Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4303

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
08/760077-17 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man uit Denekamp is voor het aansteken van 4 grote natuurbranden in Noordoost-Twente eind april van dit jaar, veroordeeld tot 15 maanden cel en tbs met voorwaarden. Door deze 4 branden zijn ongeveer 10 voetbalvelden aan heideveld en bos in vlammen opgegaan en dieren levend verbrand. De rechtbank Overijssel oordeelt dat de man lijdt aan pyromanie en verminderd toerekeningsvatbaar is. De man moet 1.200 euro schadevergoeding betalen aan Staatsbosbeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760077-17 (P)

Datum vonnis: 17 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in PPC Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 8 augustus 2017 en 3 november 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. G.C. Pol en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. S.D. Smid, advocaat te Losser, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er - kort en zakelijk weergegeven - op neer dat verdachte zich meerdere keren schuldig heeft gemaakt aan het stichten van natuurbranden.

Voluit luidt de tenlastelegging – na een vordering aanpassing omschrijving van de tenlastelegging van 3 november 2017 - aan verdachte, dat:

1.

hij, op of omstreeks 30 april 2017 te Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland, (op/aan de Kommiezendijk) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge) planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was (zaak 10);

2.

hij, op of omstreeks 30 april 2017 te Beuningen, gemeente Losser, (op/aan de Holtweg)

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge)

planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor (toevallige) voorbijgangers en/of de bewoner(s) van omliggende woningen, in elk geval voor een ander of anderen te duchten was (zaak 8);

3.

hij, op of omstreeks 30 april 2017 te Beuningen, gemeente Losser, (op/aan de Holtweg en/of de Lutterzandweg) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge) planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor (toevallige) voorbijgangers en/of de bewoner(s) van omliggende woningen, in elk geval voor een ander of anderen te duchten was (zaak 6);

4.

hij, op of omstreeks 29 april 2017 te Denekamp, gemeente Dinkelland, (op/aan de Brandlichterweg) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge) planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was (zaak 3).

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Op 29 en 30 april 2017 werden er in de omgeving van Denekamp, Lattrop-Breklenkamp (gemeente Dinkelland) en Beuningen Ov (gemeente Losser) meerdere natuurbranden gemeld. Daarbij zijn grote stukken bos en heideveld verbrand.

Gelet op de locaties en het aantal en de omvang van de branden werd rekening gehouden met brandstichting.

Hoewel er sprake is geweest van een groot aantal incidenten, heeft de officier van justitie ervoor gekozen verdachte te vervolgen voor een viertal natuurbranden. De rechtbank dient te beoordelen of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze natuurbranden.

4.2

Feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en dat de verdachte daarom integraal dient te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat op 30 april 2017 om 18.13 uur bij de brandweer de melding werd ontvangen van een natuurbrand aan de Kommiezendijk te Lattrop. Uit de aangifte van Landschap Overijssel blijkt onder meer dat op voornoemde datum en tijdstip een heideveld in brand stond. Door die brand zijn, behalve planten en bomen, ook dieren verbrand. Er is ongeveer 9.000 m2 heideveld verbrand.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij die dag rond 17.45 uur over de Kommiezendijk reed en op enig moment zag dat een man hard uit het bos kwam lopen. Verder zag getuige [getuige 1] dat in het bos waar de man uit kwam lopen precies op die plek rook ontstond en brand was. In de omgeving waren op dat moment geen andere personen aanwezig. Kort daarna kwam een kleine grijze auto hard langs getuige [getuige 1] heen rijden. Getuige [getuige 1] is direct achter de auto aangereden en zag dat de auto een Fiat Panda betrof met het kenteken [kenteken] . Getuige [getuige 1] zag verder dat de bestuurder van de auto een blanke man was met donkerblond haar, van wie hij de leeftijd rond de 25 á 30 jaar schatte, en dat de man donkere bovenkleding droeg. Op camerabeelden die in de omgeving zijn gemaakt is te zien dat een Fiat Panda wordt gevolgd door de auto van getuige [getuige 1] .

Uit onderzoek is gebleken dat de auto die door getuige [getuige 1] werd gezien en op de camerabeelden te zien is de auto van verdachte is. Uit verklaringen van de moeder en de broer van verdachte, getuigen [getuige 2] en [getuige 3] , blijkt onder meer dat verdachte de enige persoon is die zijn auto gebruikt en dat hij zijn auto nooit uitleent. Daarnaast heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij zijn auto niet uitleent en dat er niemand anders in mag rijden.

Getuige [getuige 4] , een buurvrouw van verdachte, heeft onder meer verklaard dat zij op 30 april 2017 om 15.30 uur bij haar woning is weggegaan en dat zij om 17.30 uur terug is gekomen. Getuige [getuige 4] zag toen dat de auto van verdachte niet op de parkeerplaats stond. Vervolgens zag zij verdachte tussen 18.15 uur en 18.30 uur langs de woning lopen en naar zijn woning gaan.

Uit de internetgeschiedenis van de telefoon van verdachte blijkt onder meer dat hij kort na de brand een aantal keren op internet gezocht heeft naar brand gerelateerde onderwerpen.

Na de aanhouding van verdachte, op 30 april 2017 omstreeks 20:05 uur, heeft de politie een foto gemaakt van verdachte. De rechtbank stelt vast dat op de foto te zien is dat verdachte kort blond haar heeft, donkere bovenkleding en een lichte kleur broek draagt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ongeveer 1.80 meter lang is. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde feit 27 jaar. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat verdachte in het opgegeven signalement past.

Ten slotte blijkt uit het forensisch onderzoek dat van het ontstaan van meerdere branden binnen een relatief kort tijdbestek en in een relatief klein gebied het, al dan niet opzettelijk, bijbrengen of achterlaten van vuur de meest aannemelijke oorzaak van de branden is.

Door de brand zijn er meerdere goederen (flora) aangetast dan wel werden bedreigd te worden aangetast. Derhalve was er sprake van gemeen gevaar voor goederen.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

Naar vaste jurisprudentie kan de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs – zoals een persoon die is gezien kort na de brand komende uit het bos waar de brand was, waarna vervolgens de auto van verdachte uit de nabije omgeving van de plaats delict met hoge snelheid gereden komt en daarna op camerabeelden is te zien, alsmede het door de getuige [getuige 1] gegeven signalement van de bestuurder van de auto van verdachte dat past bij het signalement van verdachte zoals dat te zien is op de politiefoto in het dossier – geen enkele redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande - mede in aanmerking genomen het korte tijdsbestek op diezelfde dag waarop alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden - tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting aan de Kommiezendijk te Lattrop-Breklenkamp.

4.4

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en dat de verdachte daarom integraal dient te worden vrijgesproken.

4.5

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat op 30 april 2017 om 16.39 uur bij de brandweer de melding werd ontvangen van een natuurbrand aan de Holtweg te Beuningen. Uit de aangifte van Staatsbosbeheer Twente blijkt onder meer dat op voornoemde datum achter perceel [adres] een stuk heideveld in brand stond. Door de brand is schade ontstaan aan de natuur en zijn er behalve planten en bomen, ook levende dieren verbrand.

Er is ongeveer 1 a 1,5 hectare heideveld verbrand.

Getuige [getuige 5] heeft onder meer verklaard dat hij op 30 april 2017 omstreeks 16.36 uur de hulpdienst 112 heeft gebeld in verband met een brand. Kort voordat hij de hulpdienst 112 heeft gebeld werd er aangebeld bij de woning aan de [adres] waar hij op dat moment verbleef, waarna getuige [getuige 5] een man aan de achterzijde van de woning zag op de heide. De man was even “weg”, waarna die er weer stond. In de beleving van getuige [getuige 5] moet de man even bij de grond zijn geweest, door bukken of hurken. Hij zag dat de man aandachtig terug keek naar iets, hij wist niet waarnaar. Terwijl de man daar nog stond zag getuige [getuige 5] ineens rook en vervolgens vuur vlakbij de plek waar de man stond. Het vuur verspreidde zich vervolgens snel. Getuige [getuige 5] omschrijft de man die op de heide stond als een blanke man van ongeveer 1.80 meter lang, van wie hij de leeftijd rond de 20 á 30 jaar schatte. De man had blond haar en droeg een zwart shirt en een lichte spijkerbroek.

