Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:42

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
04-04-2017
Zaaknummer
188070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

C/08/188070 d.d. 11 januari 2017 (e-archief: ECLI:NL:RBOVE:2017:42)

Eiser heeft onder de merknaam ‘de heilige koe’ panir op de Nederlandse markt gebracht. De panir werd gemaakt door het bedrijf van gedaagde die daarvoor een marketingbijdrage betaalde aan eiser. Gedaagde heeft de samenwerking beeindigd en de productie en afzet van panir onder eigen naam voortgezet. Door eiser gevorderde betaling van marketingbijdrage over een redelijke opzegtermijn van 6 maanden wordt toegewezen. Gevorderde verklaring voor recht dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser door het benaderen van afnemers van gedaagde en het voortzetten van de productie onder eigen naam wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1775
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/188070 / HA ZA 16-270

Vonnis van 11 januari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. J.J. Gevers te Assen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. van der Kolk te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 september 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 november 2016 en de daaraan gehechte stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft vanaf 2005 campagne gevoerd en proeverijen georganiseerd om panir, een Indiase kaassoort, in de Nederlandse markt bekendheid te geven.

2.2.

In de periode van 2005 tot en met 2013 heeft de firma Weerribben Zuivel voor het merk/label “Heilige Koe” van [eiser] panir geproduceerd. Vanaf 2013 is [eiser] op zoek gegaan naar een andere producent. In 2013 is [eiser] met [gedaagde] in contact gekomen omtrent een samenwerking.

2.3.

Op 29 mei 2013 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:
(…) Ik heb je vorige week telefonisch bevestigd dat ik de productie van Panir graag op me wil nemen. (…) Ik heb sinds vorige week een aantal zaken geregeld. Zo heb ik gevraagd wanneer ik bij mijn werk weg kon. (…)
De volgende stap is de bouwvergunning bij de gemeente, de bank, en het zoeken van geschikte apparatuur. (…) Graag zie ik ook van jouw kant bevestigd dat we kunnen/willen samen werken. Voor mij is het namelijk ook een financieel risico dat ik ga nemen. Enige zekerheid is dan wel van belang, ook richting de (rabo)bank.

2.4.

Op 31 mei 2013 heeft [eiser] een e-mail met als bijlage een concept samenwerkingsovereenkomst aan [gedaagde] gezonden. Daarin is onder meer het volgende vermeld:
CONCEPT
Samenwerkingsovereenkomst inzake de productie en verkoop van Panir

1. Samenwerking
De samenwerking betreft de productie en verkoop van panir. Panir is een jonge kaas volgens Indiaas recept en wordt in principe op weekbasis geproduceerd door [gedaagde] op aanwijzing en volgens recept van [eiser] . [eiser] koopt de door [gedaagde] geproduceerde panir van [gedaagde] en verkoopt deze aan de groothandel en distributeurs.
De inbreng van [gedaagde] in deze samenwerking is productiecapaciteit voor panir; [gedaagde] is eindverantwoordelijk voor de productie van panir.
De inbreng van [eiser] is de receptuur van panir, het merk “De heilige koe”, de verkooprelatie met Udea voor panir; [eiser] is eindverantwoordelijk voor de verkoopactiviteiten en de productontwikkeling van panir.

2. Duur van de overeenkomst
De samenwerking is aangegaan voor onbepaalde tijd, met in acht name van een opzegtermijn van een half jaar, te rekenen vanaf het moment dat per aangetekende brief schriftelijk mededeling is gedaan van opzegging.

(…)

2.5.

[gedaagde] is in januari 2014 gestart met de productie van panir. [gedaagde] heeft sindsdien de panir niet aan [eiser] maar rechtstreeks aan afnemers geleverd. Tussen partijen is herhaaldelijk gecorrespondeerd over onder meer de kostprijsopbouw van panir en de door [eiser] te verrichten marketingactiviteiten en de vergoeding daarvoor.

