Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4055

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
08/770226-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 24-jarige man uit Deventer tot een gevangenisstraf van 30 dagen , waarvan 27 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar voor het medeplegen van mishandeling en openlijke geweldpleging in vereniging. Daarnaast legt de rechtbank de man een taakstraf op van 140 uur en moet hij een bedrag van 750 euro aan schadevergoeding betalen aan zijn slachtoffer.

Zie ook: ECLI:NL:RBOVE:2017:4045

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/770226-16

Datum vonnis: 31 oktober 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 februari 2017 en 17 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Hoekstra en van hetgeen door verdachte en de raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: al dan niet samen met een of meer anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel dat hij die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel heeft geprobeerd die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel die [slachtoffer] heeft mishandeld;

feit 2: openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen die [slachtoffer] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met kracht in de richting van het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waarbij/waardoor het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] werd geraakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, althans elders in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met kracht in de richting van het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waarbij/waardoor het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] werd geraakt met zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een fractuur in het jukbeen, tot gevolg;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, althans elders in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht in de richting van het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waarbij/waardoor het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] werd geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht tegen het bovenlichaam en/of de maagstreek en/of de onderrug en/of het hoofd en/of het gezicht van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2016 te Hengelo, althans elders in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, kruispunt [straat] , [straat] en [straat] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit een worsteling en/of slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen, waarbij verdachte

meermalen, althans eenmaal, met kracht in de richting van de onderrug en/of het bovenlichaam ter hoogte van de borst en/of het bovenlichaam ter hoogte van de maag van die [slachtoffer] heeft geschopt, waarbij/waardoor de onderrug en/of het bovenlichaam ter hoogte van de borst en/of het bovenlichaam ter hoogte van de maag van die [slachtoffer] werd geraakt, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, conform het overgelegde op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich samen met een ander heeft schuldig gemaakt aan de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en aan openlijke geweldpleging. Verdachtes aandeel bestaat, aldus de officier van justitie, uit het vier keer trappen tegen het lichaam van [slachtoffer] .

Voor het strafverzwarend onderdeel in het onder 2 tenlastegelegde feit, te weten het toebrengen van enig lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dient, aldus de officier van justitie, vrijspraak te volgen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, conform de ter terechtzitting overgelegde pleitnota, ten aanzien van feit 1 op het primaire standpunt gesteld dat verdachte handelde uit noodweer, aangezien verdachte zijn vriend [naam] wilde bevrijden uit de worsteling met aangever [slachtoffer] . Vervolgens heeft de verdediging zich - kort weergegeven - op de volgende standpunten gesteld:

- er is sprake van noodweerexces, aangezien verdachte handelde in een hevige gemoedstoestand, nu zijn broer een jaar geleden door geweld om het leven is gekomen en verdachte nu vreesde dat zijn vriend hetzelfde zou overkomen;

- er is geen sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] , zodat hij dient te worden vrijgesproken;

- niet bewezen is dat verdachte opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, op de dood van aangever;

- niet staat vast dat aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, zodat daarvoor vrijspraak dient te volgen;

- er dient vrijspraak te volgen voor de poging om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, aangezien het enkele slaan en schoppen tegen het lichaam en hoofd zonder bijzondere omstandigheden geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging vrijspraak bepleit, omdat niet bewezen is dat het letsel van aangever is veroorzaakt door verdachte en verdachte uitsluitend handelde met de bedoeling om de vechtenden te scheiden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat er in de nacht van 16 oktober 2016 in de binnenstad van Hengelo (O) een worsteling heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] (hierna te noemen: aangever) en [naam] . Diverse personen, waaronder verdachte, hebben zich met die worsteling bemoeid en geweld tegen aangever gebruikt, in het bijzonder door meerdere keren met kracht en met geschoeide voet tegen het lichaam van aangever te schoppen, terwijl deze op de grond lag.

Uit de ter terechtzitting getoonde camerabeelden blijkt dat verdachte tijdens de worsteling tussen de op de grond liggende aangever en [naam] , twee keer met kracht op aangever heeft ingetrapt, zich vervolgens kort van de worsteling heeft afgewend en daarna nogmaals twee keer wederom met kracht tegen het lichaam van aangever heeft getrapt.