Uit een forensisch schoenspooronderzoek blijkt onder meer dat het schoenspoor dat werd aangetroffen in de tuin behorende bij de woning aan de [adres] overeenkomsten vertoont met het profiel en de maat van de rechterschoen van verdachte. Onverklaarbare verschillen werden niet waargenomen.

.

Getuige [getuige 6] heeft onder meer verklaard dat zij op zondag 30 april 2017 omstreeks 16.00 uur heeft gezien dat er over de Eekmansweg richting de Grensweg een oude grijze Fiat Panda met behoorlijke snelheid reed. In de auto zat alleen de bestuurder.

Getuige [getuige 7] heeft onder meer verklaard dat hij, toen hij op 30 april 2017 rond 16.45 uur in de nabijheid van de Holterstrasse fietste, een donkergrijs of groenig vierkant autootje (het leek wel een oud model Fiat Panda of Volkswagen Golf) heeft gezien. In de auto zat één persoon, een vrij jonge man. De auto had een kenteken met twee letters, twee cijfers en twee letters. De laatste lettercombinatie was [letters] , de middelste cijfercombinatie was [nummer] of [nummer] en in de eerste lettercombinatie zat in ieder geval een [letter] .

Zoals hiervoor onder feit 1 reeds is vermeld heeft verdachte een grijze Fiat Panda met kenteken: [kenteken] en is hij de enige die in die auto rijdt.

Uit de internetgeschiedenis van de telefoon van verdachte blijkt onder meer dat hij kort na de brand meerdere malen op internet gezocht heeft naar brand gerelateerde onderwerpen.

Verder is de rechtbank op basis van het dossier en de verklaring van verdachte over zijn lengte van oordeel dat verdachte in het door getuige [getuige 5] opgegeven signalement past.

Ten slotte blijkt uit het forensisch onderzoek dat van het ontstaan van meerdere branden binnen een relatief kort tijdbestek en in een relatief klein gebied het, al dan niet, opzettelijk, bijbrengen of achterlaten van vuur de meest aannemelijke oorzaak van de branden is. Door de brand zijn er meerdere goederen (flora) aangetast dan wel werden bedreigd te worden aangetast. Derhalve was er sprake van gemeen gevaar voor goederen.

Verdachte heeft zich ten aanzien van dit feit ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs – zoals dat het signalement van de persoon die door getuige [getuige 5] op de heide is gezien bij de brand past bij het signalement van verdachte zoals dat te zien is op de foto in het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting over zijn lengte, het aangetroffen schoenspoor dat overeenkomsten vertoont met het profiel en de maat van de schoen van verdachte, alsmede de aanwezigheid van een Fiat Panda met soortgelijk kenteken als die van verdachte in de nabije omgeving van de brand – geen enkele redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande - mede in aanmerking genomen het korte tijdsbestek op diezelfde dag waarop alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden - tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting aan de Holtweg te Beuningen.

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor (toevallige) voorbijgangers en/of de bewoner(s) van omliggende woningen, in elk geval voor een ander of anderen te duchten was zoals ten laste gelegd. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank namelijk niet kunnen vaststellen dat dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.6

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en dat de verdachte daarom integraal dient te worden vrijgesproken.

4.7

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat op 30 april 2017 om 12.18 uur bij de brandweer de melding werd ontvangen van een brand aan de Holtweg te Beuningen.

Uit de aangifte van [camping] B.V. blijkt onder meer dat op voornoemde datum een brand ontdekt werd op het heideveld met jeneverbessen. Daarnaast was er nog op twee andere plekken sprake van een brand. Door de brand is er schade ontstaan aan de natuur. Er is totaal ongeveer 22.000 m2 heideveld verbrand.

Getuige [getuige 8] heeft onder meer verklaard dat zij op 30 april 2017 om ongeveer 12.15 uur fietste in de richting van het Lutterzand. Bij de [adres] zag getuige [getuige 8] een verwarde jongeman lopen die opviel door zijn rare gedrag. De man had een rood bezweet bol gezicht, was zoekende en keek steeds in de richting van het heideveld. De man was blank, ongeveer 30 jaar oud, ongeveer 1.75 meter lang, had blond haar en had zwarte bovenkleding aan.

Getuige [getuige 9] heeft onder meer verklaard dat zij op 30 april 2017 omstreeks 12.30 uur een jongeman heeft zien lopen langs de Holtweg. Zij zag de jongeman vlak nadat de eerste brand aan de Holtweg had plaatsgevonden.

De rechtbank is op basis van het dossier van oordeel dat verdachte in het door getuige [getuige 8] opgegeven signalement past. Uit de internetgeschiedenis van de telefoon van verdachte blijkt onder meer dat hij kort na de brand op internet gezocht heeft naar brand gerelateerde onderwerpen.

Verder is in het rapport van de brandweer opgenomen dat om 12.25 uur de auto van verdachte niet bij zijn woning staat.

Verdachte heeft zich ten aanzien van dit feit ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs – zoals dat het signalement van de persoon die door getuige [getuige 8] is gezien nabij [adres] rond het tijdstip van de brandmelding, past bij het signalement verdachte zoals te zien is op de politiefoto in het dossier, alsmede de melding in het brandweerrapport dat de auto van verdachte niet bij zijn woning stond en dat hij kort na de brand op internet zoekt naar brandgerelateerde onderwerpen – geen enkele redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande - mede in aanmerking genomen het korte tijdsbestek op diezelfde dag waarop alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden - tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting aan de Holtweg te Beuningen.

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor (toevallige) voorbijgangers en/of de bewoner(s) van omliggende woningen, in elk geval voor een ander of anderen te duchten was zoals ten laste gelegd. Op grond van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank namelijk niet kunnen vaststellen dat dit gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. De rechtbank zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.8

Feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en dat de verdachte daarom integraal dient te worden vrijgesproken.

4.9

Het oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat op 29 april 2017 om 19.07 uur bij de brandweer de melding werd ontvangen van een brand aan de Brandlichterweg te Denekamp. Uit de aangifte van Staatsbosbeheer Twente blijkt onder meer dat voornoemde brand was ontstaan op twee verschillende plekken op het heideveld. Door de brand is er schade ontstaan aan de natuur. In totaal is ongeveer een halve hectare heideveld en jonge opslag verbrand en verloren gegaan. Behalve planten en bomen zijn er ook levende dieren verbrand.

Getuige [getuige 10] heeft onder meer verklaard dat hij op 29 april 2017 omstreeks 19.00 uur op de Grensweg in Denekamp fietste. Getuige [getuige 10] kwam vanaf de Nordhornsestraat in de richting van de Vrijdijk en zag uit tegengestelde richting een oudere grijze met vierkant uiterlijk Fiat Panda met gele kentekenplanten met hoge snelheid komen rijden. De bestuurder had donkerblond haar en was rond 20 jaar oud.

Toen hij bij de Brandlichterweg aan kwam, zag getuige [getuige 10] in de rand van de bossen iets roken. Vervolgens is getuige [getuige 10] in de richting van de rook gereden en zag hij een brandplek en vlammen van ongeveer 20 centimeter hoog.

Op camerabeelden van de omgeving is te zien dat er rond 18.56 uur een voertuig over de Brandlichterweg te Denekamp rijdt. Op de beelden is te zien dat dit voertuig rijdt in de richting van de Vrijdijk. Dit voertuig komt qua kleur en model overeen met de Fiat Panda van verdachte. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat omstreeks 19.02 uur dezelfde auto uit de tegengestelde richting komt rijden.

Zoals hiervoor onder feit 1 reeds is vermeld heeft verdachte een grijze Fiat Panda met kenteken: [kenteken] en is hij de enige die in die auto rijdt.

Verdachte heeft zich ten aanzien van dit feit ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte voor alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor het bewijs – zoals de verklaring van getuige [getuige 10] over de oudere grijze Fiat Panda die hij heeft gezien rond het tijdstip van de brand en het gegeven signalement van de bestuurder van de Fiat Panda dat past bij het signalement van verdachte, alsmede camerabeelden waarop een grijze Fiat Panda soortgelijk aan die van verdachte vlak voor en na in de nabije omgeving van de brand is te zien – geen enkele redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

De rechtbank komt gelet op het vorenstaande - mede in aanmerking genomen het korte tijdsbestek op diezelfde dag waarop alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden hebben plaatsgevonden - tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde brandstichting aan de Brandlichterweg te Denekamp.