2.6.

[gedaagde] heeft op 20 januari 2014 onder meer het volgende aan [eiser] gemaild:


Ik heb het contract inderdaad nog niet terug gestuurd. Dit komt omdat een samenwerking volgens mij op basis van vertrouwen aangegaan moet worden. (…) In de afgelopen periode zijn een aantal zaken nog niet soepel verlopen, die zeker op het evaluatie moment (over onder andere de prijssetting) ter sprake moeten komen. (…) Tijdens onze overleggen is de kostprijs opbouw herhaaldelijk besproken. Een aantal kostprijzen waren gebaseerd op aannames of gebaseerd op zaken uit het verleden. (…) Deze kostprijs opbouw zouden we weer evalueren op ons evaluatiemoment na een aantal maanden van productie. (…) In mijn optiek hadden we samen met [A] afgesproken dat we niet aan de lage kant moesten gaan zitten om financiële opstart problemen te voorkomen, tot aan het evaluatiemoment (voor de producent). Verder had ik ook al eerder aangegeven (in mijn mail van 6 november) dat de kostprijs niet klopte in verband met het ontbreken van de rente vergoeding aan de bank. (…) Nu blijkt dat de verpakkingskosten van 0,2 ook niet genoeg zijn. Ik kom uit op 0,45 per kg. Verder blijkt het citroensap ook 9,90 euro per liter te kosten (er is 6 liter nodig per productieproces), dus omgerekend zo’n 60 euro. Dit is meer dan de helft van mijn arbeidsvergoeding. Ik ervaar het contract nu als bedreigend, vooral na ons telefoongesprek van enkele weken geleden dat 2 uur duurde. (…) Als laatste wil ik graag verwoorden dat het financiële risico geheel bij mij ligt. Ik heb alle investeringen gedaan. Als Udea nu de boot afhoudt, om dat het product te duur is, ben ik de klos. Ik hoop dat je mijn gevoel begrijpt en dat we deze zaken mee nemen tijdens ons evaluatiemoment.

2.7.

Op 7 mei 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen (onder meer) [eiser] en [gedaagde] (onder meer) omtrent de kostprijsopbouw van de panir.

2.8.

[gedaagde] heeft van februari 2014 tot augustus 2014 cijfers verstrekt aan [eiser] met betrekking tot zijn productie en levering van panir (rechtstreeks) aan afnemers. De marketingvergoeding die [eiser] op basis van die cijfers bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht heeft [gedaagde] voldaan. Na augustus 2014 is [gedaagde] gestopt met het aanleveren van vorenbedoelde cijfers en heeft [gedaagde] geen marketingvergoeding meer aan [eiser] betaald.

2.9.

In een e-mail van 7 augustus 2014 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:
Als mij al vanaf het voorjaar wordt verteld dat de afzet naar Duitsland wordt opgepakt en ik in onderstaande mail moet lezen dat er veel belovende informatie mijn kant op komt, maar als het vervolgens niet gebeurt of niet wordt gecommuniceerd, dan voel ik geen stabiele samenwerking.
De beslissing om Panir te maken voelt voor mij op dit moment niet als een goede beslissing. Niet qua verdiensten, niet qua voorspelde hoeveelheid benodigde arbeid en niet qua afzet. Ik heb mijn baan buitenshuis opgezegd, maar heb daar nog iedere dag spijt van. (…)
2.10. Per e-mail van 1 december 2014 heeft [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde] bericht:
Na onze telefoon gesprek van afgelopen dinsdag wil ik zeggen dat ik het jammer vind voor jou dat het tegen valt met het panir proces. (…) Zoals ik dinsdag verteld heb was ik niet op de hoogte van jouw problemen en ben ik ondertussen door gegaan met verkoop activiteiten. Daarom houd ik je aan onze afspraak van afgelopen 7 mei waar afgesproken was dat jij maandelijks een leverings overzicht zou sturen en € 0,14 per pakje marketing zou betalen. Deze afspraak loopt tot 1 april 2015. Omdat je aangaf het erg druk te hebben en daarom geen overzichten heb gestuurd, wil ik voor de afgelopen 3 maanden uitgaan van een gemiddelde aantal geleverde pakjes. Je zei dat het ongeveer 3500 per maand zijn. (…)

2.11.