Uit de ter terechtzitting getoonde camerabeelden blijkt verder dat medeverdachte [medeverdachte] eenmaal heeft ingetrapt op aangever, dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] nagenoeg gelijktijdig intrappen op aangever en dat, op het moment dat aangever niet meer op de grond ligt maar rechtop zit, [medeverdachte] met veel kracht en met geschoeide voet tegen het gezicht van aangever trapt.

Op grond van deze beelden stelt de rechtbank vast dat verdachte en zijn mededaders met kracht hebben uitgehaald en aangever tegen diens lichaam hebben getrapt. De rechtbank stelt ook vast dat met name de laatste, door [medeverdachte] gegeven trap in het gezicht van aangever zeer hard is geweest.

Deze constateringen worden ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot deze beelden, zoals dat is opgemaakt door verbalisant [verbalisant] .

Aangever heeft door het voorval een gebroken neus, een afgebroken tand, gescheurd mondslijmvlies, bloeduitstortingen, ontvellingen in het gezicht en een hersenschudding opgelopen.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe de door verdachte verrichte geweldshandelingen (het vier keer schoppen tegen het lichaam van aangever) moeten worden gekwalificeerd. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het (hoofd)letsel bij aangever door de laatst gegeven trap van [medeverdachte] moet zijn ontstaan, nu uit de beelden blijkt dat geen van de andere betrokkenen aangever tegen het hoofd heeft geslagen of geschopt. Voorts is van ander lichamelijk letsel niet gebleken, enkel van pijn. Uit het dossier volgt niet dat het door verdachte gepleegde geweld de aanmerkelijke kans op de dood van aangever met zich bracht, temeer nu daaruit niet blijkt dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geslagen of geschopt. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Nu het door aangever opgelopen letsel niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), kan evenmin tot een bewezenverklaring van zware mishandeling worden geconcludeerd. Voorts oordeelt de rechtbank, alles afwegend, dat het niet aannemelijk is dat, door het schoppen van de verdachten tegen het lichaam van aangever, de aanmerkelijke kans bestond dat deze zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Wel acht de rechtbank bewezen dat het uitgeoefende geweld het misdrijf van medeplegen van mishandeling oplevert. Daarbij overweegt de rechtbank dat aangever heeft gesteld dat hij pijn aan zijn rug heeft gekregen, alsmede dat het een feit van algemene bekendheid is dat het trappen tegen het lichaam op een wijze zoals in deze zaak is vastgesteld, bij het slachtoffer pijn oplevert.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachtes handelen moet worden aangemerkt als openlijke geweldpleging. Van openlijke geweldpleging is sprake wanneer het geweld in vereniging wordt gepleegd en voor derden zichtbaar is of had kunnen zijn, waardoor de openbare orde wordt verstoord. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met een of meer anderen en daaraan een “significante of wezenlijke bijdrage” levert. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van het geweld. Hij heeft daarentegen, nadat en terwijl anderen reeds geweld uitoefenden tegen aangever, aangever ook zelf met kracht meerdere keren een schop gegeven en daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Zodoende acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat de trappen die verdachte heeft gegeven tot lichamelijk letsel bij aangever hebben geleid, zodat verdachte van deze strafverzwarende omstandigheid zal worden vrijgesproken.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 nog meer subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 16 oktober 2016 te Hengelo, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermalen met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen;

2.

hij op 16 oktober 2016 te Hengelo, met anderen, op de openbare weg, kruispunt [straat] , [straat] en [straat] , openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , welk geweld bestond uit een worsteling en schoppen, waarbij het lichaam van die [slachtoffer] meermalen werd geraakt.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 nog meer subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces, aangezien verdachte zijn vriend [naam] wilde bevrijden uit de worsteling met aangever en verdachte bovendien verkeerde in een hevige gemoedstoestand, nu hij vreesde voor het leven van zijn vriend.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen beroep op noodweer toekomt, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever en [naam] op elkaar afrenden én niet voldaan is aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er was sprake van een getalsmatig overwicht en het was mogelijk om aangever bij [naam] weg te trekken, zodat schoppen geen passende actie was. Nu geen sprake is van een noodweersituatie kan ook geen sprake zijn van noodweerexces.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het gevoerde noodweerverweer het volgende. Een beroep op noodweer kan slechts slagen indien het begane feit geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank stelt in dit verband vast dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en de camerabeelden niet exact is vast te stellen hoe de worsteling tussen betrokkenen is begonnen en wie daarvan de aanstichter(s) is/zijn geweest. Zo er in dit geval al sprake zou zijn geweest van een noodweersituatie, waarin een “bevrijdingsactie” met gebruikmaking van geweld geboden was, dienen de gepleegde handelingen te worden getoetst aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Er dient evenwicht te bestaan in de verhouding tussen het gekozen verdedigingsmiddel en het aangerande rechtsbelang en de verdediging dient gepast te zijn: niet riskanter dan strikt genomen vereist.