4.10

Verweer onrechtmatig verkregen bewijs

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de Whatsappberichten afkomstig uit de telefoon van verdachte buiten beschouwing moeten worden gelaten, nu dit onrechtmatig verkregen bewijs betreft. Ook de verklaringen van de personen uit de Whatsapp groep moeten om die reden buiten beschouwing worden gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat, wat ook zij van eventuele schendingen, dit verweer gelet op de gehanteerde bewijsmiddelen geen nadere bespreking behoeft.

4.11

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij, op of omstreeks 30 april 2017 te Lattrop-Breklenkamp, gemeente Dinkelland, (op/aan de Kommiezendijk) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge) planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was (zaak 10);

2.

hij, op of omstreeks 30 april 2017 te Beuningen, gemeente Losser, (op/aan de Holtweg)

opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge)

planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor (toevallige) voorbijgangers en/of de bewoner(s) van omliggende woningen, in elk geval voor een ander of anderen te duchten was (zaak 8);

3.

hij, op of omstreeks 30 april 2017 te Beuningen, gemeente Losser, (op/aan de Holtweg en/of de Lutterzandweg) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge) planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan planten en/of struiken althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor (toevallige) voorbijgangers en/of de bewoner(s) van omliggende woningen, in elk geval voor een ander of anderen te duchten was (zaak 6);

4.

hij, op of omstreeks 29 april 2017 te Denekamp, gemeente Dinkelland, (op/aan de Brandlichterweg) opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met (droge) planten en/of struiken en/of flora, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de aldaar aanwezige (overige) planten en/of struiken en/of bomen, althans flora, en/of de aldaar aanwezige fauna, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was (zaak 3);

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikel 157 Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1, 2, 3, en 4, telkens

het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarnaast heeft de officier gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) zal worden opgelegd, waarbij de voorwaarden dienen te gelden zoals deze in het reclasseringsadvies van 1 november 2017 zijn vermeld. Voorts heeft de officier van justitie op grond van het bepaalde in artikel 38 lid 6 Sr gevorderd dat wordt bevolen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft verder bepleit dat, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van de ten laste gelegde feiten, bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden dient te worden met de problematiek van verdachte en dat er sprake is van (sterk) verminderde toerekeningsvatbaarheid. Voorts is een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met als voorwaarde een ambulante behandeling volgens de raadsvrouw een meer passende straf dan de gevorderde TBS met voorwaarden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier gevallen van brandstichting in natuurgebieden rondom zijn woonomgeving. Deze reeks branden hebben veel schade aan de flora en fauna ter plaatse aangericht.

Brandstichting is een ernstig feit, omdat de onberekenbaarheid van een brand met zich brengt dat de gevolgen daarvan op voorhand niet kunnen worden overzien. Daarnaast zijn branden in droge natuurgebieden zonder meer gevaarlijk omdat het vuur zich snel kan uitbreiden en er uiteindelijk zelfs gevaarlijke omstandigheden voor mensen kunnen ontstaan. Door inspanningen van de hulpdiensten is de omvang van de branden uiteindelijk beperkt gebleven. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 25 september 2017;

- een pro justitia rapport van 18 september 2017, opgemaakt door dr. L.H.W.M. Kaiser, psychiater;

- een pro justitia rapport van 21 september 2017, opgemaakt door N. van der Weegen, psycholoog;

- een reclasseringsadvies TBS met voorwaarden van 1 november 2017, opgemaakt

door I.F.J. Nibbelink, reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.

Uit voornoemd rapport van de psychiater blijkt onder meer dat verdachte lijdend is aan een ziekelijke stoornis in de vorm van pyromanie en een autisme spectrum stoornis. Deze stoornis was ook ten tijde van het bewezenverklaarde aanwezig en beïnvloedde verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Verder heeft verdachte antisociale persoonlijkheidstrekken en is er onduidelijkheid omtrent zijn intelligentie; deze is wel laag maar de mate waarin is onduidelijk. Verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde voldoende inzicht in de wederrechtelijkheid van de begane feiten.

Volgens de psychiater is bij verdachte sprake van een ernstige stoornis en een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het gevaar voor herhaling van brandstichting wordt als hoog ingeschat op korte termijn als verdachte geen behandeling krijgt. Het is ook mogelijk dat de stoornis zich gaat uiten in andersoortige gevaarlijk gedrag vanuit de autisme stoornis en zijn neiging tot obsessief denken en handelen. Verdachte heeft een klinische behandeling nodig in een forensische psychiatrische kliniek die matige beveiliging geeft en intensieve behandeling. Het is de verwachting dat die behandeling enkele jaren zal duren. Een ambulante behandeling is niet toereikend, aangezien verdachte ambulant niet in staat is om recidive te voorkomen vanwege de ernst van de stoornis. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden acht de psychiater een te weinig beveiligende maatregel. Gezien de ernst van het tenlastegelegde, de justitiële problematiek in het verleden met eerder gevaarlijk gedrag en antisociaal gedrag, en het grote recidivegevaar samenhangend met een ziekelijk stoornis acht de psychiater een terbeschikkingstelling noodzakelijk. De psychiater adviseert de maatregel terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden op te leggen.

Uit voornoemd rapport van de psycholoog blijkt onder meer dat verdachte lijdt aan pyromanie. Verder is bij verdachte sprake van ernstig gedesorganiseerd en impulsief gedrag. Verdachte is rigide, het ontbreekt hem aan invoelend vermogen, hij is niet in staat tot wederkerig contact en de gewetensfunctie lijkt niet adequaat te zijn ontwikkeld. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was hiervan ook sprake. Of sprake is van een autismespectrumstoornis, van schizotypische persoonlijkheidstrekken of van een psychotische stoornis kan door het ernstige toestandsbeeld niet worden vastgesteld. De psycholoog heeft teveel factoren in het gedrag van verdachte gezien die niet verklaard worden door de diagnose van een autismespectrumstoornis en onthoudt zich daarom van het stellen van een diagnose.

Het is aannemelijk dat de stoornis invloed heeft gehad op het gedrag van verdachte voorafgaand en tijdens het tenlastegelegde. Aangezien de pyromanie zeker een rol heeft gespeeld in het tenlastegelegde en de andere aanwezige stoornis(sen) mogelijk ook, adviseert de psycholoog verdachte de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte lijkt een beperkt probleem- en ziektebesef te hebben. Daarnaast is verdachte impulsief en lijkt het recidiverisico groot te zijn. Verdachte zou, vanuit het oogpunt van recidivepreventie, gebaat zijn bij een intensieve klinische behandeling, waarbij dan ook nadere diagnostiek kan worden gedaan. Om de kans dat verdachte zich (impulsief) onttrekt aan de behandeling te minimaliseren adviseert de psycholoog een maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden op te leggen. Verdachte heeft aangegeven bereid te zijn zich aan de voorwaarden te houden. Een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf is een te lichte stok achter de deur om verdachte langdurig te kunnen behandelen en na de behandeling langdurig te kunnen begeleiden.

De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en de psycholoog op de door hen genoemde gronden over en maakt hun oordeel tot het hare. De rechtbank zal bij de straftoemeting rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De reclassering heeft gerapporteerd over de voorbereiding terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden en het advies ter zitting toegelicht. De indruk van de reclasseringswerker is dat bij verdachte gebrek aan besef en inzicht is in zijn problematiek. Verdachte lijkt de impact van de delicten, de behandeling en zijn eigen (on)mogelijkheden niet goed te kunnen beoordelen. Desalniettemin blijft verdachte herhalen hulp te willen en nodig te hebben. Verdachte is door het IFZ geïndiceerd en aangemeld bij de FPK Assen en geaccepteerd voor behandeling. De behandelduur is gemiddeld anderhalf jaar. Een klinische behandeling is mogelijk ondanks dat verdachte niet open is over de delictbeleving. Het maakt de ingang bij een behandeling en het vorm geven van de behandeling weliswaar lastig, maar het sluit de haalbaarheid van een behandeling niet uit. De bijzondere voorwaarden zijn met verdachte doorgenomen en hij heeft aangegeven dat hij bereid is om mee te werken. Hoewel de indruk is dat verdachte niet in staat is om volledig te (kunnen) beseffen en overzien waaraan hij zich committeert is het mogelijk dat dit gaandeweg duidelijk wordt voor verdachte wat de voorwaarden en behandeling inhoudt. De reclasseringswerker persisteert bij het advies van oplegging van een terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor brandstichting is het mogelijk om - naast een gevangenisstraf - de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) op te leggen, als ook aan de overige voorwaarden uit artikel 37a Sr is voldaan. Dat is hier het geval. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde en bewezen verklaarde brandstichtingen een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Naar het oordeel van de rechtbank eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS). De rechtbank baseert dat met name op het advies van psychiater, de psycholoog en reclassering in dat verband.

