Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4204

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
C/08/176069 / HA ZA 15-476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:23 BW. Meststoffenwet. Uitvoeringsregel Meststoffenwet. Beroep op 7:23 BW wordt gehonoreerd, omdat de analyses van de geleverde mest voor de mestlevering bij eiser bekend hadden kunnen zijn. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/176069 / HA ZA 15-476

Vonnis van 25 oktober 2017

in de zaak van:

1 de maatschap

[A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

3. [C],

wonende te [woonplaats] ,

4. [D],

wonende te [woonplaats] ,

eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen ‘ [A] ’,

advocaat: mr. A. Kwint-Oceliková te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,

hierna te noemen ‘ [X] ’,

advocaat: mr. J. van Groningen en mr. A. Buth te Middelharnis.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Naar aanleiding van het tussenvonnis van deze rechtbank van 12 april 2017 heeft [A] een akte genomen en [X] een antwoordakte.

1.2.

Vervolgens heeft [A] een antwoordakte, tevens houdende akte wijziging van eis en heeft [X] een antwoordakte genomen.

1.3.

Heden is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing

2.1.

De rechtbank neemt hier over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 12 april 2017.

in conventie:

2.2.

De rechtbank heeft bij genoemd tussenvonnis [A] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de vraag wanneer [A] de mestanalyses van de door

[X] geleverde mest heeft ontvangen en of op dat moment alle door [X] geleverde mest al was uitgereden over het land en of [A] op dat moment nog actie had kunnen ondernemen om binnen de voor haar geldende mestwaarden te blijven en/of een beroep had kunnen doen op de fosfaatverrekeningsregeling.

2.3.

[A] heeft in dit kader samengevat het volgende aangevoerd. Op de volgende data heeft [X] aan [A] mest geleverd:

  • -

    21 maart 2012;

  • -

    29 maart 2012;

  • -

    3 april 2012;

  • -

    6 april 2012;

  • -

    16 april 2012.

Op de analyse van de door [X] aan [A] geleverde mest is de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, zoals deze ten tijde van de levering gold, van toepassing.

[A] heeft de relevante onderzoeksresultaten c.q. mestrapporten van Acmaa B.V. overgelegd. In het rapport betreffende de eerste levering van 21 maart 2016 is te zien dat dit rapport, naar aanleiding van de analyse, op 29 maart 2016 is opgemaakt. Op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (oud) diende dit rapport binnen vijf werkdagen aan [A] per post te zijn verzonden. Aangenomen moet worden dat deze verzending op

5 april 2012 heeft plaatsgevonden. Vanwege Goede Vrijdag en Tweede Paasdag heeft [A] deze resultaten niet eerder dan op 10 april 2012 ontvangen. De resultaten van de tweede levering op 29 maart 2012, waarvan op 10 april 2012 een analyse is opgesteld, zijn niet eerder dan op 17 april 2012 verzonden. Deze en alle opvolgende resultaten van de afgeleverde mest waren aldus, na de laatste levering van 16 april 2012 in het bezit van [A] . Nu niet is gebleken dat [A] de resultaten eerder heeft ontvangen dan dat de wet voorschrijft, dient volgens [A] te worden aangesloten bij de wettelijke termijn. [X] heeft ook de onderzoeksresultaten ontvangen. [X] had daarom [A] moeten waarschuwen dat er sprake was van afwijkende fosfaatwaarden. Het was voor [A] op het moment van de ontvangst van de resultaten van de eerste levering onmogelijk om vast te stellen of de totale geleverde mest in overeenstemming zou zijn met het mestplan. Hierbij speelt een rol dat [A] in dezelfde periode kippenmest afvoerde. Door drukte op het werk heeft [A] de onderzoeksresultaten niet direct gecontroleerd. Er was voor [A] ook geen aanleiding om de door [X] geleverde mest te controleren. [A] had immers afspraken gemaakt met [X] over de fosfaathoogte in de mest en [A] had blijkens haar mestplan nog ruimte over van ongeveer 600 ton drijfmest.

2.4.

