Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4319

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
08/996081-17 en 08/993025-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 67-jarige man uit Enschede tot een gevangenisstraf van 6 maanden en bepaalt dat hij gedurende 5 jaar het beroep van belastingadviseur niet mag uitvoeren. De rechtbank acht bewezen dat de man voor vijf belastingplichtigen de aangiften opzettelijk onjuist heeft ingevuld en dat hij tijdens een ontzetting als belastingadviseur toch als zodanig werkzaam is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-11-2017
FutD 2017-2987
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/996081-17 en 08/993025-13 (tul)

Datum vonnis: 20 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1950 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Demmers en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair: opzettelijk een of meer ten name van anderen gestelde belastingaangiften voor de inkomstenbelasting onjuist heeft gedaan;

feit 1 subsidiair: (meermalen) valsheid in geschift heeft gepleegd;

feit 2: het recht van belastingadviseur heeft uitgeoefend terwijl hij daarvan bij rechterlijke uitspraak was ontzet.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2016,

te Enschede en/of te Almelo en/of te Arnhem en/of te Heerlen, in elk geval in

Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 1] over het jaar

2015, en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 2] over het jaar

2015, en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 3] over het

jaar 2015, en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 4] over het jaar

2015, en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 4] over het jaar

2014,

onjuist of onvolledig hoeft gedaan en/of door een ander heeft doen doen bij de

belastingdienst te Arnhem en/of Heerlen,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n), dat te weinig belasting zou worden geheven,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk in die aangifte(n):

- een onjuist bedrag aan uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit

( [naam 1] ) en/of dieetkosten ( [naam 1] ) en/of extra uitgaven voor kleding en beddengoed ( [naam 1] ) en/of uitgaven voor genees- en heelkundige hulp ( [naam 1] , [naam 2] ) en/of ingehouden loonheffing ( [naam 3] en [naam 4] ) en/of specifieke zorgkosten ( [naam 3] en [naam 4] ),

en/of

- een onjuist verzamelinkomen ( [naam 3] en [naam 4] ),

althans

- ( (daardoor) een te laag bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting vermeld en/of doen vermelden;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij, in of omstreeks de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2016, te Enschede en/of te Almelo, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

een of meer aangifte(n) inkomstenbelasting -(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt en/of valselijk heeft doen opmaken en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door een of meer anderen te doen gebruiken,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk, immers opzettelijk in strijd met de waarheid, in/op die aangifte(n) vermeld en/of doen vermelden dat de belastingplichtige waarop de aangifte betrekking had in het jaar waarop de aangifte betrekking had -kort gezegd- extra uitgaven voor ziektekosten en/of dieetkosten en/of extra uitgaven voor kleding en beddengoed en/of genees- en heelkundige hulp en/of specifieke zorgkosten had gemaakt die voor (belasting)aftrek in aanmerking kwamen, het betrof onder meer de navolgende

aangifte(n):

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 1] over het jaar

2015 en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 2] over het jaar

2015, en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 3] over het

jaar 2015, en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 4] over het jaar

2015 en/of

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 4] over het jaar

2014,

2.

hij, in of omstreeks de periode van 15 maart 2016 tot en met 26 februari 2017, te Enschede en/of te Almelo, in elk geval in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

het recht van belastingadviseur heeft uitgeoefend, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak, te weten bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 juni 2015, was ontzet,

immers heeft hij, verdachte voor/namens 28, in elk geval een of meer, belastingplichtigen aangiften inkomensheffing en omzetbelasting (elektronisch of fysiek) bij de belastingdienst gedaan.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie heeft zijn standpunt – kort gezegd – gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting en de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen en processen-verbaal van ambtshandeling.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten geen inhoudelijk standpunt ingenomen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

4.3.1

Feit 1 primair

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

- de ambtsedige verklaring van [naam 5] en [naam 6] van 7 april 2017

(G-001-01), pagina’s 40 en 41;

- de ambtsedige verklaring van [naam 5] en [naam 6] van 7 april 2017

(G-002-01), pagina’s 42 en 43;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 8 mei 2017, pagina’s 53 tot en met 57;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] van 8 mei 2017, pagina’s 58 tot en met 63;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 november 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv).

4.3.2

Feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

- de ambtsedige verklaring van [naam 5] en [naam 6] van 7 april 2017

(G-001-01), pagina’s 40 en 41;

- de ambtsedige verklaring van [naam 5] en [naam 6] van 7 april 2017

(G-002-01), pagina’s 42 en 43;

- de ambtsedige verklaring van [naam 5] en [naam 6] van 7 april 2017

(G-003-01), pagina’s 44 en 45;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] van 8 mei 2017, pagina’s 53 tot en met 57;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 4] van 8 mei 2017, pagina’s 58 tot en met 63;

  • -

    het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 november 2017, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv).