Het is van groot belang dat verdachte in een gedwongen kader wordt behandeld voor zijn problematiek. Duidelijk is dat de klinische behandeling langdurig zal moeten zijn, waarna langdurige begeleiding en verdere hulpverlening nodig zal zijn om de kans op recidive te doen verminderen. De combinatie van de noodzakelijk geachte langdurige behandeling en de ernst van de problematiek en het hoge recidiverisico maakt dat de rechtbank van oordeel is dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden noodzakelijk is, nu dit kader voortzetting van de behandeling garandeert. Een behandeling als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijk strafdeel acht de rechtbank, gelet op voorgaande, niet geschikt. Nu de verdachte heeft verklaard dat hij bereid is de voorwaarden na te leven zal de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) opleggen, waarbij de voorwaarden uit het reclasseringsadvies TBS met voorwaarden van 25 september 2017 worden overgenomen. Hoewel verdachte niet open is over de delictbeleving en de indruk bestaat dat hij niet in staat is om volledig te (kunnen) beseffen en overzien waaraan hij zich committeert, meent de reclasseringswerker dat de start van een behandeling en het opleggen van voorwaarden daardoor niet onmogelijk is. De rechtbank sluit zich daarbij aan. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de reclassering geformuleerd, moet worden gelast.

De rechtbank zal, zoals gevorderd, bevelen dat de terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

De rechtbank overweegt ambtshalve dat, gelet op de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmotivering, in onderling verband en samenhang bezien er geen sprake is van een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid Sr. Hieruit volgt dat er in de onderhavige zaak sprake is van een gemaximeerde terbeschikkingstelling (TBS). De totale duur van de maatregel kan daarom - als de terbeschikkingstelling met voorwaarden zou worden omgezet naar terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - een periode van vier jaar niet te boven gaan.

Naast oplegging van de terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk, gelet op de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid en de zwaarte van de maatregel die wordt opgelegd. Alles afwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

Staatsbosbeheer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 3.030,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    schapenbegrazing € 2.400,-;

  • -

    uren toezichthouders (10 uur) € 450,-;

  • -

    uren beheerder (4 uur) 180,-.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij integraal wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de post “schapenbegrazing” moet worden beperkt tot € 1.200,- aangezien de schade in het tweede jaar nog niet vaststaat. Voor wat betreft de posten “uren toezichthouders en beheerder” heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze posten onvoldoende onderbouwd zijn. Indien de verzochte schadevergoeding wordt toegewezen, dan wordt verzocht om termijnbetaling gelet op de financiële situatie van verdachte. Verder heeft de raadsvrouw verzocht de wettelijke rente toe te wijzen vanaf de dag van de veroordeling. De schadevergoedingsmaatregel dient volgens de raadsvrouw niet te worden opgelegd, aangezien verdachte niet in staat is een regeling te treffen met het CJIB en vanwege zijn financiële situatie.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De opgevoerde schadepost “schapenbegrazing” is door de raadsvrouw gedeeltelijk betwist en naar het oordeel van de rechtbank is de gemotiveerde betwisting aannemelijk aangezien het gevorderde bedrag van € 1.200,-- niet vaststaat. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van € 1.200,-, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de strafbare feiten zijn gepleegd. De benadeelde partij zal voor het overige deel in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank zal geen termijnbetaling voor de schadevergoeding opleggen, aangezien dit naar het oordeel van de rechtbank pas in het executietraject aan de orde kan zijn.

De onder de posten “uren toezichthouders” opgevoerde schade is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd, terwijl door de raadsvrouw de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadeposten alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij zal om die reden in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten zijn toegebracht.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de op 31 januari 2017 opgelegde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 283 dagen.

De raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht en subsidiair om verlenging van de proeftijd verzocht.

De hiervoor bewezenverklaarde feiten zijn door de verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank kan op grond daarvan en gelet op het bepaalde in artikel 14g Sr in beginsel de vordering tenuitvoerlegging toewijzen. De rechtbank acht, gelet op de persoon van verdachte, het recidiverisico en de op te leggen straf en maatregel, een behandeling zoals geadviseerd is voor verdachte van groot belang. Naar het oordeel van de rechtbank zou de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor langere duur, een start van behandeling vertragen. De rechtbank acht het van belang dat behandeling van verdachte zo spoedig mogelijk aanvangt na de opgelegde gevangenisstraf in de hoofdzaak. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding om de vordering van de officier van justitie af te wijzen en de proeftijd te verlengen met een jaar.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 27, 36f, 37a, 38, 38a, 38b, 38d en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, 2, 3 en 4 telkens het misdrijf: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

maatregel

- de rechtbank gelast dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

Algemene voorwaarden

• Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

• Verdachte begeeft zich niet zonder toestemming buiten de Europese landsgrenzen van Nederland. Verdachte overlegt hierover vooraf met de reclassering, het Openbaar Ministerie (OM) beslist;

• Verdachte verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;

• Verdachte werkt mee aan FPT en, indien de reclassering dit nodig acht, mee aan een time-out in een forensische psychiatrische instelling (of soortgelijke instelling) van maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

• Verdachte verleent medewerking aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in:

- medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;

- zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;

- zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;

- medewerking verlenen aan huisbezoeken;

- inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of behandeling door andere instellingen/hulpverleners;

- niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;

- medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

Bijzondere voorwaarden

• Verdachte laat zich opnemen in FPK Assen (of soortgelijke zorginstelling), zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij volgt de aanwijzingen van de behandelaars conform de op te stellen (delictpreventieve) behandelovereenkomst en het nader te formuleren behandelplan op. Dit behandelplan zal op geëigende momenten bijgesteld en nader gespecificeerd worden;

- Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie die nodig is voor de behandeling;

- Indien tijdens de behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst is, zulks ter beoordeling van de reclassering, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Verdachte zal zich committeren aan het nazorgtraject waaraan te zijner tijd invulling gegeven zal gaan worden. Dit omvat tevens het kiezen van een woonplek na overleg en toestemming van de reclassering en niet van woonplek veranderen anders dan na overleg en met toestemming van de reclassering. Contact en afstemming met de wijkagent zal in de (nieuwe) woonomgeving tot stand gebracht worden;

• Verdachte onderhoudt contact met de reclassering en verschaft zicht op de voortgang van zijn behandeling. Hij houdt zich aan aanwijzingen, welke gaandeweg de behandeling geformuleerd zullen worden, te geven door of namens de reclassering. De reclassering zal contact onderhouden met zowel de behandelaars als met verdachte;

• Verdachte onthoudt zich van alcohol- en drugsgebruik tenzij hiervoor toestemming gegeven wordt door de begeleidende instellingen. Hij werkt mee aan controles op indicatie en steekproefsgewijs;

- Verdachte onthoudt zich van deelname aan betaalde kansspelen;

• Verdachte zal inzicht geven in zijn sociaal netwerk en medewerking verlenen, indien geïndiceerd door de behandelaars en/of reclassering, aan relatiebegeleiding en systeemgesprekken;

- Verdachte verschaft de reclassering zicht in zijn financiën en eventuele schulden, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij maakt afspraken met schuldeisers om zijn schulden af te

lossen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening of bewindvoering.

dadelijke uitvoerbaarheid

- De rechtbank beveelt op grond van het bepaalde in artikel 38 lid 6 van het Wetboek van Strafrecht dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Staatsbosbeheer van een bedrag van € 1.200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2017;

  • -

    veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij Staatsbosbeheer, voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 april 2017 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 22 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

vordering na voorwaardelijke straf (parketnummer 15/871859-16)

  • -

    wijst de vordering af;

  • -

    verlengt de bij vonnis van 31 januari 2017 bepaalde proeftijd met een jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.M. Bos, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met dossiernummer 2017195695. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 1

1.

het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , namens Landschap Overijssel, van

16 mei 2017, pagina 230 t/m 238, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

“(…) Op zondag, 30 april 2017 omstreeks 18.30 uur werd ik opnieuw gebeld door [naam 2] . Hij zat in het veld op de brandstichter te posten en zag toen rook wat afkomstig bleek te zijn van een brand in het Brecklenkampse Veld. Daar stond een heideveld in brand. Dat is geblust en daar bleek nadien dat er ongeveer 9.000 m2 heideveld is verbrand. (…) Er is door de brand schade ontstaan aan de natuur. Behalve planten en bomen zijn er ook zeker levende dieren verbrand. (…).”