De rechtbank is van oordeel dat, zeker ook gelet op het getalsmatige overwicht dat de verdachte en zijn mededaders hadden op de aangever, volstaan had kunnen en moeten worden met handelingen gericht op het wegtrekken van aangever bij [naam] , hetgeen ook mogelijk is gebleken. Het tegen aangever uitgeoefende geweld, in vereniging gepleegd en zoals dat hierboven is vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank door zijn aard en de kracht waarmee het is toegepast, in strijd met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit en derhalve niet aan te merken als een noodzakelijke verdedigingshandeling. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer.

Nu verdediging niet noodzakelijk was, aangezien er zinvolle alternatieven bestonden waarvan het gebruik redelijkerwijs van verdachte kon worden gevergd, kan ook geen sprake zijn van noodweerexces.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 55, 300 en 141 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 nog meer subsidiair en feit 2 de eendaadse samenloop van de misdrijven:

medeplegen van mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, en met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden dienen daarbij te worden opgelegd een meldplicht bij de reclassering en een verplichting tot het volgen van een cognitieve vaardigheidstraining (COVA) indien en voor zolang als de reclassering dit nuttig of noodzakelijk acht.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in geval van een veroordeling aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf moet worden opgelegd, eventueel met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest. Volgens de verdediging moet in het kader van de straftoemeting rekening worden gehouden met het eigen aandeel dat aangever in het gebeuren heeft gehad.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich, met zijn beide mededaders, schuldig gemaakt aan een ernstige mishandeling en aan openlijke geweldpleging. Het slachtoffer heeft een groot aantal schoppen gekregen, waarvan er vier door verdachte zijn uitgedeeld. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging bestaat, bijgedragen aan geweld tegen het slachtoffer.

Uit de slachtofferverklaring van aangever blijkt dat het op 16 oktober 2016 op hem toegepaste geweld grote impact op hem heeft (gehad). De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank echter ook rekening met het gegeven dat het door aangever opgelopen letsel niet is veroorzaakt door het handelen van verdachte.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin staat dat bij openlijk geweld zonder lichamelijk letsel (in casu feit 2) een taakstraf van 150 uren past.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij, zo blijkt uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder ter zake openlijke geweldspleging is veroordeeld.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de inhoud van het rapport dat op 2 november 2016 door de reclasseringswerker A.M.F. Smellink is uitgebracht en het op 12 juni 2017 door de reclasseringswerker M. Korkers opgemaakte ‘voortgangsverslag toezicht’. Uit het voortgangsverslag toezicht blijkt dat verdachte inmiddels een cognitieve vaardigheidstraining (COVA-training) heeft gevolgd en dat de reclassering meent dat een reclasseringstoezicht inmiddels geen toegevoegde waarde meer heeft.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 140 uren passend, te vervangen door 70 dagen hechtenis bij niet of niet naar behoren verrichten. Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en geboden, en wel een gevangenisstraf van 30 dagen waarvan 27 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Gelet op het reclasseringsadvies van 12 juni 2017 zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan deze voorwaardelijke straf verbinden.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 2.234,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    T-shirt € 19,95

  • -

    schoenen € 94,95

  • -

    jas € 119,96

  • -

    immateriële schade van € 2.000,00.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij in zijn gehele vordering

niet-ontvankelijk te verklaren, omdat tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging geconcludeerd moet worden. Subsidiair heeft de verdediging de hoogte van alle genoemde schadeposten betwist. Zij meent dat hooguit voor de immateriële schade een bedrag zou kunnen worden toegewezen van maximaal € 350,00. Zij heeft daarbij mede rekening gehouden met het eigen aandeel van de benadeelde partij.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels toewijsbaar. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