Op 2 december 2014 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] bericht:
Tijdens ons gesprek in mei zou ik op de hoogte gehouden worden van alle marketing activiteiten. (…) Als ik geen inzicht krijg waarvoor het geld van [B] en mij wordt gebruikt, en ik er zelf niets aan over houd, dan is het beter om er mee te stoppen.

2.12.

In een e-mail van 15 januari 2015 heeft [gedaagde] [eiser] onder meer het volgende bericht:
(…) Verder heb ik keer op keer geen uitnodiging gehad om bij een proeverij aanwezig te zijn. Dit was de afspraak die we gemaakt hadden bij [A] . Evenals dat ik op de hoogte werd gehouden van de evaluatie van de proeverijen. Krijg ik nog een overzicht van de resultaten van de proeverijen. (…) Zodra ik geld heb, zal ik het overmaken, maar tot nu toe heb ik geen zin om er nog meer geld bij te leggen. (…)
2.13. [eiser] heeft op 29 augustus 2015 onder meer het volgende aan [gedaagde] gemaild:
Ik wil graag contact omdat het met de panir niet loopt zoals ik in gedachten had, en ook niet zoals we hadden afgesproken tijdens de bijeenkomst bij de Eerste op 7 mei 2014. Wij zijn toen overeengekomen dat jij het samenwerkingscontract zou tekenen en opsturen, of kenbaar maken wat de bezwaren waren. Ook zou jij een maandelijkse panir leveringsoverzicht sturen naar Heilige Koe. Hiervoor zou jou een marketing bijdrage van
€ 0.14 i.p.v. € 0.30 per pakje in rekening gebracht worden.
Deze prijsafspraak zou gelden tot april 2015 en was bedoeld als compensatie voor jou omdat je melk voor de panir moest inkopen. Na deze periode zou je eigen melk hebben en zou de marketing bijdrage weer € 0.30 per pakje bedragen. Behalve leveringsoverzichten voor de periode van mei tot augustus 2014 hebben wij geen overzichten van jou ontvangen. Jij vertelde mij per telefoon in december dat er ongeveer 3500 pakjes per maand geleverd waren. Inmiddels gaat het over de periode september 2014 tot en met juli 2015 en betreft het 38500 pakjes. Hiervoor staat een bedrag van € 5.390.- dat jij schuldig bent aan Heilige Koe. (…) Zo kan het niet langer, er moet snel duidelijkheid komen hoe het verder moet tussen jou en Heilige Koe. (…)

2.14.

Op 16 september 2015 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiser] gemaild:
Keer op keer heb ik aangegeven dat ik een compleet overzicht wil van de gedane prestaties inclusief evaluaties. Ruim 3900 euro, exclusief de bijdrage van heilig schaap is een hoop geld voor marketing, vooral als er geen plan is. Ik heb in het telefoongesprek ook aangegeven dat er geen geld beschikbaar komt. Ik moet veel meer uren besteden aan de panir dan mij is voorgehouden. Voor nu ga ik (tijdelijk) stoppen met de productie van Panir voor Heilige koe.

2.15.

Op 23 september 2015 heeft [eiser] het volgende aan [gedaagde] gemaild.
Zoals eerder gezegd, ik houd je aan wat afgesproken was, een factuur voor de te betalen bijdrage vind je in de bijlage. Ik vind het erg jammer maar Heilige Koe heeft naar aanleiding van dit alles besloten onze informele samenwerking te beëindigen. Vanaf 1 oktober 2015 kan jij de Heilige Koe naam en logo niet meer voeren.
Inmiddels heb ik vernomen dat jij met een eigen merk panir op de markt komt. Mocht dit het geval zijn dan kan je juridische stappen hiertegen van mij verwachten. (….)