2.

het schriftelijk bescheid van 1 mei 2017, pagina 239, te weten, rapport incident-archief Brandweer voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

“(…) Naam locatie: Kommiezendijk (…) Plaats: Lattrop-Breklenkamp (…) Gemeente: Dinkelland (…) Tijdstip aanname: 30-04-2017 18:13:34 (…) Meldingsclassificatie BRW: Brand/Natuur (…).”

3.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 30 april 2017, pag. 247 t/m 248, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Op zondag 30 april 2017, ik dacht zo rond 17.45 uur, reed ik door ons jachtgebied. Ik reed over de Kommiezendijk en ging rechtsaf de Vleierweg op. Ik keek in de achteruitkijkspiegel en zag over het pad vanuit het bos achter mij een man hardlopend aankomen. (…) Ik zag toen een kleine grijze auto langs mij heen vliegen. Ik reed direct achter die auto aan. (…) Ik zag dat de auto een grijze Fiat Panda 1000 CL betrof. (…) Het kenteken van de auto was [kenteken] . Ik schat de man 25 a 30 jaar oud, volslank gezicht en donkerblond haar. Uit het bos waar ik die man uit zag komen lopen, precies op die plek zag ik de rook ontstaan en was de brand. (…).”

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 2 mei 2017, pag. 249 t/m 253, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Ik zag dat de bestuurder mij aankeek. (…) Ik zag dat hij donkere bovenkleding aan had. (…) Ik heb geen baard, snor of bril gezien bij deze man. (…) Ik kan wel zeggen dat ik hem goed gezien heb. (…) Ik zag dat hij alleen in de auto zat. Ik heb geen andere personen in de omgeving gezien. (…).”

4.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , van 2 juni 2017, pag. 264 t/m 269, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: [verdachte] heeft een grijze Fiat Panda, wie maakt daar gebruik van? A: Eh… ik denk alleen hijzelf. Tenminste, ik heb er nooit in gereden en mijn moeder ook niet. V: Leent hij deze auto wel eens uit? A: Niet dat ik weet, maar het zou kunnen. Ik heb het nog nooit gezien of gemerkt dat hij hem heeft uitgeleend. (…).”

5.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 3 mei 2017, pag. 258 t/m 262, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: [verdachte] heeft een grijze Fiat Panda, wie maakt daar gebruik van? A: Alleen [verdachte] . V: Leent hij deze auto wel eens uit? A: Niet dat ik weet. Ook niet aan zijn broers of mij. V: Wie heeft er een sleutel van deze grijze Fiat Panda. A: Alleen hij. (…).”

6.

het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , van 2 mei 2017, pag. 44 t/m 47, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

“(…) V: Leen je de auto wel eens uit? A: Nee. V: Mag iemand anders er in rijden? A: Nee. (…).”

7.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , van 30 april 2017, pag. 270 t/m 271, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Vanmorgen zondag 30 april 2017, omstreeks 10.30 uur ben ik samen met mijn man en kinderen naar vrienden gegaan. Ik zag dat de auto van de buurman een Fiat Panda op de parkeerplaats stond. (…) Wij zijn om 15.30 uur weggegaan en om 17.30 uur thuis gekomen. Ik zag dat toen wij thuis kwamen de Fiat Panda er niet stond. Ik zag dat tussen 18.15 uur en 18.30 uur de buurman weer voor de woning langslopen en naar zijn woning gaan. (…).”

8.

het proces-verbaal camerabeelden MOVO van verbalisant [verbalisant] , van 24 mei 2017, pagina 302 t/m 305, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat hij een grijze Fiat Panda met kenteken [kenteken] was gevolgd van een natuurterrein gelegen aan de Kommiezendijk te Lattrop-Breklenkamp. (…) Op kort afstand reed een personenauto merk Range Rover achter de genoemde Fiat Panda. Dit bleek later de auto van getuige [getuige 1] te zijn. (…).”

9.

het relaas proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , van 6 juli 2017, pagina 6 t/m 14, in samenhang met, Web History (298), pagina 383, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Onderzoek aangetroffen GSM (…) In het overzicht van internetbezoek blijkt samengevat het volgende: (…) NB: Omstreeks 18.00 uur wordt er brand ontdekt aan de Kommiezendijk in Lattrop. Om 18.24 uur wordt er op het internet gezocht naar 112 twente. Om 18.25 uur wordt er op internet gezocht naar “negende bosbrand op rij in Beuningen”. Om 19.02 wordt er op internet gezocht naar: Politie onderzoekt natuurbranden. (…).”

10.

het schriftelijk bescheid, te weten het persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 27 t/m 30, voor zover inhoudende, een foto verdachte [verdachte] (direct na aanhouding) op 30 april 2017 op pagina 30.

11.

Het proces-verbaal sporenonderzoek van verbalisant [verbalisant] , met fotobijlage, van 13 juni 2017, pagina 414 t/m 437, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Onderzoekslocatie. Het onderzoek is verricht in een natuurgebied in de omgeving van de Holtweg te Beuningen (ov), binnen de gemeente Losser en in een natuurgebied in de omgeving van de Kommiezendijk te Lattrop. (…) Onderzoek (…) Lattrop Kommiezendijk

Aansluitend op de twee onderzoeken aan de Holtweg, ging ik op verzoek van het

aanwezige politiepersoneel vervolgens naar de Komiezendijk te Lattrop. Ook daar zou

zojuist brand hebben gewoed in een natuurgebied. Samen met de speurhondengeleider

[verbalisant] heb ik ter plaatse een onderzoek ingesteld naar de oorzaak en mogelijk

dadergerelateerde sporen. Ter plaatse gekomen zag ik dat het brandweerpersoneel klaar

was met bluswerkzaamheden. Door mij en speurhondengeleider [verbalisant] is het

verbrande gebied op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen onderzocht op

dadergerelateerde sporen en voorwerpen welke duidden op brandstichting. Deze werden

niet aangetroffen. Ook werden na onderzoek door de speurhond geen restanten van een

ontbrande vloeistof waargenomen (zie foto’s 11 t/m 14). (…) Oorzaak van de branden. Na onderzoek kon door mij geen aanwijsbare oorzaak van de branden worden aangetoond.

Op de vermoedelijke plaatsen van het ontstaan (bij benadering) van de branden werden

geen aanwijzingen gevonden voor een oorzaak zoals:

-lenswerking van de zon via een object

-vuurwerk

-peuken

-geprepareerde ontstekingsbronnen

Er werden geen sporen van ontbrandbare vloeistoffen aangetroffen. Gelet op bovenstaande bevindingen, alsmede het feit van het ontstaan van meerdere branden binnen een relatief kort tijdsbestek in een relatief klein gebied, maakt het, al dan niet opzettelijk, bijbrengen of achterlaten van vuur de meest aannemelijke oorzaak van de branden. (…) Gemeen gevaar voor goederen. Door de brand zijn er meerdere goederen (flora) aangetast dan wel werden bedreigd te worden aangetast. Derhalve is er sprake van gemeen gevaar voor goederen. (…).”

12.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

“(…) Ik ben ongeveer 1.80 meter lang. (…).”