Gelet op de aard en de ernst van de gevolgen voor de aangever, de omstandigheden rondom het gepleegde feit en rekening houdend met de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegewezen, acht de rechtbank het redelijk en billijk om ter zake immateriële schade een bedrag van € 750,00 aan schadevergoeding toe te wijzen. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen voor een bedrag van in totaal € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft het T-shirt, de jas, de schoenen en een gedeelte van de gestelde immateriële schade ten bedrage van € 1.250,00 zijn door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd, terwijl de omvang ervan door of namens verdachte gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten in zijn vordering

niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de bewezenverklaarde feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d en 27 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 nog meer subsidiair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 nog meer subsidiair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 nog meer subsidiair en feit 2 de eendaadse samenloop van de misdrijven:

medeplegen van mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 nog meer subsidiair en onder 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) dagen;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van zevenentwintig (27) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie (3) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van honderdveertig (140) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , van een bedrag van € 750,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 15 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

  • -

    bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden in zoverre komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 1.484,86

niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.F. Schreurs, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. A.A. Smit, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de avond van 15 op 16 oktober 2016 ben ik met onder andere [medeverdachte] en de broers [medeverdachte] en [naam] uit geweest. Ook de vrouw van [medeverdachte] en enkele van haar vriendinnen waren meegegaan. Wij zijn naar discotheek [horecagelegenheid] in Hengelo (O) gegaan. In [horecagelegenheid] kregen wij trammelant met een ons onbekend persoon. Toen wij naar onze auto liepen om naar huis te gaan kwam die onbekende persoon, waarvan ik nu weet dat hij [slachtoffer] heet, op ons toe rennen en kwam hij in gevecht met [naam] . Ik heb [slachtoffer] vier keer met mijn geschoeide voet tegen diens lichaam geschopt. Ook [medeverdachte] en [medeverdachte] hebben hem geschopt. Ik heb ter zitting de camerabeelden gezien. Het ziet er heftig uit. Ik ben degene met de grijze trui.

Het bescheid, te weten het door [slachtoffer] op 12 januari 2017 - als bijlage bij de civiele vordering - ingediende schade onderbouwingsformulier, waarop aangever onder meer bij de rubriek “immateriële schade” heeft aangegeven: pijn aan rug.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland, district Twente met nummer [dossiernummer] , welk geheel is doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 295. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Het proces-verbaal van bevindingen (blz. 41-42) van 16 oktober 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant] :

Op 16 oktober 2016, was ik verbalisant [verbalisant] belast met een horecasurveillance voor de binnenstad van Hengelo. Op voorgenoemde datum, omstreeks 5:30 uur stond ik samen met collega [verbalisant] ter hoogte van [horecagelegenheid] aan de [straat] te Hengelo.

Ik keek in de richting van het stadhuis aan het Burgemeester Jansenplein en ik hoorde geschreeuw vanuit die richting komen. Ik zag dat er aan het einde van de [straat] een opstootje gaande was met meerdere personen. Ik zag dat er een groepje van ongeveer vier personen met elkaar aan het vechten was. Toen ik verbalisant samen met mijn collega ter hoogte van [horecagelegenheid] aan de [straat] was, zag ik dat een jongen met een opvallende witte trui de jongen die op de grond lag begon te trappen met zijn rechter been.

Ik zag dat de jongen op de grond ook nog door een andere jongen werd geschopt.

Het proces-verbaal van bevindingen (blz. 47-48) van 18 oktober 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Op 17 oktober 2016 heb ik, [verbalisant] , de aangeleverde beelden omtrent de poging doodslag onderzocht. De camera is geplaatst op de kruising [straat] , [straat] en de [straat] in Hengelo. De camera is in eerste instantie gericht op de [straat] .

Om 05.31.45 uur draait de camera vanaf de [straat] naar de [straat] . De vechtpartij is op dat moment al bezig.

Tijd 05.31.45 uur.

Vanaf dit moment is de camera gericht op de vechtpartij die gaande is. De vechtpartij

vindt plaats aan het einde van de [straat] . Op camerabeelden is te zien dat er twee

personen op de grond liggen. Deze mannen rollen over elkaar heen. Eén van deze mannen

is het latere slachtoffer. Het slachtoffer is in het donker gekleed. De andere man is

gekleed in een blauwe broek en een witte shirt, met korte mouw.

Tijd 05.31.46 uur.