2.16.

Op 1 oktober 2015 heeft een afnemer van panir een mail van [gedaagde] aan hem van 16 september 2015 doorgestuurd aan [eiser] , inhoudende het volgende:
Beste afnemer van Panir/Paneer,

Iedere week heb ik Panir geproduceerd onder het logo van Heilige koe, daar is een einde aan gekomen. Vanaf heden hebben we een nieuw logo met nieuwe kleuren. De barcodering blijft hetzelfde, evenals het formaat en de inhoud. In de bijlage de nieuwe versie van de verpakking. Graag zien wij dit aangepast in jullie assortimentslijst. De wekelijkse bestelling hoeft voortaan alleen naar info@ervehetloog.nl. De bestelling hoeft niet meer naar info@panir.nl (…)
Wij hebben ervoor gekozen om de benaming te wijzigen naar Paneer omdat dit over de hele wereld de correcte benaming is. De meeste recepten zijn te vinden via Paneer en minder via Panir.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat,
I veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een marketingbijdrage van € 14.210,-, vermeerderd met rente;

II te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door het benaderen van afnemers van [eiser] en het voortzetten van de Panir productie onder eigen naam;
III veroordeling van [gedaagde] tot een schadevergoeding van € 73.000,-;
IV veroordeling van [gedaagde] tot teruggave van alle gegevensdragers waarop knowhow van de productie van Panir en alle data ten aanzien van het distributienetwerk van [eiser] zijn opgeslagen zonder achterhouding van enig kopie onder last van een dwangsom.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Marketingbijdrage en beëindigen samenwerking

4.1.

[eiser] legt aan zijn vordering onder I ten grondslag dat er tussen partijen een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] een marketingvergoeding aan hem verschuldigd is. [eiser] voert in dat verband het volgende aan. Weliswaar is de schriftelijke samenwerkingsovereenkomst niet ondertekend, maar dat neemt niet weg dat de afspraken tussen partijen duidelijk waren en dat [gedaagde] de eerste maanden na de samenwerking deze afspraken ook heeft uitgevoerd. [gedaagde] heeft maandelijks cijfers overgelegd van de productie en levering van panir en heeft de op grond daarvan door [eiser] in rekening gebrachte marketingbijdrage van aanvankelijk € 0,28 per pakje en vanaf mei 2014 € 0,14 per pakje over de periode februari tot augustus 2014 voldaan. [gedaagde] was volgens [eiser] niet gerechtigd de samenwerkingsovereenkomst eenzijdig en direct te beëindigen. Een opzegtermijn van 6 maanden is in het onderhavige geval als redelijk aan te merken. [eiser] vordert als marketingbijdrage een bedrag van 0,14 cent per pakje over de periode van september 2014 tot april 2015 uitgaande van (een gemiddeld aantal van) 3500 pakjes per maand, te weten 7 maanden x 3500 pakjes x € 0,14 = € 3.430,-. Over de periode van april 2015 tot april 2016 vordert [eiser] een bedrag van 11 maanden x 3500 pakjes x € 0,28 = € 10.780.