[X] heeft zich bij akte uitgelaten over de akte van [A] . [X] heeft samengevat het volgende aangevoerd. [A] heeft te laat geklaagd. [X] betwist dat zij een mededelingsplicht had met betrekking tot de geleverde mest. Op [A] rustte een onderzoeksplicht. [X] betwist dat zij het bemestingsplan van [A] kende. [A] is in augustus 2012 er achter gekomen dat [X] mest had geleverd met hogere fosfaatwaarden. [A] heeft echter ook toen niet geklaagd. Dat heeft zij pas in 2014 gedaan, op het moment dat het RVO het voornemen had om [A] een boete op te leggen. Ook op 15 april 2012 heeft [X] aan [A] geleverd. [X] betwist uitdrukkelijk het feitelijke termijnverloop zoals dat door [A] is geschetst. Het verzenden van de mestrapporten op of uiterlijk na de rapportagedatum is de gangbare praktijk. [A] had dus tijdig kunnen controleren of de door [X] geleverde mest voldeed en paste in het mestplan van [A] . Dat [A] de mestanalyses niet heeft gecontroleerd vanwege drukke werkzaamheden en daarmee niet de zekerheid heeft verkregen over de fosfaatgehalten in de mest, doet niets af aan haar eigen verantwoordelijkheid. De gevolgen blijven voor haar rekening. Het is bovendien vast gebruik in de landbouwpraktijk dat akkerbouwers de analyseresultaten van de ontvangen mest beoordelen, mede om de benodigde aanvullende kunstmestgift af te stemmen op de reeds met de mest aangevoerde mineralen. Door te laat te klagen is [X] de mogelijkheid ontnomen om tijdig schadebeperkende maatregelen te treffen en [A] te adviseren. [A] heeft niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. [A] heeft zich onjuist laten informeren door DLV Plant B.V. [A] heeft onvoldoende maatregelen getroffen teneinde (een definitieve) overschrijding van de fosfaatgebruiksnormen te voorkomen.

2.5.

De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 7:23 lid 1 BW bepaalt dat de koper er geen beroep meer op kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, kennis heeft gegeven.

[A] dient als akkerbouwer te voldoen aan de Meststoffenwet. In dat kader is zij ervoor verantwoordelijk dat er niet te veel fosfaten in haar grond terecht komen. Zij dient daarop toe te zien. In dat kader wordt op grond van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet de mest die bij [A] wordt uitgereden onderzocht op het fosfaatgehalte en ontvangt [A] van dit onderzoek de onderzoeksresultaten. [A] maakt in dat kader jaarlijks een mestplan op. Als [A] niet voldoet aan de aan haar gestelde mestwaarden, kan zij een boete opgelegd krijgen. [A] heeft derhalve een eigen verantwoordelijkheid op de controle van de fosfaatwaarden in de aan haar geleverde mest. [A] had derhalve de onderzoeksresultaten sowieso moeten bestuderen. [A] krijgt deze resultaten niet voor niets. Dat [A] het druk had in die periode, doet daar niets aan af. Daarnaast wist [A] dat hij andere mest geleverd kreeg, dan dat oorspronkelijk de bedoeling was. Ook deze omstandigheid geeft aanleiding om goed naar de onderzoeksresultaten te kijken. De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat [A] de onderzoeksresultaten had ontvangen, zij redelijkerwijs had kunnen ontdekken of de aan haar geleverde mest aan de overeenkomst beantwoordde. Vaststaat dat [A] dat niet heeft gedaan. [A] is er immers pas achter gekomen in augustus 2012, het moment waarop haar mestboekhouding werd bijgewerkt. Partijen twisten over de vraag wanneer [A] de onderzoeksresultaten heeft ontvangen. [A] voert aan dat zij dat niet meer weet en gaat daarom uit van de wettelijke termijnen die daarvoor gelden. [X] heeft aangevoerd dat deze resultaten op de dag dat de resultaten bekend zijn of een dag daarna naar [A] gezonden moeten zijn. [X] heeft in dit kader een e-mailbericht d.d. 16 juni 2017 in het geding gebracht van de heer [Z] , project coördinator bij Eurofins. Deze verklaart:

“Mijn collega [Y] , die voorheen voor ACMAA werkzaam was, wist mij te melden dat deze mestrapporten destijds doorgaans dezelfde dag of dag na datum rapportage (vermeld in het rapport) per post of e-mail naar de betreffende partijen werden verstuurd.”

