Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4157

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
Awb 17/133
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom strijdige bewoning van pand in Vriezenveen door acht arbeidsmigranten te staken en gestaakt te houden; geen concreet zicht op legalisatie; beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/133

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

[naam BV] , te Vriezenveen, eiseres,

gemachtigde: [naam]

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2016 (verzonden op 21 juli 2016) (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat zij zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 1 augustus 2016 de strijdige bewoning van het pand [adres] te Vriezenveen door acht arbeidsmigranten dient te staken en gestaakt te houden. Bij besluit van 27 juli 2016 is de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 23 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder, met overname van het door de commissie bezwaarschriften gegeven advies, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2017.

Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden H.J.E. Freriksen en L. van der Tol.

Overwegingen

1. Op 22 december 2015 hebben medewerkers van het team handhaving van de gemeente Twenterand een controle uitgevoerd op het perceel [adres] in Vriezenveen (verder: het pand) in verband met een klacht over het verblijf van arbeidsmigranten. Zij vernamen ter plaatse van een bewoner dat er acht personen in het pand verblijven.

Op 23 december 2015 heeft verweerder een vooraanschrijving aan eiseres verzonden met als lastgeving dat het gebruik van het pand ten behoeve van kamerverhuur vóór 4 februari 2016 diende te worden beëindigd en beëindigd diende te blijven.

Bij brief van 4 januari 2016 heeft de gemachtigde van eiseres hierop zijn zienswijze gegeven.

Bij besluit van 3 maart 2016 heeft verweerder een door eiseres ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning te verlenen voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het pand namelijk voor de huisvesting van gezinnen en woongroepen, buiten behandeling gesteld, omdat niet alle gevraagde gegevens tijdig waren verstrekt. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Op 9 juni 2016 hebben medewerkers van het team handhaving geconstateerd dat niet aande vooraanschrijving was voldaan, aangezien het pand door acht arbeidsmigranten wordt bewoond.

Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals beschreven in de vorige rubriek. De rechtbank voegt hieraan toe dat verweerder bij besluit van 28 juli 2016 de bezwaren van eiseres gericht tegen het besluit van 3 maart 2016 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

2. De gemachtigde van eiseres heeft – samengevat – aangevoerd dat verweerder te kort is geschoten in het aanwenden van het beginsel van een goed en zorgvuldig gemeentebestuur. De gemachtigde van eiseres acht de gemeentelijke handhavingsactie disproportioneel.

3. Ingevolge artikel 8.1 onder e van het bestemmingsplan “Vriezenveen Lintbebouwing en Centrumgebied” (hierna: het bestemmingsplan) zijn, voor zover hier van belang, de voor “gemengd” (GD) aangewezen gronden bestemd voor woningen en is het aantal toegestane appartementen, zo blijkt uit artikel 8.2. sub b, onder 3 van de planregels, maximaal 14. Het bestemmingsplan verstaat onder “woning” (artikel 1 iii): “een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor het niet recreatief huisvesten van één afzonderlijk huishouden”.

Ingevolge artikel 25 van de bestemmingsplanregels – voor zover thans relevant – wordt onder strijdig gebruik begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet bestreden is dat het in geding zijnde pand is aan te merken als een woning in de zin van de bepalingen van het bestemmingsplan en voorts dat niet bestreden is dat deze woning door eiseres in gebruik is gegeven aan meerdere afzonderlijke arbeidsmigranten. De rechtbank stelt voorts vast dat niet is bestreden dat deze gebruikers geen afzonderlijk huishouden vormden. Naar het oordeel van de rechtbank wijkt het gebruik van het pand ten behoeve van de huisvesting van acht arbeidsmigranten dan ook af van de bestemmingsomschrijving “gemengd”. In het geval van bewoning door acht afzonderlijke huurders is er gelet op omvang en samenstelling van de gebruikersgroep immers geen sprake van het huisvesten van één afzonderlijk huishouden noch is gesteld of gebleken dat die bewoning daarmee op één lijn is te stellen.

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet is verweerder bevoegd om handhavend op te treden tegen deze overtreding.

5.2.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.3.

Uit de gedingstukken en ook de verklaring van verweerder ter zitting blijkt dat verweerder niet bereid is aan legalisatie mee te werken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook geen concreet zicht op legalisatie. De rechtbank verwijst naar de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2466, waaruit volgt dat het enkele feit dat een college niet bereid is planologische medewerking te verlenen, voldoende is voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

Beoordeling van de vraag of verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen weigeren mee te werken aan legalisering, hoort niet in de onderhavige procedure thuis maar in een procedure gericht tegen een weigering een omgevingsvergunning te verlenen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

In dit verband wijst de rechtbank er nogmaals op dat inmiddels vast staat dat, zoals overwogen in rechtsoverweging 1 van deze uitspraak, eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 28 juli 2016.

5.4.

In het beroepschrift is namens eiseres aangevoerd dat verweerder wel bewoning toelaat in andere situaties waarbij ook sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan. De rechtbank is van oordeel dat dit door eiseres eerst in onderhavige procedure gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Verweerder heeft in het verweerschrift van 8 februari 2017 uitgebreid toegelicht dat van vergelijkbare situaties geen sprake is. De rechtbank kan zich met deze door verweerder gegeven toelichting verenigen.

5.5.

Hetgeen overigens namens eiseres is aangevoerd kan evenmin leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de rechterlijke toets doorstaat.

6. Het beroep is daarom ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. R.J. van Lochem en

mr. J.W.M. Bunt, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.