4.2.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de samenwerkingsovereenkomst nooit heeft getekend omdat hij zich hieraan niet wilde binden. Tussen partijen is echter niet in geschil dat partijen uitvoering aan een samenwerking hebben gegeven onder meer door het door [gedaagde] vanaf januari 2014 produceren van panir voor het merk/label van [eiser] “De Heilige Koe”. [gedaagde] heeft ter comparitie erkend dat hij de door [eiser] over de periode van februari tot augustus 2014 in rekening gebrachte marketingbijdrage heeft voldaan. [gedaagde] heeft (onder meer in zijn conclusie van antwoord) erkend dat hij een vergoeding van € 0,28 per verkocht pakje panir aan [eiser] zou afdragen. [gedaagde] heeft daarbij weliswaar naar voren gebracht dat het pakje panir voor een te lage prijs in de markt gezet moest worden, maar heeft daaraan geen juridische consequenties verbonden. [gedaagde] heeft voorts ter comparitie erkend dat tijdens de bespreking op 7 mei 2014 is afgesproken dat hij slechts de helft van de overeengekomen marketingvergoeding van € 0,28 zou betalen totdat zijn eigen melkproductie weer op gang zou komen per april 2015. Hoewel [gedaagde] ter comparitie voorts naar voren heeft gebracht dat toen niet is besproken wat er na 1 april 2015 met de marketingbijdrage zou gebeuren, is de rechtbank van oordeel dat partijen, bij gebreke van andere afspraken daaromtrent en gelet op de reden van de verlaging van de marketingbijdrage tot april 2015 (eigen melkproductie per april 2015) en hetgeen [eiser] daaromtrent (onweersproken) in zijn e-mail van 29 augustus 2015 aan [gedaagde] heeft bevestigd, over en weer redelijkerwijs mochten verwachten dat over de periode van na 1 april 2015 de oorspronkelijke marketingbijdrage van € 0,28 per verkocht pakje panir verschuldigd zou zijn.

4.3.

[gedaagde] heeft als verweer naar voren gebracht dat [eiser] de afzet naar Duitsland nooit heeft opgepakt, niet deugdelijk heeft gecommuniceerd met de groothandels omtrent de kortingsactie van € 0,30 per pakje en in strijd met de gemaakte afspraken geen inzicht heeft gegeven in de aard en omvang van de marketingactiviteiten, zodat sprake was van wanprestatie en crediteursverzuim. De rechtbank stelt vast, dat [gedaagde] weliswaar in zijn e-mails [eiser] meerdere malen heeft gevraagd om meer inzicht in de aard en omvang van de marketingactiviteiten te geven, maar dat – zoals [gedaagde] ter comparitie ook heeft erkend – [gedaagde] aan [eiser] geen termijn heeft gesteld om de (gestelde) afspraken (al dan niet alsnog) na te komen, zodat geen sprake was van verzuim aan de zijde van [eiser] . De rechtbank gaat dan ook aan dit verweer voorbij.

4.4.

[gedaagde] heeft niet betwist dat sprake is geweest van een gemiddelde afzet van 3500 pakjes panir per maand, zodat – bij gebreke van een nadere specificatie van de afzet door [gedaagde] – bij de berekening van de verschuldigde marketingbijdrage daarvan kan worden uitgegaan. Vervolgens is de vraag tot wanneer de marketingbijdrage verschuldigd is. Volgens [eiser] is het redelijk om uit te gaan van een opzegtermijn van 6 maanden na de mail van 16 september 2015 waarin [gedaagde] aan [eiser] heeft bericht de productie van panir voor het merk/label “De Heilige Koe” van [eiser] te stoppen. [gedaagde] heeft naar voren gebracht, dat hij de concept- samenwerkingsovereenkomst niet heeft getekend omdat hij zich niet voor langere termijn wilde binden. Volgens [gedaagde] is bovendien geen sprake van een duurovereenkomst en is een opzegging per direct als redelijk aan te merken nu sprake was een korte samenwerking, [eiser] geen investeringen heeft gedaan, [eiser] per direct kon omschakelen naar een andere leverancier, [eiser] zelf zijn afspraken niet nakwam, [eiser] voortijdig is gewaarschuwd en [eiser] zelf op 23 september 2015 evenmin een opzegtermijn van 6 maanden in acht heeft genomen toen hij aan [gedaagde] berichtte dat hij het merk “De Heilige Koe” per 1 oktober 2015 niet meer mocht gebruiken.