Op beelden is niet te zien dat het slachtoffer aan het vechten is. Door meerdere personen wordt er ingetrapt op de mannen op de grond. In totaal wordt er door 3 personen getrapt.

Het proces-verbaal van bevindingen (blz.55-56) d.d. 2 november 2016, zakelijk weergegeven, inhoudende het relaas van de verbalisant [verbalisant] :

Ik was op 19 oktober 2016 belast met recherchewerkzaamheden aan het politiebureau te Hengelo. Ik was bezig met het uitkijken van camerabeelden in verband met poging doodslag/moord. Ik las in de aangifte dat dit feit gepleegd is tussen zaterdag 15 oktober 2016 en zondag 16 oktober 2016. Ik zag dat er een bestand beschikbaar werd gesteld. Dit bestand is voorzien van bewegende beelden. Bij het uitkijken van de beelden zag ik het volgende:

Ik zag onder in het scherm van het camerabeeld dat het gedateerd was met 16-10-2016. Ik zag dat verschillende personen betrokken waren bij dit incident. Ik heb deze personen gecijferd van 1 tot en met 4. Personen 1 tot en met 4 zijn ambtshalve bekend als: 1. [medeverdachte] , 22-04-1993, 2. [verdachte] 13-06-1993, 3. [medeverdachte] 07-02-1992, 4. [naam] 26-01-1997.

Ik heb per persoon beschreven wat zij deden.

2. Ik zag een man die ik als volgt kan omschrijven:

- zwarte haarkleur, kort kapsel

- grijze trui

- licht kleurige broek (waarschijnlijk blauwe jeans)

- donker kleurige schoenen witte zool

Ik zag op tijdstip 5:31:46.295 dat de man zijn rechterbeen naar achteren bewoog. Ik zag dat hij twee trappen, snel achter elkaar, gaf ter hoogte van de onderrug van het slachtoffer. Ik zag dat hij zijn rechterbeen naar achteren bewoog en het slachtoffer een trap ter hoogte van de borst gaf. Ik zag dat hij vervolgens zijn rechterbeen naar achteren bewoog. Ik zag dat hij het slachtoffer een trap met rechter been ter hoogte van de maag gaf. Ik zag dat hij daarna rechtsom draaide en links beeld uit rende.

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 oktober 2016 (blz. 12-15), zakelijk weergegeven inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Mij is opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toegebracht. Ik voel daardoor veel pijn. Op 16 oktober 2016 omstreeks 2.00 uur ben ik naar [horecagelegenheid] in Hengelo (O) gegaan.

Volgens mij ben ik later voor [horecagelegenheid] in elkaar geslagen. Ik zag dat mensen op mij sloegen. Ik ben daar ook op de grond gevallen. Ik weet nog dat ik een klap kreeg, daarna weet ik niet meer precies hoe het is gegaan. Ik ben erg vergeetachtig doordat ik onder andere een hersenschudding heb opgelopen naar aanleiding van de vechtpartij. Ik werd in ieder geval geslagen. Ik had zelf het gevoel dat ik buiten bewustzijn raakte. Ik weet nog dat ik op een gegeven moment niets meer voor me zag en dat ik het gevoel kwijt raakte. Ik weet nog dat ik opeens slecht kon ademen. Dat was op het moment dat ik op de grond lag. Ik ben naar het ziekenhuis gegaan. Op dat moment ben ik behandeld door een dokter bij de huisartsenpost. We zijn toen naar de eerste hulp doorgestuurd en daar ben ik behandeld door een neuroloog. Daar is ook een MRI scan gemaakt. De neuroloog zei dat er vocht in het hoofd zat en dat er te zien was dat mijn neus gebroken was. Vandaag, 18 oktober 2016, ben ik opnieuw naar het ziekenhuis geweest, ditmaal naar de KNO arts, dhr. Duijvensteijn. Deze vertelde dat mijn neus in het midden gebroken en gesplinterd was.

De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting betreffende de getoonde beelden ter zake de openlijke geweldpleging.

De rechtbank heeft waargenomen dat [slachtoffer] door [medeverdachte] één keer en door verdachte en zijn mededader [medeverdachte] meerdere keren wordt geschopt. Te zien is dat de verdachten bij iedere trap hun been naar achteren halen en vervolgens met kracht tegen het lichaam schoppen van de op de grond liggende [slachtoffer] .