Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4332

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 1315
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening toeslag in kader Toeslagenwet bij verschillende inkomstenbronnen van partner aanleiding om te verrekenen; inkomsten uit arbeid en negatief bedrijfsresultaat bij verrichten van dezelfde werkzaamheden; totale inkomen moet op nihil worden gesteld; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1315

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: M.A. Kuilderd.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Toeslagenwet beëindigd en over de periode 1 januari 2015 tot en met 30 september 2015 herzien. De onverschuldigd betaalde toeslag is tot een bedrag van € 8.416,62 teruggevorderd. Met de beslissing van 14 februari 2017 is aan eiser verzocht dit bedrag binnen zes weken te betalen.

Bij besluit van 19 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser dient per maand een bedrag van € 82,45 terug te betalen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017.

Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door [naam].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser heeft met ingang vanaf 10 september 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 4 juni 2007 ontving eiser eveneens een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) van € 41,12 bruto per dag. De echtgenote van eiser was werkzaam in haar eigen bedrijf. Zij is in 2013 in loondienst gaan werken.

1.2.

Op grond van de gegevens uit de aangifte inkomstenbelasting van de echtgenote van eiser en informatie over haar dienstverband heeft verweerder de toeslag van eiser over het jaar 2015 opnieuw beoordeeld. Dit heeft geleid tot de hierboven weergegeven besluitvorming.

2.1.

Aan deze besluitvorming heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser over het

jaar 2015 per dag een inkomen had van € 41,42. Zijn echtgenote had zowel een verlies uit onderneming van € 50.000, als een inkomen per dag van € 71,35 uit haar dienstverband.

Het verlies uit onderneming heeft verweerder onder toepassing van artikel 2:2 van het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (het Inkomensbesluit) op nihil gesteld. Het totale gezinsinkomen bedroeg over 2015 per dag aldus € 112,77 (€ 41,42 + € 71,35) . Omdat dit boven het zogeheten toetsbedrag ligt dat in 2015 is bepaald op € 69,05, heeft eiser per 1 januari 2015 geen recht op toeslag. Over het jaar 2015 heeft eiser daarom een bedrag van € 8.416,62 aan onverschuldigd betaalde toeslag ontvangen.

2.2.

Ter zitting is namens verweerder gesteld dat de terugvordering wordt herzien naar de helft, afgerond € 4.200.

2.3.

Eiser heeft in bezwaar en in beroep betoogd, dat verweerder bij het berekenen van het gezinsinkomen rekening had moeten houden met het verlies dat zijn echtgenote in haar eigen bedrijf heeft geleden, door het verlies uit haar zelfstandige werkzaamheden te verrekenen met haar inkomsten uit loondienst en haar totale inkomen op nihil te stellen.

3.1.

Artikel 6, eerste lid, onder a, van de TW bepaalt dat voor een gehuwde als inkomen wordt aangemerkt: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hem zelf en zijn echtgenoot.

3.2.

Artikel 2:2 van het Inkomensbesluit luidde ten tijde in geding en voor zover van belang:

1. Onder inkomen uit arbeid wordt verstaan:

a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer, bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van die wet met dien verstande dat niet tot het inkomen uit arbeid worden gerekend:

1° uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat of stond;

(…)

d. de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, bedoeld in de artikelen 3.74 en 3.79a van die wet, met dien verstande dat de bestanddelen van de winst, bedoeld in artikel 3.78, derde lid, van die wet, niet geacht worden te behoren tot de winst;

(…)

2 Indien het inkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c of d, een negatief bedrag is, dan wordt dat inkomen op nihil gesteld.

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

3.4.

Voor de situatie, waarin sprake is van verschillende inkomensbronnen bevat het Inkomensbesluit geen aparte regeling. Vast staat, dat de echtgenote van eiser in het jaar 2015

inkomsten uit arbeid in loondienst had en dat tevens een negatief bedrijfsresultaat in verband met werkzaamheden als zelfstandige op haar naam stond. Uit de dossierstukken komt naar voren, en dit is ook ter zitting bevestigd, dat eisers echtgenote franchisenemer is geweest van de Zuivelhoeve. Vanwege de slechte bedrijfsresultaten is zij in overleg met de Zuivelhoeve dezelfde werkzaamheden blijven verrichten, maar nu in loondienst. Met deze inkomsten konden de nota’s aan de Zuivelhoeve als franchisegever worden betaald. Ter zitting is namens verweerder opgemerkt dat het gaat om een uitzonderlijke situatie, maar dat een verlies in het eigen bedrijf niet zonder meer doorwerkt in het gezinsinkomen en dat er geen enkele reden is om in afwijking van het bepaalde in het Inkomensbesluit beide inkomenscomponenten met elkaar te verrekenen. Naar het oordeel van rechtbank is er in de geschetste omstandigheden, waarin sprake is geweest van het blijven verrichten van dezelfde werkzaamheden, sprake van een zodanig nauwe verwevenheid van beide inkomstenbronnen dat dit tot verrekening aanleiding geeft en voor de toepassing van de Toeslagenwet moet worden gekeken naar het totale resultaat. Dit betekent dat het totale inkomen van de echtgenote van eiser over het jaar 2015 op nihil moet worden gesteld.

3.5.

Uitgaande van de bedragen die verweerder in het bestreden besluit heeft gehanteerd komt de rechtbank tot het volgende oordeel. Het inkomen uit de WAO-uitkering van eiser bedraagt per 1 januari 2015 per dag € 41,42. Het inkomen van zijn echtgenote over 2015 was nihil. Het gezinsinkomen per dag over 2015 bedraagt daarom € 41,42.

Daarmee staat vast dat het inkomen van eiser in 2015 onder het in de TW over 2015 genoemde toetsbedrag van € 69,05 ligt. Verweerder is dan ook ten onrechte overgegaan tot het intrekken, beëindigen en tot terugvordering van de toeslag.

3.6.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit van 2 februari 2017 en bepaalt dat eiser ook over het jaar 2015 recht heeft op toeslag. Ook herroept de rechtbank het primaire besluit van 14 februari 2017, waarmee de over het jaar 2015 onverschuldigd betaalde toeslag is teruggevorderd.

4. Van te vergoeden proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten van 2 februari 2017 en 14 februari 2017;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 46,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.