naar mijn huis mochten. Ik vond dat goed. Ik wilde ze onderdak bieden. Ze zijn met mij meegegaan naar huis. Ik wist dat de jongens 12 en 13 jaar oud waren.

4. het proces verbaal van bevindingen van 12 april 2017, zakelijk weergegeven, inhoudende de ambtsedig opgemaakte verklaring van verbalisant [verbalisant 1] (pagina 24):

Op woensdag 12 april 2017 omstreeks 12.20 uur kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1] , de melding van het OC Hengelo om te gaan naar de [adres] te Hengelo in verband met een ontvoering van kinderen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] ben vervolgens samen met collega [verbalisant 2] naar het genoemde adres gereden.

Toen wij ter plaatse kwamen, zag ik op de parkeerplaats achter de woning aan de [adres] , op de parkeerplaats, de twee jongens staan. Ik herkende [slachtoffer 1] ambtshalve en herkende [slachtoffer 2] van de foto die ik eerder deze ochtend gezien heb.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer [nummer] van 3 augustus 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.