Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4306

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
20-11-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 1016
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Leges voor aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart; niet gebleken dat tarief tot onwillekeurige of onredelijke belastingheffing leidt; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2018/13 met annotatie van R.A. Eskes
V-N Vandaag 2017/2740
Viditax (FutD), 21-11-2017
FutD 2017-2993
V-N 2018/39.28.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 17/1016


uitspraak van de meervoudige belastingkamer in het geschil tussen

[naam BV].,

gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. R.P. Ridderhof,

en

de heffingsambtenaar van de provincie Overijssel, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A.J. Mehciz.

17/1016

1 Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 16 juni 2016 heeft verweerder eiseres aangeslagen in de leges ten bedrage van € 634,- voor de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart voor de locatie [naam locatie 1] te Rijssen.

Met dagtekening 15 september 2016 heeft verweerder eiseres aangeslagen in de leges ten bedrage van € 634,- voor de ingetrokken aanvraag voor een ontheffing als hiervoor bedoeld voor de locatie [naam locatie 2] te Schalkhaar.

Bij uitspraak op bezwaar van 22 maart 2017 heeft verweerder het door eiseres tegen beide aanslagen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2 De feiten

Borkeld 1A/B te Rijssen

2.1

Eiseres heeft op 20 mei 2016 bij de provincie Overijssel een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart ingediend. Een op deze aanvraag verleende ontheffing geeft afhankelijk van de aanvraag voor 1 tot 12 dagen per kalenderjaar het recht op het gebruik door een luchtvaartuig van een terrein dat geschikt is voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik (TUG) in de zin van de Wet luchtvaart, het Besluit burgerluchthavens en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.

Bij brief van [naam 1] teamleider vergunningverlening, namens Gedeputeerde Staten van Overijssel van 13 juni 2016 is de gevraagde ontheffing verleend. In deze brief is eiseres verder medegedeeld dat op grond van artikel 5.3.1 van de Belastingverordening Overijssel een bedrag van € 634,- aan leges is verschuldigd.

Bij aanslag met dagtekening 16 juni 2016 is aan eiseres het legesbedrag van € 634,- in rekening gebracht.

[naam locatie 2] te Schalkhaar

2.2

Eiseres heeft op 25 april 2016 bij de provincie Overijssel een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart ingediend.

Bij e-mail van 2 juni 2016 heeft eiseres de aanvraag ingetrokken.

Bij brief van [naam 2] teamleider vergunningverlening, namens Gedeputeerde Staten van Overijssel van 7 juni 2016 is de intrekking van de aanvraag op 2 juni 2016 bevestigd. Aan eiseres is medegedeeld dat op grond van artikel 5.3.1 van de Belastingverordening Overijssel een bedrag van € 634,- aan leges is verschuldigd.

Bij aanslag met dagtekening 15 september 2016 is aan eiseres het legesbedrag van € 634,- in rekening gebracht.

3 Het geschil

In geschil is of de legesaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd.

Eiseres heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat zij ten onrechte in de legesheffing is betrokken.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de leges terecht zijn geheven.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 223, eerste lid, van de Provinciewet kunnen rechten worden geheven ter zake van:

a. het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde provinciale bezittingen of van de voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de provincie in beheer of in onderhoud zijn;

b. het genot van door of vanwege het provinciebestuur verstrekte diensten.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden voor de toepassing van dit hoofdstuk de in het eerste lid bedoelde rechten aangemerkt als provinciale belastingen.

4.2

De Belastingverordening Overijssel, zoals gepubliceerd in het Provinciaal Blad 2006-123, is bij besluit van Provinciale Staten van 12 november 2015 (opnieuw) gewijzigd; de wijzigingen treden op 1 januari 2016 in werking. Deze Belastingverordening provincie Overijssel 2016 is op 11 december 2015 gepubliceerd in het Provinciaal Blad, nr. 8132.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van de Belastingverordening Overijssel wordt onder de naam ‘leges’ als bedoeld in artikel 223 van de Provinciewet een directe provinciale belasting geheven ter zake van het genot van door of vanwege de provincie verstrekte diensten overeenkomstig de bepalingen van deze verordening en de bijbehorende tarieventabel.

Ingevolge artikel 5.2 en 5.2.1 van de tarieventabel bij de Belastingverordening provincie Overijssel 2016 bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet Luchtvaart voor het opstijgen en landen met helikopters € 634,-.

4.3

In het navolgende zal de rechtbank ervan uitgaan dat hetgeen in de jurisprudentie is vermeld over de bepalingen met betrekking tot de gemeentelijke legesheffing, op de provinciale legesheffing van overeenkomstige toepassing is.