Feit 2

1.

het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , namens Staatsbosbeheer Twente, van

16 mei 2017, pagina 185 t/m 192, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

“(…) Diezelfde zondag, 30 april 2017, om 16.39 uur kwam de melding dat er brand was aan de Holtweg in Beuningen in de gemeente Losser. Daar bleek dat er achter perceel [adres] een stuk heideveld in brand stond. (…) Daar is ongeveer 1 a 1½ hectare heideveld verbrand. (…) Er is door de brand schade ontstaan aan de natuur. Behalve planen en bomen zijn er ook zeker levende dieren verbrand. (…).”

2.

het schriftelijk bescheid van 1 mei 2017, pagina 139, te weten, rapport incident-archief Brandweer voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

“(…) Naam locatie: Holtweg (…) Plaats: Beuningen ov (…) Gemeente: Losser (…) Tijdstip aanname: 30-04-2017 16:39:51 (…) Meldingsclassificatie BRW: Brand/Natuur/Bosbrand (…).”

3.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , van 30 april 2017, pagina 200 t/m 201, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Op zondag 30 april 2017 omstreeks 16.45 uur werd er aangebeld bij de woning waar wij op dit moment verblijven voor een korte vakantie. (…) Wij huren deze woning aan de [adres] te Beuningen van staatsbosbeheer. (…) Ik liep naar beneden en zag dat er een man aan de achterzijde van de woning stond op de heide. Ik zag dat deze man weg rende vanaf de heide langs onze woning richting de Holtweg. (…) Een paar tellen later zag ik grote rookontwikkeling op de heide gelegen achter onze woning. (…) Ik kan de man als volgt omschrijven: 1.80 meter lang. Blank. Zwart shirt. Lichte spijkerbroek. Blond haar. (…).”

4.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , van 2 mei 2017, pagina 202 t/m 204, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Ik zag ook dat de man even “weg” was en er vervolgens wel weer was. Na mijn beleving moet hij toen even bij de grond zijn geweest, bukken of hurken. Ook herinner ik mij dat ik zag dat de man aandachtig terug keek iets. Ik weet niet wat. (…) Terwijl de man daar nog stond zag ik ineens rook en vervolgens vuur vlak bij de plek waar hij was. (…) Ik ben dus meteen nadat ik de rook zag naar boven gelopen om met de mobiele telefoon 112 te bellen. (…) Nu mijn partner in de telefoon kijkt ziet ze dat dit om 16.36 uur is geweest. (…) Ik ben naar buiten gegaan om te kijken hoe de brand zich ontwikkelde. Dit ging heel snel. Het vuur verspreidde zich snel. (…).”

5.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , van 6 mei 2017, pagina 214 t/m 217, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Op zondag, 30 april 2017, omstreeks 16.45 uur, fietste ik samen met mijn vrouw over de Baumwollestrasse in Duitsland. (…) We kwamen vanuit noordelijke richting en sloegen rechtsaf de Holterstrasse in richting Nederland. (…) Toen ik die auto zag was het ongeveer 16.45 uur, maar dat kan ik niet helemaal exact zeggen. (…) De auto die ik daar zag was een vierkant model autootje met naar ik meen een donkere kleur. De kleur was donkergrijs of groenig of zo. Het leek wel een oud model Fiat Panda of VW golf. Het was een oud type auto. (…) In de auto zat een (1) persoon. Dat was een man en het was een vrij jonge man. (…) De laatste lettercombinatie was [letters] . (…) De middelste combinatie was [nummer] of [nummer] en daar ben ik ook vrij zeker van. De eerste lettercombinatie weet ik niet helemaal zeker, maar daar zat ik ieder geval een [letter] in en ik heb voor mezelf nog de combinatie [letters] of [letters] of [letters] gemaakt als mogelijke combinatie. (…).”

6.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , van 6 mei 2017, pagina 218 t/m 219, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Op zondag 30 april 2017 omstreeks 16.00 uur was ik in mijn woning. (…) Op dat moment zag ik dat er over de Eekmansweg richting de Grensweg een oude grijze Fiat Panda met behoorlijke snelheid reed. Ik zag dat er slechts één persoon, de bestuurder, in die auto zat. (…).”

7.

het proces-verbaal uitslag vergelijkend schoenspooronderzoek van verbalisant [verbalisant] , van 2 mei 2017, pagina 445, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Op dinsdag 2 mei 2017 werd bij mij, aangeboden: een paar schoenen, merk Adidas, maat 43 1/3, kleur groen, gewaarmerkt AAKH9037NL, in beslag genomen onder [verdachte] , geboren op 20 februari 1990. Verzocht werd het profiel van de zolen van de schoenen AAKH9037NL te vergelijken met het schoenspoor AAKH9043NL, welke bij de brandstichting aan de [adres] te Beuningen (OV) in zand in achtertuin van de woning werd aangetroffen (BVH 2017195670). (…) Het profiel en de maat van het afgevormde schoenspoor AAKH9034NL vertoont overeenkomst met het profiel en de maat van de rechterschoen. (…) Onverklaarbare verschillen zijn niet waargenomen. (…).”

8.

het relaas proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , van 6 juli 2017, pagina 6 t/m 14, in samenhang met, Web History (298), pagina 383, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Onderzoek aangetroffen GSM (…) In het overzicht van internetbezoek blijkt samengevat het volgende: (…) NB: Omstreeks 16.40 is er een grote brand aan de Holtweg. Om 17.03 uur wordt er op internet gezocht naar 112 twente. Tot 17.24 uur wordt er meerdere malen gezocht op “112 twente” en “laatste nieuws”. (…).”

9.

het schriftelijk bescheid, te weten het persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 27 t/m 30, voor zover inhoudende, een foto verdachte [verdachte] (direct na aanhouding) op 30 april 2017 op pagina 30.

10.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

“(…) Ik ben ongeveer 1.80 meter lang. (…).”

11.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , van 2 juni 2017, pagina 264 t/m 269, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: [verdachte] heeft een grijze Fiat Panda, wie maakt daar gebruik van? A: Eh… ik denk alleen hijzelf. Tenminste, ik heb er nooit in gereden en mijn moeder ook niet. V: Leent hij deze auto wel eens uit? A: Niet dat ik weet, maar het zou kunnen. Ik heb het nog nooit gezien of gemerkt dat hij hem heeft uitgeleend. (…).”

12.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 3 mei 2017, pagina 258 t/m 262, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: [verdachte] heeft een grijze Fiat Panda, wie maakt daar gebruik van? A: Alleen [verdachte] . V: Leent hij deze auto wel eens uit? A: Niet dat ik weet. Ook niet aan zijn broers of mij. V: Wie heeft er een sleutel van deze grijze Fiat Panda. A: Alleen hij. (…).”

13.

het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , van 2 mei 2017, pag. 44 t/m 47, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

“(…) V: Leen je de auto wel eens uit? A: Nee. V: Mag iemand anders er in rijden? A: Nee. (…).”

14.

het proces-verbaal sporenonderzoek van verbalisant [verbalisant] , met fotobijlage, van 13 juni 2017, pagina 414 t/m 437, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Onderzoekslocatie. Het onderzoek is verricht in een natuurgebied in de omgeving van de Holtweg te Beuningen (ov), binnen de gemeente Losser en in een natuurgebied in de omgeving van de Kommiezendijk te Lattrop. (…) Onderzoek (…) Beuningen Holtweg (3 brandhaarden) Ik zag dat het eerder genoemde, met de pylon gemarkeerde voorwerp een in elkaar gevouwen stuk textiel betrof. Ik zag dat het stuk textiel gedeeltelijk door de brand

was aangetast. Ik zag dat het aan de rand lag van één van door brand getroffen

gebieden (zie foto 1 t/m 3) . Het stuk textiel is door mij ter plaatse in beslag

genomen. Het stuk textiel is door mij onderzocht op de aanwezigheid van ontbrandbare

vloeistoffen. Deze werden niet gedetecteerd. Bij later onderzoek bleek het om

vermoedelijk een theedoek te gaan. Door mij werd, samen met speurhondgeleider [verbalisant]

en zijn hond, het gebied doorzocht op de aanwezigheid van mogelijk door de dader bij

brandstichting achtergelaten voorwerpen. Hierbij werden geen verdachte voorwerpen

aangetroffen. Tevens werd gezocht naar restanten van mogelijk gebruikte ontbrandbare

