Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4172

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 1241
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indicatie huishoudelijke ondersteuning in kader Wmo; Indicatie op basis van taken en frequente onvoldoende concreet; geen onderliggende objectieve gegevens; kortingsregeling is geen algemene voorziening; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1241

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. K. Wevers,

en

Het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2016 (verzonden 25 oktober 2016) heeft verweerder de eerder op naam van eiseres genomen indicatie voor huishoudelijke ondersteuning voor zwaar huishoudelijk werk verlengd tot en met 28 februari 2017. Haar is tijdelijk ook een indicatie verleend voor licht huishoudelijk werk.

Bij besluit van 3 maart 2017 (verzonden 14 maart 2017) heeft verweerder meegedeeld dat de huidige indicatie wordt verlengd totdat een nieuw besluit is genomen op basis van het per

1 januari 2018 geldende beleid.

Bij besluit van 4 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 20 oktober 2016, en ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 3 maart 2017.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.G. Aaftink en F.T ten Vregelaar.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken ontleent de rechtbank volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres (geboren [geboortedatum] ) heeft een hartafwijking, artrose, reuma en is links blind en doof. Haar partner heeft een zenuwbeklemming in de rug en hartritmestoornissen.

Eiseres heeft huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ontvangen, tot en met 31 december 2014 op basis van een indicatie voor drie uur per week.

1.2.

Na een herbeoordeling is eiseres bij besluit van 5 maart 2015 over de periode 1 maart 2015 tot en met 28 februari 2017 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden, bestaande uit het één keer per week schoonmaken van de dagelijks in gebruik zijnde ruimten. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 8 juni 2016 heeft eiseres een verzoek om herziening gedaan, in die zin dat ze weer in aanmerking wil worden gebracht voor haar oude aanspraak van drie uur huishoudelijke hulp per week in plaats van de 1,75 uur die ze nu ontvangt. Op 26 juli 2016 heeft de gemachtigde van eiseres in een aanvullende melding gesteld dat eiseres momenteel te weinig hulp ontvangt.

1.4.

Bij besluit van 4 augustus 2016 heeft verweerder het herzieningsverzoek van 8 juni 2016 afgewezen met een beroep op artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5.

Naar aanleiding van de melding van 26 juli 2016 heeft een keukentafelgesprek plaatsgevonden op 1 september 2016.

1.6.

Bij primair besluit van 20 oktober 2016 heeft verweerder de per 1 maart 2015 toegekende maatwerkvoorziening voor één maal per week huishoudelijke ondersteuning voor zwaar huishoudelijk werk (geldig tot en met 28 februari 2017) gehandhaafd. In het besluit wordt verwezen naar het bijgevoegde zorgplan. In verband met een tijdelijke toename van beperkingen is over de periode 17 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 een indicatie voor licht huishoudelijk werk toegekend. Voor de wasverzorging maakt eiseres gebruik van de Huishoudelijke Hulp Toelage (HHT); een algemene voorziening. Eiseres wordt om die reden niet in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening voor de was.

1.7.

Op 5 december 2016 heeft eiseres bezwaar aangetekend. Zij heeft -samengevat- aangevoerd dat zij niet weet wat het besluit om haar ook voor het lichte werk ondersteuning te bieden in de praktijk betekent, omdat de zorgverlener de omvang van de ondersteuning bepaalt. Volgens eiseres dient aansluiting gezocht te worden bij de CIZ-normtijden waaruit blijkt dat zij op in totaal 4,5 uur hulp aanspraak zou kunnen maken (180 minuten voor het zware werk, 30 minuten voor lichte taken en 60 minuten voor de wasverzorging). Volgens eiseres heeft verweerder niet goed onderzocht of voor de wasvoorziening daadwerkelijk een algemene voorziening bestaat.

1.8.

Verweerder heeft bij primair besluit van 3 maart 2017 de indicatie verlengd totdat er op basis van nieuw beleid een besluit zal worden genomen.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij geen procesbelang meer heeft nu de looptijd van de indicatie is verlopen. Verweerder heeft het bezwaar mede gericht geacht tegen het besluit van 3 maart 2017 en geconcludeerd dat met dit besluit terecht een indicatie is gegeven voor zwaar huishoudelijk werk in de vorm van zorg in natura. Voor de wasverzorging is een algemene voorziening beschikbaar.

2.2.

Namens eiseres is -kort weergegeven- aangevoerd dat het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2016 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts berust de indicatie in resultaten niet op objectieve criteria. Als aansluiting gezocht zou worden bij een protocol, zoals het MO-protocol of het CIZ-protocol, zou de indicatie uitkomen op 4,5 uur hulp per week. Gemachtigde heeft voorts betoogd dat de wasverzorging in de maatwerkvoorziening had moeten worden opgenomen, omdat niet duidelijk is of daadwerkelijk sprake is van een algemene voorziening voor de was.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

Ontvankelijkheid bezwaar

3.1.

Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2016 niet-ontvankelijk verklaard, onder de overweging dat de indicatie inmiddels is verlopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet juist. In vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874 en de uitspraak van 12 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1471) is weliswaar neergelegd dat in beginsel geen procesbelang kan zijn gelegen in de beoordeling van een reeds verstreken indicatie, maar ook is geoordeeld dat dit anders is als aannemelijk is dat een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige indicatie. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Verweerder heeft immers de verstreken indicatie bij besluit van 3 maart 2017 ongewijzigd voortgezet. Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 oktober 2016 is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De maatwerkvoorziening

3.2.