4.4.1

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de leges te hoog en disproportioneel zijn. De kosten voor een helikoptervlucht van ongeveer € 700,- worden verhoogd met

€ 634,-. Deze kostenverhoging is voor de helikoptersector niet te dragen, terwijl de ontheffing voor een helikopterbedrijf als eiseres wel noodzakelijk is om haar product (het aanbieden van rondvluchten door middel van meerdere starts en landingen vanaf één locatie) aan te bieden. De disproportionaliteit volgt ook uit het feit dat de provincie Overijssel heeft geschat dat ongeveer 13 uren worden besteed aan een aanvraag om een ontheffing, terwijl het overgrote deel van het werk door eiseres zelf wordt gedaan.

4.4.2

Verweerder heeft in reactie op hetgeen eiseres heeft aangevoerd over de kosten en de werkzaamheden ter zitting aangegeven dat de vergunningverlening ziet op meerdere mogelijke vluchten, immers meerdere dagen waarop meerdere vluchten per dag kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast heeft verweerder een toelichting gegeven op de door haar verrichte werkzaamheden per vergunningaanvraag.

4.4.3

De rechtbank overweegt in dit verband dat volgens vaste jurisprudentie met betrekking tot de gemeentelijke leges (o.m. het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3345 en meer recent de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3080) tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband is vereist. Dat de hoogte van de leges financiële gevolgen zou kunnen hebben voor helikopterbedrijven in Nederland, is een omstandigheid die de rechtmatigheid van de legesaanslag niet kan raken.

4.5.1

Eiseres heeft verder gesteld dat de kosten voor een TUG-ontheffing voor andere luchtvaartuigen lager zijn.

4.5.2

De rechtbank overweegt te dien aanzien dat op grond van artikel 220 van de Provinciewet Provinciale Staten besluiten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een provinciale belasting door het vaststellen van een belastingverordening. Ingevolge artikel 220a van de Provinciewet vermeldt een belastingverordening onder meer het belastbare feit en het tarief. De autonomie die Provinciale Staten hebben bij de regeling van onder meer het legestarief wordt enkel begrensd door wat in artikel 221, tweede lid, van de Provinciewet is bepaald over de maatstaf en in artikel 225, eerste lid, van de Provinciewet over de hoogte van de tarieven. Het staat de rechtbank niet vrij om over de hoogte van het tarief te oordelen, tenzij het tarief leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het aan de lagere overheden toekennen van de bevoegdheid tot het heffen van belasting niet voor ogen kan hebben gehad. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Van het door eiseres ter zitting gestelde motiveringsgebrek in die zin, dat door de provincie ten onrechte een onderscheid is gemaakt tussen helikopters enerzijds en andere luchtvaartuigen anderzijds, is evenmin sprake.

4.6.1

Ten slotte heeft eiseres gesteld dat de provincie voor 2016 ten onrechte is uitgegaan van een vermindering van de rijksbijdrage voor de taken in het kader van de Wet RBML (de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens)). In het overleg van 8 februari 2017 van onder meer eiseres met de provincie is door de provincie aangegeven dat de rijksbijdrage voor 2016 niet is verminderd. Omdat de rijksbijdrage niet voor 100 % in de legesbedragen is doorberekend, heeft eiseres een te hoog bedrag aan leges betaald.

4.6.2

Verweerder heeft met betrekking tot dit standpunt van eiseres in het verweerschrift en ter zitting aangevoerd dat het legestarief voor 2016 is berekend op basis van de informatie zoals deze ten tijde van het opstellen van de raming van de kosten en baten voor belastingjaar 2016, zijnde eind 2015, bekend was. De Staatssecretaris van Infrastructuur & Milieu heeft in 2015 aangekondigd de rijksbijdrage zodanig te verminderen, dat vanaf 2018 geen rijksbijdrage meer verstrekt zou worden. Op het moment van het vaststellen van de tarieven voor 2016, zijnde eind 2015, moest rekening worden gehouden met een vermindering van de rijksbijdrage. Omdat in de loop van 2016 bleek dat de aangekondigde vermindering bleek mee te vallen, hebben Provinciale Staten eind 2016 de tarieven behorende bij de belastingverordening voor belastingjaar 2017 naar beneden bijgesteld.

4.6.3

De rechtbank overweegt in dit verband dat op grond van artikel 225, eerste lid, van de Provinciewet in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 223, eerste lid, worden geheven, de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Verweerder heeft uiteengezet dat bij de raming van de baten en lasten voor belastingjaar 2016 ervan is uitgegaan dat de rijksbijdrage zou worden verminderd. Dat ná het vaststellen van de legestarieven voor belastingjaar 2016 is gebleken dat de rijksbijdrage anders zou uitvallen, doet aan de redelijkheid van de gemaakte raming van de baten en lasten voor belastingjaar 2016 niet af.

4.7

De rechtbank stelt ten slotte voor de goede orde vast dat eiseres haar beroepsgrond met betrekking tot de kostendekkendheid van de leges ter zitting heeft ingetrokken.

4.8

Het beroep is ongegrond.

4.9

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. P.H. Banda, leden, in aanwezigheid van H. Blekkenhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.