vloeistoffen. Deze werden niet gedetecteerd. Tijdens mijn onderzoek werd het geüniformeerd politiepersoneel aangesproken door een man, die later bleek te zijn genaamd [naam 4] , welke verklaarde eigenaar te zijn van het landgoed waarop de branden hadden gewoed. Hij wees ons de plaats aan, waar volgens zijn zeggen het eerste brandje was ontstaan (zie foto 4) . Dit zou zijn gezien door een zwager en een neef van hem. Op de door [naam 4] aangewezen locatie is door mij een onderzoek ingesteld. Hierbij werden met betrekking tot brandstichting geen relevante voorwerpen aangetroffen. Door de speurhond werden geen ontbrandbare vloeistoffen waargenomen. Beuningen [adres] . Tijdens mijn onderzoek naar de bij elkaar gelegen, maar drie afzonderlijke

brandhaarden, hoorde ik van het aanwezige politie— en brandweerpersoneel dat er op dat

moment een nieuwe brand woedde in een nabijgelegen natuurgebied. Ik hoorde kort

hierop sirenes, vermoedelijk van aanrijdende brandweer- en politievoertuigen. Mij werd

alvast verzocht, na het blussen van die brand, daar eveneens een onderzoek in te

stellen. Na het afronden van het eerste onderzoek begaf ik mij, samen met

speurhondgeleider [verbalisant] , naar de Holtweg ter hoogte van [adres] . Ter

plaatse gekomen zag ik dat de brandweer aan het nablussen was. Het betreffende gebied

bevond zich nabij een vrijstaande woning, gevestigd aan de [adres] . Ik zag

dat op sommige plaatsen het verbrande stuk natuurgebied nog smeulde (zie foto’s 5 en

6). Door mij is op de daarvoor in aanmerking komende plaatsen, in samenwerking met de

speurhondgeleider [verbalisant] , gezocht naar dadergerelateerde sporen en voorwerpen welke

duidden op brandstichting. Deze zijn door ons niet aangetroffen. Evenmin werden er

ontbrandbare vloeistoffen gedetecteerd (de woning aan de [adres] is op de

achtergrond zichtbaar op foto 7 en gemarkeerd met een rode pijl). Tijdens mijn onderzoek werd ik door een aanwezige politiemedewerker erop gewezen dat er in de tuin, behorende bij de woning aan de [adres] , een schoenindruk was aangetroffen. Deze schoenindruk zou mogelijk afkomstig zijn van een persoon die kort voor liet ontstaan van de brand bij de woning had aangebeld en nu verdacht werd van het veroorzaken van de branden. Ik zag dat liet een Indruk van een schoenzoolprofiel betrof, gezet in een stukje mul zand. Ik zag dat de Indruk zich In de achtertuin van de woning aan de [adres] bevond. Ik zag dat het een min of meer ‘golvend’ profiel betrof. Het betreffende schoenspoor is door mij fotografisch vastgelegd en vervolgens middels een gipsafvorming veiliggesteld (foto’s 8 t/m 10). (…) Oorzaak van de branden. Na onderzoek kon door mij geen aanwijsbare oorzaak van de branden worden aangetoond.

Op de vermoedelijke plaatsen van het ontstaan (bij benadering) van de branden werden

geen aanwijzingen gevonden voor een oorzaak zoals:

-lenswerking van de zon via een object

-vuurwerk

-peuken

-geprepareerde ontstekingsbronnen

Er werden geen sporen van ontbrandbare vloeistoffen aangetroffen. Gelet op bovenstaande bevindingen, alsmede het feit van het ontstaan van meerdere branden binnen een relatief kort tijdsbestek in een relatief klein gebied, maakt het, al dan niet opzettelijk, bijbrengen of achterlaten van vuur de meest aannemelijke oorzaak van de branden. (…) Gemeen gevaar voor goederen. Door de brand zijn er meerdere goederen (flora) aangetast dan wel werden bedreigd te worden aangetast. Derhalve is er sprake van gemeen gevaar voor goederen. (…).”

15.

het proces-verbaal brandoorzaak-, sporenonderzoek van verbalisant [verbalisant] , met fotobijlage, van 10 mei 2017, pagina 438 t/m 444, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Onderzoekslocatie / geografische ligging

Het onderzoek is verricht in / op een bos/hei/weiland (hei) gelegen te [adres]

Beuningen 0v, binnen de gemeente Losser en een nabij gelegen bos/hei/weiland (hei)

ter hoogte van een parkeerplaats Holtweg. (…) Bevindingen bij het onderzoek (plaats delict / plaats incident)

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en

waargenomen. Locatie achter [adres] / één brandhaard

Ik heb de hierboven genoemde locaties bezocht om een onderzoek in te stellen naar de

oorzaak en het ontstaan van deze natuurbranden. Op de locatie [adres] heb ik

de bewoner gesproken welke mij de locatie van ontstaan van deze natuurbrand heeft

aangewezen. Ik heb hier geen aanwijsbare oorzaken aangetroffen op deze

ontstaansplaats. De oppervlakte welke door vuur was aangetast was bij benadering 200

bij 70 meter. Locatie nabij parkeerplaats Holtweg / twee brandhaarden

Op de locatie Holtweg parkeerplaats heb ik aan de hand van de mij bekende windrichting

ten tijde van de brand en de benodigde onderzoekgegevens de ontstaanslocatie van deze

natuurbranden te achterhalen. Ik heb hier geen aanwijsbare oorzaken aangetroffen op

deze vermoedelijke ontstaansplaatsen. De oppervlakte welke door vuur was aangetast was

bij benadering 100 bij 50 meter en 60 bij 40 meter. Gemeen gevaar van goederen en/of personen. Gezien de situatie was het mogelijk dat de branden hadden kunnen doorontwikkelen en of overslaan naar de naast gelegen bossen, heide en of woning ( [adres] ) De brand vond overdag plaats. Door de branden en of rookontwikkeling was het mogelijk dat er gevaar voor goederen, dieren en of personen zou kunnen ontstaan in de omgeving van deze locaties. Met name was er gevaar voor de brandweer, uitrukteam, die mogelijk door de brandhaarden opgesloten zouden kunnen worden. Interpretatie aangetroffen situatie / brandbeeld. Er werden geen aanwijsbare oorzaken aangetroffen op deze ontstaansplaatsen. Dit maakt dat het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van open vuur de meest aannemelijke oorzaak was van deze branden. Gezien het totaalbeeld, onderzoeksgegevens en de mij bekomen informatie waren de branden ontstaan door het al dan niet opzettelijk bijbrengen of achterlaten van open vuur.

Uitgesloten kan worden dat de brand was ontstaan in de / het, of door:

-onweersactiviteit

-prisma-lenswerking, brandglas (zonlicht op en of door glas)

-technische installatie

-elektrisch netwerk

-kortsluiting

-vonkwerking (metaal op metaal)

-inslaan en of inwerking van een meteoriet of gelijklijkend

-geprepareerde ontstekingsbronnen

-Fosforontbranding. (…).”

Feit 3

1.

het proces-verbaal van aangifte van [naam 4] , namens [camping] BV, van

8 mei 2017, pagina 148 t/m 158, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

“(…) zondag 30 april 2017 te 12.18 uur. (…) Zij waren met gasten in het veld en zij ontdekten daar een brand op het heideveld in het stuk wat wij aanduiden met 12 E. (…) Onderweg naar die hekken zag hij op twee andere plekken nog plaatsen waar het brandde. Dat waren ook heidevelden en die staan op de kaart afgebeeld net boven de vermelding 1390-DLT en net boven de vermelding 1400-DLT. (…) Enkele jeneverbesstruiken zijn aangetast door het vuur maar verder kon het veld behouden worden, dankzij snel ingrijpen door de brandweer. In totaal is er ongeveer 7500 m2 aan heideveld met jeneverbesstruiken verbrand. (…) Het 2e stuk wat door de brand is aangetast is ongeveer 7000 m2 groot en betreft een heideveld met daarop aanplant van jonge dennenbomen. Verder is er nog een 3e stuk van ongeveer 7500 m2 groot wat door de brand is aangetast en dit betreft een heideveld. (…).”