De naam van [Y] staat ook vermeld op de relevante mestrapportages. De rechtbank acht deze handelwijze logisch. Waarom zou er nog dagen gewacht gaan worden met verzending van de rapportages. De eerste twee leveringen van [X] hebben plaatsgevonden op 21 en 29 maart 2012. De analyses van de toen geleverde mest dateren van 29 maart en 10 april 2012. De rechtbank gaat ervan uit dat deze rapportages in ieder geval uiterlijk op 3 en 12 april 2012 door [A] zijn ontvangen. Deze gegevens hadden dus vóór de mestleveringen van [X] aan [A] van 15 en 16 april 2012 bij [A] bekend kunnen zijn, als [A] de analyses wel had bestudeerd op het moment dat zij deze had ontvangen. [A] had dan kunnen constateren dat de fosfaatwaarden afweken van hetgeen partijen met elkaar waren overeengekomen. [A] had toen nog de tijd gehad om de daarop volgende mestleveringen te annuleren. Er zou dan sprake geweest zijn van een beperkte overschrijding van de fosfaatnormen, waarbij [A] zich wel had kunnen beroepen op de fosfaatverrekeningsregeling en er was [A] geen boete opgelegd. Dit is door [A] niet betwist.

[A] heeft aangevoerd dat zij, als zij de analyses van de mest wel had geopend en bestudeerd, niet met één opslag had kunnen zien dat zij over het toegestane aantal fosfaten heen zou gaan. [A] had echter bij tijdige opening van haar post wel met één opslag kunnen zien dat de geleverde mest geen 2,9 kg fosfaat per ton bevatte, maar mest met een gemiddeld fosfaatgehalte van 4,83 kg per ton (analyse van 29 maart 2012) en 4,14 kg per ton (analyse van 10 april 2012), derhalve aanzienlijk hoger dan partijen waren overeengekomen. Dat had [A] op dat moment moeten melden aan [X] . Op dat moment konden er nog maatregelen genomen worden, waardoor [A] geen boete opgelegd zou hebben gekregen. [A] heeft derhalve te laat geklaagd in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW. [A] kan er derhalve geen beroep meer op doen dat de door [X] geleverde mest niet beantwoordde aan hetgeen partijen waren overeengekomen.

2.6.

De rechtbank zal op grond van het bovenstaande de vorderingen van [A] afwijzen en haar als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordelen. De rechtbank begroot deze kosten aan de zijde van [X] als volgt:

verschotten:

 griffierecht: € 1.909,00

salaris advocaat:

  • -

    conclusie van antwoord: 1

  • -

    comparitie van partijen: 1

  • -

    getuigenverhoor aan de zijde van [X] : 1

  • -

    conclusie na enquête: 1

  • -

    antwoordakte: ½

  • -

    antwoordakte: ½ +

totaal: 5 x € 579,00 = € 2.895,00

in reconventie:

2.7.

[X] heeft op grond van het feit dat zij kippenmest van [A] heeft afgenomen een bedrag gevorderd van € 2.656,21, te vermeerderen met rente en kosten. [A] heeft dit niet betwist, maar heeft zich beroepen op een opschortingsrecht. Op grond van haar overwegingen in conventie is de rechtbank van oordeel dat er geen opschortingsrecht aan [A] toekwam. De rechtbank zal derhalve de vordering van

[X] toewijzen. Het staat vast dat [X] buitengerechtelijke incassokosten heeft moeten maken. Ingevolge het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is [A] een bedrag van € 390,62 aan [X] verschuldigd. Voorts zal de rechtbank de primair gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen.

2.8.

De rechtbank zal [A] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure en begroot deze kosten aan de zijde van [X] op een bedrag van € 960,00 (2,5 x € 384,00). Voorts zal de rechtbank [A] in de nakosten veroordelen.

3 De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

3.1.

Wijst de vorderingen af.

3.2.

Veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure en begroot deze kosten aan de zijde van [X] op een bedrag van € 1.909,00 aan verschotten en op een bedrag van € 2.895,00 aan salaris advocaat.

in reconventie:

3.3.

Veroordeelt [A] hoofdelijk, des de één betaald hebbend de ander zal zijn gekweten, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 2.656,21, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de onderscheiden openstaande facturen van [X] die staan vermeld in het debiteurenoverzicht dat als productie 9 bij dagvaarding is overgelegd, tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van

€ 390,62.

3.4.

Veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure en begroot deze kosten aan de zijde van [X] op een bedrag van € 960,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten van € 131,00 dan wel € 199,00 indien betekening van het vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten voor het geval [A] niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis niet heeft voldaan aan deze proceskostenveroordeling.

in conventie en in reconventie:

3.5.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op

25 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.