Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4151

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
08/249830-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 57-jarige man uit Almelo tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 120 uren voor het houden van een hennepkwekerij in een schuur in Ambt Delden.

Ook moet de man een bedrag van ruim 9.000 euro aan de Staat betalen. Dit bedrag heeft hij met de hennepkwekerij verdiend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/249830-16 (P)

Datum vonnis: 6 november 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van maart 2017 en – na verwijzing door de politierechter – het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 november 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. G.R.G. Nijpels en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. J. Ruarus, advocaat te Delden, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

primair, al dan niet samen met een ander, opzettelijk hennep heeft geteeld, althans, subsidiair, dat hij medeplichtig is geweest aan het telen van hennep.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 februari 2016 tot en met 15 februari 2016, te

Ambt Delden, in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of

bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een

pand/schuur aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 329,

althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van

10 februari 2016 tot en met 15 februari 2016 te Ambt Delden, in de gemeente

Hof van Twente, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld

en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft

gehad in een pand/schuur aan [adres] een hoeveelheid van (in totaal)

ongeveer 329, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval

(telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of

bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode

van 10 februari 2016 tot en met 15 februari 2016, te Ambt Delden, in de gemeente

Hof van Twente, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen

voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit, in de medeplegenvariant, bewezen kan worden verklaard.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank komt op grond van na te noemen bewijsmiddelen tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Nu de verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank daarbij conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

1. het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 20 december 2016, met bijlagen, voor zover betreffende de redengevende feiten en omstandigheden, inhoudende het relaas van de verbalisanten [verbalisant] , [verbalisant] en [verbalisant] (pagina’s 42 tot en met 47);

2) het proces-verbaal van de terechtzitting van 23 oktober 2017, voor zover betreffende de redengevende feiten en omstandigheden, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

in de periode van 10 februari 2016 tot en met 15 februari 2016 te Ambt Delden,

in de gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk heeft geteeld en, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een

schuur aan [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) 329 hennepplanten,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

primair

het misdrijf: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte voor het primaire feit te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft in zijn eis rekening gehouden met de justitiële documentatie van de verdachte, het tijdsverloop van de strafzaak en de geringe overschrijding van de redelijke termijn.

De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd dat de inbeslaggenomen auto verbeurdverklaard moet worden en gesteld dat de rechtbank over het inbeslaggenomen geldbedrag van € 437,15 geen beslissing hoeft te nemen omdat door de door de politie toegepaste verrekening met een nog openstaande geldboete het beslag is komen te vervallen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de verdachte te veroordelen tot een deels voorwaardelijke taakstraf en teruggave aan verdachte van de auto en het geld.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het kweken van hennep. Dit is een strafbaar feit en de verdachte was zich hiervan – naar eigen zeggen – bewust. Van hennep is algemeen bekend dat het de gezondheid van de gebruikers kan schaden en dat het verslavend kan werken. Door zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het criminele circuit waarin deze softdrug in illegale kwekerijen wordt geproduceerd en waarin buiten de reguliere en legale economie om, winst wordt gemaakt met de handel en export. Daarbij komt dat de teelt van hennep en de handel in hennep vaak gepaard gaat met andere vormen van georganiseerde en zwaardere criminaliteit. Dat brengt allerlei veiligheidsrisico’s voor de samenleving met zich mee. Verdachte heeft zich daar geen rekenschap van gegeven. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij door middel van het kweken van hennep zijn schulden wilde afbetalen. De verdachte heeft daarmee de gevolgen van zijn handelen kennelijk voor lief genomen en daarbij zijn eigen geldelijke gewin vooropgesteld. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

De rechtbank heeft in haar overweging ten aanzien van de strafmodaliteit en –maat de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), en de opgelegde straffen in soortgelijke zaken betrokken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige zaak geen sprake is van een (al dan niet geringe) overschrijding van de redelijke termijn. Als uitgangspunt heeft immers te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen. Gelet op dit uitgangspunt en de ten laste gelegde en bewezenverklaarde periode waarin het feit is gepleegd, komt de rechtbank tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van

12 juni 2017 is hij niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking geweest.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren passend is. Indien de verdachte deze straf niet of niet volledig verricht, zal vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen worden toegepast. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren, passend is. De rechtbank beoogt met de oplegging van deze voorwaardelijke vrijheidsstraf te voorkomen dat de verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen. Indien de verdachte zich niet houdt aan de aan deze voorwaardelijke straf gekoppelde voorwaarde, kan de rechter de tenuitvoerlegging van deze straf gelasten.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen auto (Ford Transit, gekentekend [kenteken] ) moet worden verbeurdverklaard, omdat het een voorwerp betreft met behulp van welke het strafbare feit is begaan of voorbereid.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van het onder hem in beslag genomen geldbedrag van € 437,15, aangezien niet voldaan is aan (een van) de voorwaarden voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a en 91 Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid van het feit

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair het misdrijf: het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid van de verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand;

  • -

    bepaalt dat deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 (honderd) uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

  • -

    beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste 60 in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;

de inbeslaggenomen voorwerpen

  • -

    verklaart verbeurd het in beslag genomen voorwerp, te weten een auto (Ford Transit, gekentekend [kenteken] );

  • -

    gelast de teruggave van een geldbedrag van € 437,15 aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Skerka, voorzitter, mr. H. Stam en mr. A.M.G. Ellenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van J.J.J. Bernsen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie-eenheid Oost-Nederland met nummer 2015639691 van 15 december 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.