2.

het schriftelijk bescheid van 1 mei 2017, pagina 159, te weten, rapport incident-archief Brandweer voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

“(…) Naam locatie: Holtweg (…) Plaats: Beuningen ov (…) Gemeente: Losser (…) Tijdstip aanname: 30-04-2017 12:18:21 (…) Meldingsclassificatie BRW: Brand/Natuur/Bosbrand (…) Tijd. 12:25:59. 2404; auto van [verdachte] staat NIET bij zijn woning. 12.26:19. Graag uitkijken naar grijze FIAT Panda. (…).”

3.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] , van 2 mei 2017, pagina 169 t/m 170, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Op zondag 30 april 2017 om ongeveer 12.15 uur zijn mijn man en ik gaan fietsen in de richting van het Lutterzand, dus richting oost-west. Er bevindt zich aan de [adres] een vakantiehuis van het Staatsbosbeheer. Daar zag ik op de weg een verwarde jonge man lopen vanuit de richting Bentheimerdijk. Deze man viel op door zijn rare gedrag. Hij had een rood bezweet gezicht, was zoekende, keek steeds in de richting van het heideveld en leek niet echt sportief. (…) Ik kan die man als volgt beschrijven: Ongeveer 1,75 meter lang. Ongeveer 30 jaar oud. Blank uiterlijk. Blond haar. (…) Zwarte boven kleding. (…). (…).”

4.

het relaas proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , van 6 juli 2017, pagina 6 t/m 14, in samenhang met, Web History (298), pagina 383, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Onderzoek aangetroffen GSM (…) In het overzicht van internetbezoek blijkt samengevat het volgende: (…) NB: Omstreeks 12.00 uur is er brand ontdekt aan de Holtweg. (…) Om 12.53 uur wordt er gezocht op internet naar “opnieuw grote natuurbrand – 112 twente” (…).”

5.

het schriftelijk bescheid, te weten het persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 27 t/m 30, voor zover inhoudende, een foto verdachte [verdachte] (direct na aanhouding) op 30 april 2017 op pagina 30.

6.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

“(…) Ik ben ongeveer 1.80 meter lang. (…).”

7.

het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 3 mei 2017, pagina 172 t/m 173, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Op woensdag 3 mei 207 omstreeks 10.10 uur heb ik gebeld met [getuige 9] , bewoner van [adres] te Beuningen, in verband met de camera die geïnstalleerd is aan de gevel van de betreffende woning. (…) Op de vraag of [getuige 9] dingen waren opgevallen, verklaarde zij dat zij een jongeman had zien lopen. [getuige 9] verklaarde de betreffende ochtend met haar man, [naam 5] een wandeling te hebben gemaakt in het gebied achter de woning aan de [adres] . Bij terugkomst bij haar eigen woning omstreeks 12.30 uur, zag zij een voorhaar onbekende jongeman langs de weg lopen. Dit vond zij opvallen. [getuige 9] verklaarde dat zij de jongeman zag nadat de eerste brand aan de Holtstraat had plaatsgevonden. (…).”

Feit 4

1.

het proces-verbaal van aangifte van [naam 3] , namens Staatsbosbeheer Twente, van

16 mei 2017, pagina 93 t/m 96, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever:

“(…) Op zaterdag, 29 april 2017 omstreeks 19.15 kwam de melding binnen bij de brandweer dat er brand was aan de Brandlichterweg in Denekamp. (…) Door deze brand is in totaal ongeveer een halve hectare heideveld en jonge opslag verbrand en verloren gegaan. De brand is ontstaan op twee verschillende plekken in dat veld en er zijn dus ook twee verschillende stukken verbrand. (…) Er is door de brand schade ontstaan aan de natuur. Behalve planten en bomen zijn er ook zeker levende dieren verbrand. (…).”

2.

het schriftelijk bescheid van 1 mei 2017, pagina 97, te weten, rapport incident-archief Brandweer voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

“(…) Naam locatie: Brandlichterwerg (…) Plaats: Denekamp (…) Gemeente: Dinkelland (…) Tijdstip aanname: 29-04-2017 19:07:04 (…) Meldingsclassificatie BRW: Brand/Buiten//Berm/Ruigte/Bosschade (…).”

3.

het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , van 2 mei 2017, pagina 118 t/m 122, met bijlage, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven als relaas van verbalisant:

“(…) Op de beelden is te zien dat er een voertuig over de Brandlichterweg te Denekamp rijdt. Op de beelden is te zien dat dit voertuig rijdt in de richting van de Vrijdijk. Dit voertuig komt qua kleur en model overeen met het voertuig dat verdachte [verdachte] bezit (zijnde de Fiat Panda met kenteken [kenteken] ). Van deze beelden zijn drie screenshots gemaakt. Deze krijgen foto nummer 1 t/m 3.

Fotonummer Tijd op de beelden Werkelijke tijd

Foto 1 17.56.43 uur 18.56.43 uur

Foto 2 17.56.45 uur 18.56.45 uur

Foto 3 17.56.46 uur 18.56.46 uur

Opgemerkt wordt dat in deze richting alleen zandpaden met daarnaast fietspaden liggen. Er ligt veel natuur. Het is geen doorgaande route waar veel auto’s komen.

Op de camerabeelden is te zien dat er ca. 5 ½ minuut later vermoedelijk dezelfde auto voorbij. Ik zie dat het model en de kleur overeenkomt met de auto die op foto 1 t/m 3 te zien is. Nu rijdt de auto over de Brandlichterweg en komt uit de richting van de Vrijdijk (tegengestelde richting als de auto hierboven). Van deze beelden zijn ook screenshots gemaakt. Deze screenshots krijgen de foto nummers 4 t/m 7.

Fotonummer Tijd op de beelden Werkelijke tijd

4 18.02.06 uur 19.02.06 uur

5 18.02.07 uur 19.02.07 uur

6 18.02.07 uur 19.02.07 uur

7 18.02.09 uur 19.02.09 uur

4.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , van 2 mei 2017, pagina 123 t/m 124, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) Ik fietste op zaterdag 29-04-2017 omstreeks 19.00 op de Grensweg in Denekamp. (…) We kwamen vanaf de Nordhorstraat in de richting van de Vrijdijk. (…) Ik zag dat de auto een oudere grijze Fiat Panda was met gele kentekenplaten. Dit was een auto met een vierkant uiterlijk. (…) De bestuurder had volgens mij een stoppelbaardje en donkerblond haar, zeker niet zwart of licht blond. Ik schat de bestuurder rond de begin 20 jaren. (…) Ik en mijn vrouw zijn verder gefietst over de Grensweg en vervolgens over de Vrijdijk. Ik keek bij de t splitsing met de Brandlichterweg naar recht en zag daar in de rand van de bossen iets roken. (…) Wij zijn in de richting van de rook gereden en zagen dat er een brandplek was. Dit was ongeveer 6 a 7 minuten later. (…) De vlammen waren ongeveer 20 centimeter hoog. (…).”

5.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , van 2 juni 2017, pagina 264 t/m 269, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: [verdachte] heeft een grijze Fiat Panda, wie maakt daar gebruik van? A: Eh… ik denk alleen hijzelf. Tenminste, ik heb er nooit in gereden en mijn moeder ook niet. V: Leent hij deze auto wel eens uit? A: Niet dat ik weet, maar het zou kunnen. Ik heb het nog nooit gezien of gemerkt dat hij hem heeft uitgeleend. (…).”

6.

het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 3 mei 2017, pagina 258 t/m 262, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van getuige:

“(…) V: [verdachte] heeft een grijze Fiat Panda, wie maakt daar gebruik van? A: Alleen [verdachte] . V: Leent hij deze auto wel eens uit? A: Niet dat ik weet. Ook niet aan zijn broers of mij. V: Wie heeft er een sleutel van deze grijze Fiat Panda. A: Alleen hij. (…).”

7.

het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , van 2 mei 2017, pag. 44 t/m 47, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

“(…) V: Leen je de auto wel eens uit? A: Nee. V: Mag iemand anders er in rijden? A: Nee. (…).”

8.

het schriftelijk bescheid, te weten het persoonsdossier verdachte [verdachte] , pagina 27 t/m 30, voor zover inhoudende, een foto verdachte [verdachte] (direct na aanhouding) op 30 april 2017 op pagina 30.

9.

het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

“(…) Ik ben ongeveer 1.80 meter lang. (…).”