4.5.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. De samenwerking van partijen is te kwalificeren als een overeenkomst van opdracht. Artikel 7:408 lid 2 BW bepaalt dat de opdrachtnemer die de overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf de overeenkomst slechts kan opzeggen indien hij voor onbepaalde duur geldt en niet door volbrenging eindigt. [gedaagde] kon de overeenkomst aldus opzeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen. Gezien de omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] een redelijke opzegtermijn in acht moest nemen en niet kon volstaan met een opzegging per direct. Partijen hebben (in ieder geval) sinds mei 2013 met elkaar gesproken over de samenwerking waarbij aanvankelijk als begin- respectievelijk streefdatum 1 oktober 2013 is genoemd. De daadwerkelijke productie door [gedaagde] voor het label/merk “De Heilige Koe” van [eiser] is eerst vanaf januari 2014, aldus meer dan 6 maanden na de eerste gesprekken tussen partijen, daadwerkelijk gestart. Het is gelet daarop niet reëel om ervan uit te gaan, en zulks is ook niet door [gedaagde] onderbouwd, dat [eiser] per direct kon omschakelen naar een andere vergelijkbare leverancier.


Nu in de concept-samenwerkingsovereenkomst is voorzien in een opzeggingsregeling met inachtneming van een opzegtermijn van 6 maanden en door [gedaagde] niet is onderbouwd dat hij juist tegen de lengte van die opzegtermijn bezwaren had, terwijl anderzijds uit zijn mail van 29 mei 2013 aan [eiser] blijkt dat ook hij zekerheid wilde omtrent de samenwerking, acht de rechtbank een opzegtermijn van 6 maanden redelijk. Dat betekent dat de gevorderde marketingbijdrage zoals door [eiser] berekend en onder I is gevorderd zal worden toegewezen.

4.6.

[eiser] heeft daarbij aanspraak gemaakt op betaling van de wettelijke handelsrente over de marketingbijdrage “vanaf het moment van verschuldigdheid hiervan”. Dit deel van de vordering zal als onweersproken worden toegewezen omdat sprake is van een handelsovereenkomst, met dien verstande dat - nu de datum van ontvangst van (maandelijkse) facturen niet vast staat - de wettelijke handelsrente verschuldigd zal zijn vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de (maandelijkse) (marketing)vergoeding verschuldigd is geworden.

Onrechtmatig handelen

4.7.

[eiser] legt aan zijn vorderingen onder II, III en IV ten grondslag dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door het benaderen van afnemers van [eiser] en het voortzetten van de panirproductie onder eigen naam. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] het gehele distributienetwerk en de panir-productie dat door zijn inspanningen tot stand was gekomen van hem afgenomen. Daardoor heeft [gedaagde] hem de mogelijkheid ontnomen om panir te distribueren en profiteert [gedaagde] van de investeringen van [eiser] . [gedaagde] heeft onder valse voorwendselen de afnemers ertoe bewogen panir bij hem af te gaan nemen, aldus [eiser] . Verder voert [eiser] aan dat op het door hem opgebouwde distributienetwerk een intellectueel eigendomsrecht rust, althans dat het distributienetwerk met alle daarbij behorende relevante data aan [eiser] in eigendom toebehoort en dat de door [eiser] opgebouwde knowhow ten aanzien van de productie van panir eigendom is van [eiser] .

4.8.

Volgens [gedaagde] is geen sprake van ontwikkeling door [eiser] van het product panir. Het is een kaasproduct dat al eeuwenlang wordt gemaakt en het staat een ieder vrij panir te produceren. [gedaagde] betwist voorts knowhow van [eiser] te hebben ontvangen. Volgens [gedaagde] heeft hij zijn kennis omtrent het productieproces via internet en van collega-kaasboeren, waaronder De Weerribben, opgedaan. De verkoopkanalen bestonden uit reguliere groothandels die ook door andere (biologische) kaasproducenten worden beleverd en aldus algemeen bekende afzetkanalen zijn. [eiser] heeft het netwerk niet opgebouwd en evenmin onderhouden; alle contacten verliepen via [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat er door zijn handelen voor [eiser] afnemers verloren zijn gegaan en dat [eiser] daardoor schade heeft geleden.