Blijkens de uitspraak van de CRvB van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1402) moet inzicht bestaan in de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden verantwoord is, welke concrete activiteiten daarvoor verricht moeten worden, hoeveel tijd daarvoor nodig is en met welke frequentie deze activiteiten verricht moeten worden om te kunnen spreken van een schone en leefbare woning. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1491) over het indiceren in aandachtsgebieden geoordeeld dat dit geen inzicht verschaft in de vraag op welke concrete wijze invulling wordt gegeven aan het bereiken van het resultaat een schoon en leefbaar huis. Indiceren in resultaat is mogelijk, als de norm waarop het resultaat is gebaseerd onafhankelijk en objectief tot stand is gekomen.

3.3.

Uit de stukken blijkt, dat het college kennis heeft genomen van de uitspraken van de CRvB van 18 mei 2016 en in verband daarmee nieuw beleid heeft ontwikkeld, dat naar verwachting per 1 januari 2018 in werking treedt. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld, dat ook het oude beleid al in overeenstemming was met de voorwaarden die door de CRvB zijn gesteld. Naar de rechtbank begrijpt acht verweerder in dit kader van belang dat in artikel 6 van de ten tijde in geding geldende Beleidsregels is opgenomen dat in het zorgplan de frequentie van de te verrichten zware, respectievelijk lichte werkzaamheden wordt vermeld, en dat van de in deze Beleidsregels voorgestelde frequentie kan worden afgeweken indien de beperkingen daartoe aanleiding geven.

Ten aanzien van eiseres is op 11 oktober 2016 een lijst opgesteld, waarin de te verrichten taken en de frequentie hiervan zijn genoteerd. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen, dat eiseres dit document heeft getekend. In het primaire besluit van 25 oktober 2016 is ook verwezen naar dit zorgplan. De rechtbank neemt daarom aan dat het zorgplan onderdeel uitmaakt van het primaire besluit.

3.4.

Hoewel in het zorgplan de te verrichten taken zijn vermeld en ook de frequentie is opgenomen waarin deze taken moeten worden verricht, is de inhoud van de toegekende indicatie naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onvoldoende concreet. Het zorgplan bevat immers geen verdere aanwijzingen voor de omvang in tijd of de kwaliteit van de te leveren huishoudelijke hulp. Ook ontbreken onderliggende objectieve normen of richtlijnen over de vraag welk niveau van schoon voor een huishouden voldoende is en hoe dit bereikt kan worden. De indicatie is daarmee niet in overeenstemming met de voorwaarden die door de CRvB in de genoemde uitspraken zijn gesteld. In het verweerschrift van 29 juni 2017 heeft verweerder zelf overigens ook beschreven, dat in een situatie dat eiseres contact opnam met verweerder omdat er niet voldoende tijd was om al het werk te doen (de vloer werd niet goed gepoetst), zij door verweerder verwezen werd naar de zorgaanbieder. De rechtbank concludeert hieruit dat de definitieve feitelijke invulling van de huishoudelijke hulp in de praktijk bij de zorgaanbieder is neergelegd, terwijl de wettelijke compensatieplicht bij het college ligt en het aan verweerder is de aanspraken voldoende te concretiseren. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

De wasverzorging

3.5.

Tussen partijen is niet in geschil, dat eiseres beperkt is in het (volledig) doen van de was. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, dat eiseres gebruik kan maken van een algemene voorziening voor de wasverzorging en zij dit ook doet. Verweerder doelt daarmee op het feit dat eiseres via de regeling HHT extra uren huishoudelijke zorg in natura inkoopt, en korting krijgt op het uurtarief.

3.6.

Artikel 1.1.1 lid 1 van de WMO 2015 definieert onder meer de volgende begrippen:

algemene voorziening: het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt.

aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren.

Uit tekst en toelichting van artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 volgt dat een aanbieder zich jegens het college verbindt om een algemene voorziening (of een maatwerkvoorziening) te leveren. Volgens de toelichting impliceert de formulering dat een derde die zich jegens de cliënt verbindt tot het leveren van bepaalde activiteiten, diensten of zaken, in dat verband geen aanbieder in de zin van de wet is (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 110). Reeds hierom is in de situatie van eiseres geen sprake van een algemene voorziening. Eiseres contracteert immers zelf met de zorgaanbieder over het verrichten van diensten. De zorgaanbieder is om die reden in zoverre geen aanbieder in de zin van de Wmo 2015 en de HHT-regeling daarmee geen algemene voorziening in de zin van artikel

1.1.1

van de Wmo. Hieruit volgt dat verweerder eiseres ten onrechte een maatwerkvoorziening voor de wasverzorging heeft onthouden. Daarmee staat ook vast dat eiseres ten onrechte gehouden is geweest ten behoeve van de was zelf extra uren in te kopen. Bij het nieuw te nemen besluit is het aan verweerder om dit te corrigeren.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet aanleiding om in de tussentijd een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres wordt met onmiddellijke ingang in aanmerking gebracht voor een tijdelijke maatwerkvoorziening inclusief wasverzorging, bestaande uit drie en een half uur huishoudelijke hulp in natura per week (drie uur hulp zoals eiseres ook in het verleden heeft ontvangen, vermeerderd met een half uur voor lichte werkzaamheden).

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep ten bedrage van € 990,- (2 punten x € 495,- per punt) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verweerder dient zich in het nieuw te nemen besluit op bezwaar een oordeel te vormen over de gevraagde vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

6. Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder eiseres met ingang van de dag na verzending van deze uitspraak huishoudelijke ondersteuning voor drie en een half uur per week toekent in de vorm van zorg in natura;

-bepaalt dat deze getroffen voorlopige voorziening vervalt zes weken na de dag waarop het nieuw te nemen besluit op bezwaar aan eiseres wordt bekendgemaakt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.