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1. primair.

in de periode van 1 maart 2016 tot en met 30 november 2016, in Nederland,

telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 1] over het jaar

2015, en

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 2] over het jaar

2015, en

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 3] over het

jaar 2015, en

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 4] over het jaar

2015, en

- de aangifte inkomstenbelasting te naam gesteld van [naam 4] over het jaar

2014,

onjuist heeft gedaan bij de belastingdienst te Arnhem of Heerlen,

terwijl die feiten er telkens toe strekten, dat te weinig belasting zou worden geheven,

immers heeft hij, verdachte, opzettelijk in die aangiften:

- een onjuist bedrag aan uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit

( [naam 1] ) en dieetkosten ( [naam 1] ) en extra uitgaven voor kleding en beddengoed ( [naam 1] ) en uitgaven voor genees- en heelkundige hulp ( [naam 1] , [naam 2] ) en ingehouden loonheffing ( [naam 3] en [naam 4] ) en specifieke zorgkosten ( [naam 3] en [naam 4] ),

en

- een onjuist verzamelinkomen ( [naam 3] en [naam 4] ), vermeld.

2.

in de periode van 15 maart 2016 tot en met 26 februari 2017, in Nederland,

het recht van belastingadviseur heeft uitgeoefend, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak, te weten bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 3 juni 2015, was ontzet,

immers heeft hij, verdachte voor 28 belastingplichtigen aangiften inkomensheffing en omzetbelasting (elektronisch of fysiek) bij de belastingdienst gedaan.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelasting en artikel 195 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

feit 2

het misdrijf: een recht uitoefenen, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. De officier van justitie heeft daarbij in belangrijke mate meegewogen dat er sprake is van recidive. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat verdachte van het recht van de uitoefening van het beroep als belastingadviseur voor de duur van vijf jaren wordt ontzet.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om de behandeling van de strafzaak aan te houden teneinde een NIFP-rapportage over verdachte te laten opmaken. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om bij het opleggen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte als gevolg van de verdenkingen gedurende het laatste jaar van zijn detentie is overgeplaatst naar een gesloten afdeling en niet of nauwelijks vrijheden en verloven heeft gekregen. Gelet hierop en gelet op de forse gevangenisstraf die verdachte achter de rug heeft, acht de raadsman de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf disproportioneel. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om een taakstraf van 240 uren op te leggen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door op naam van anderen gestelde aangiften inkomstenbelasting opzettelijk onjuist in te vullen en in te dienen. Als gevolg van het handelen van verdachte is een belastingnadeel van € 4.147,00 geleden. Verdachte heeft door zijn handelwijze het belastingsysteem ondermijnd en de belastingmoraal van bonafide belastingplichtigen aangetast. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan schending van een aan hem opgelegd beroepsverbod, door zich als belastingadviseur te gedragen, terwijl hij bij uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2015 van de uitoefening van dat recht was ontzet. Verdachte heeft daarmee ervan blijk gegeven zich kennelijk niet gebonden te achten aan een door de Nederlandse rechter opgelegde straf.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij in het verleden vaker voor fraude en andere vermogensdelicten is veroordeeld. Verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten bovendien gepleegd terwijl de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2015 nog liep.

Uit het reclasseringsadvies van 31 oktober 2017 blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen. De reclassering heeft de rechtbank in overweging gegeven om de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een Pro Justitia rapportage op te laten stellen. De rechtbank is echter van oordeel dat, hoewel verdachte geen inzicht in zijn beweegredenen heeft gegeven, er geen aanwijzingen voor psychiatrische problematiek bij verdachte zijn, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de strafzaak aan te houden teneinde een Pro Justitia rapportage over verdachte te laten uitbrengen.

Gelet op het feit dat verdachte de onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd terwijl de proeftijd van een recente voorwaardelijke veroordeling wegens soortgelijke feiten nog liep en verdachte een beroepsverbod had, alsmede gelet op zijn justitiële documentatie, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een straf anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht alles overwegend passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

De rechtbank is bovendien van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheid dat verdachte zich bij het plegen van de feiten heeft gedragen als belastingadviseur en het feit dat verdachte eerder wegens belastingfraude is veroordeeld, verdachte (opnieuw) voor een periode van vijf jaren van het recht van uitoefening van het beroep als belastingadviseur moet worden ontzet.

8 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 08/993025-13 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 3 juni 2015 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden gevorderd, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen en om naar aanleiding van een eventuele NIFP-rapportage de voorwaarden verbonden aan de veroordeling te wijzigen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Gebleken is immers dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 28, 31, 57 en 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf: een recht uitoefenen, wetende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden;

- bepaalt dat de veroordeelde voor een periode van vijf (5) jaren van het recht van de uitoefening van het beroep van belastingadviseur wordt ontzet;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. K.J. Haarhuis en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Wilmink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst/kantoor Almelo met nummer 61720. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.