4.9.

Gelet op het verweer van [gedaagde] heeft [eiser] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat sprake is van inbreuk door [gedaagde] op een (intellectueel) (eigendoms)recht van [eiser] met betrekking tot de (wijze van) productie of distributie van panir, danwel dat sprake is geweest van het geheel danwel in belangrijke mate door [eiser] aan [gedaagde] overdragen van noodzakelijke knowhow in dat verband. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat tussen partijen niet in geschil is dat het productieproces van panir reeds eeuwenoud is, dat [eiser] ter comparitie naar voren heeft gebracht dat [gedaagde] het technische aspect met betrekking tot de (grootschalige) productie van panir heeft overgenomen van De Weerrib6ben, dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] (al dan niet voor de lokale markt) panir onder eigen naam mocht produceren, dat partijen geen geheimhouding noch een concurrentiebeding zijn overeengekomen en dat [eiser] onweersproken heeft gelaten dat sprake was van algemeen bekende afzetkanalen voor biologische kaasproducten, terwijl [gedaagde] de contacten daarmee heeft onderhouden. Dat [eiser] inspanningen heeft verricht om panir onder het merk/label “De Heilige Koe” in de Nederlandse markt bekendheid te geven brengt niet zonder meer met zich dat sprake is van (intellectuele) eigendomsrechten ten aanzien van panir of de distributiekanalen ervan.

4.10.

Vooropgesteld wordt aldus dat het door [gedaagde] produceren en distribueren van panir onder een eigen label in beginsel niet als onrechtmatig te gelden heeft. Uitgangspunt is immers de vrijheid van handel en bedrijf. Dit kan onder omstandigheden anders zijn als sprake is van ongeoorloofde concurrentie, voortvloeiende uit specifieke omstandigheden van het geval die maken dat sprake is van onrechtmatig handelen door oneerlijk gedrag danwel door een optelsom van bijkomende omstandigheden die concurrentie onzorgvuldig maakt. Aan [eiser] moet worden toegegeven dat de mail van [gedaagde] van 16 september 2015 aan een afnemer van panir tot onduidelijkheid heeft kunnen leiden omtrent de (voortgang van) productie van panir onder het merk/label “De Heilige Koe”. In zoverre is die mail als onzorgvuldig te beschouwen. Er zijn echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat [gedaagde] afnemers “onder valse voorwendselen” ertoe heeft bewogen panir bij hem af te gaan nemen. Voorts zijn door [eiser] onvoldoende bijkomende omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake was van onzorgvuldige concurrentie als hiervoor bedoeld. Daarbij komt dat het, gelet op de betwisting van [gedaagde] , op de weg van [eiser] had gelegen nader te onderbouwen dat en welke schade hij door het handelen van [gedaagde] heeft geleden. [eiser] heeft in dit verband volstaan met een niet met stukken onderbouwde (globale) berekening van de door hem gedane marketinginvesteringen voor panir onder het label “De Heilige Koe” vanaf 2004 (aldus ook over de periode voorafgaand aan de samenwerking met [gedaagde] ) en heeft geen inzicht gegeven in de door hem ontvangen prestaties over die periode (waaronder de marketingbijdragen van [gedaagde] en De Weerribben). Daarmee heeft [eiser] op dat punt niet aan zijn stelplicht voldaan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen van [gedaagde] . De rechtbank komt tot de slotsom dat de vorderingen onder II, III en IV moeten worden afgewezen.

4.11.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat echter een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 103,17

- griffierecht 885,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.892,17

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.210,00 (veertienduizendtweehonderdtien euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW daarover vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de maandelijkse marketingvergoeding verschuldigd is geworden tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.892,17,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.E.J. Goffin en in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2017.1

1 type: coll: