Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4031

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-10-2017
Datum publicatie
30-10-2017
Zaaknummer
08/997506-16 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een directeur van een failliete zorgorganisatie uit Lichtenvoorde is voor faillissementsfraude veroordeeld tot een celstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. In het zicht van het faillissement onttrok hij ongeveer 170.000 euro aan de boedel en bevoordeelde zo zichzelf als schuldeiser, ten koste van de rechten van andere schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5609
INS-Updates.nl 2017-0328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Afdeling Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/997506-16 (P)

Datum vonnis: 30 oktober 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2017.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.J. Heidema en van hetgeen door verdachte, die ervoor heeft gekozen zijn eigen verdediging te voeren, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van een besloten vennootschap faillissementsfraude heeft gepleegd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

hij als bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijf 1]

B.V. (tevens h.o.d.n. [zorgorganisatie] ),

welke vennootschap op 9 april 2013 in staat van faillissement is verklaard,

tezamen en in vereniging met één of meer andere(n), althans alleen,

op één of meer tijdstdippen in de periode van 4 december 2012 tot 1 juli 2016,

in de gemeente Oost Gelre en/of Zutphen, althans in Nederland,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [bedrijf 1]

B.V.,

1. enig goed aan de boedel heeft onttrokken; en/of

2. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist

dat het faillissement niet kon worden voorkomen, één van de schuldeisers op

enige wijze heeft bevoordeeld; en/of

3. niet voldaan heeft aan de om hem rustende verplichting ten opzichte van het

voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2

van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van

het Burgerlijk Wetboek, dan wel aan het bewaren en te voorschijn brengen

van boeken ,bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld,

immers hebbende verdachte en/of één of meer andere(n):

A. in de periode van 14 januari 2013 tot en met 28 januari 2013,

EUR 10.000,00 en/of EUR 25.000,00 overgemaakt van de rekening van [bedrijf 1]

B.V. en/of [zorgorganisatie] naar de rekening van [bedrijf 2]

Holding B.V.,

met als omschrijving "terugbetaling lening deel 1" en/of "aflossing

lening", en/of

B. in de periode van 25 maart 2013 tot en met 30 maart 2013,

EUR 62.500,00 en/of EUR 2.000,00 en/of EUR 90.000,00 en/of EUR 8.000,00

en/of EUR 7.500,00 overgemaakt naar de privérekening van verdachte,

met als omschrijving "overbr" en/of "Lening" en/of "Lening terug" en/of

"Lening aflos" en/of Aflos. lening", en/of

C. in de periode van 4 december 2012 tot en met 26 maart 2013 EUR 8.793,99

overgemaakt van de rekening van [bedrijf 1] B.V. en/of

[zorgorganisatie] naar een rekening van de Triodos Bank ten behoeve van de

voldoening van een privé schuld van verdachte in verband met de uitwinning

van een borgstelling inzake [bedrijf 3] B.V., en/of

D. in de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 juni 2013 contant geld

opgenomen van de rekening van [bedrijf 1] B.V. en/of

[zorgorganisatie] , voor een totaal bedrag van EUR 5.100,00, welk bedrag eveneens

niet is verantwoord in een kasboek, en/of

E. geen, althans niet een volledige, administratie gevoerd en/of de wel

gevoerde administratie niet bewaard en/of overlegd aan de curator.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hiertoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat het faillissement van [bedrijf 1] BV (hierna: [bedrijf 1] ) op 19 december 2012 voor verdachte in zicht kwam. Op die datum heeft verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1] , een melding van betalingsonmacht aan de Belastingdienst gedaan. Hoewel na deze melding met behulp van [bedrijf 4] , door middel van een factoringovereenkomst, kapitaal beschikbaar kwam, heeft verdachte dit geld gebruikt voor betalingen aan zichzelf in privé en aan [bedrijf 2] Holding BV (hierna [bedrijf 2] ), ter aflossing van leningen, terwijl verdachte zelf en [bedrijf 2] niet staan vermeld op de crediteurenlijst van [bedrijf 1] . Binnen drie maanden na de melding van betalingsonmacht door verdachte is [bedrijf 1] op 9 april 2013 failliet verklaard.

Volgens de officier van justitie zijn alle in de tenlastelegging onder A, B, C en D opgenomen overboekingen en contante opnames als het onttrekken van geld aan de boedel te kwalificeren, en derhalve als frauduleus te kenmerken. Ten aanzien van het onder E ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat de curator in de aangifte heeft verklaard dat hij verdachte op de wettelijke bewaarplicht ten aanzien van de administratie voor [bedrijf 1] heeft gewezen en dat de curator heeft vastgesteld dat delen van de administratie, met name zorgovereenkomsten met cliënten, zorgplannen en bankafschriften, niet zijn aangetroffen en dat deze ontbrekende delen, ondanks aanmaningen aan het adres van verdachte, ook niet zijn aangeleverd, waardoor niet kan worden aangetoond welke werkzaamheden voor welke cliënten zijn verricht en een aanzienlijk deel van het debiteurenbestand oninbaar is.

4.2

Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard – zakelijk weergegeven – dat hij bestuurder was van [bedrijf 1] , een bedrijf met 80 cliënten en ongeveer 40 parttime medewerkers in dienst, met contracten variërend van 28 tot 36 uur per week. Verdachte heeft verder verklaard dat op zijn verzoek op 9 april 2013 het faillissement van [bedrijf 1] is uitgesproken. De reden voor de aanvraag van het faillissement was gelegen in de ontvangst op 8 april 2013 van meerdere opzegbrieven van cliënten, aldus verdachte. Volgens verdachte was er vóór deze datum nog geen zicht op het faillissement. Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet goed was in het financiële deel van de onderneming en dat hij derhalve om advies heeft gevraagd aan de heer [naam] .

Verdachte heeft verklaard dat [bedrijf 2] voor verdachte fungeerde als bank, en dat hij geld leende als hij dat nodig had voor [bedrijf 1] . Verdachte heeft voorts verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om de leningen van [bedrijf 2] en van de Triodos bank af te lossen. Volgens verdachte heeft hij fouten gemaakt, maar heeft hij niet opzettelijk bepaalde schuldeisers wel en andere schuldeisers niet betaald. Voor het opschorten van het salaris van zijn medewerkers in maart 2013 heeft verdachte bewust gekozen, omdat hij er vanuit ging dat hij zou kunnen doorwerken.

Met betrekking tot de administratie heeft verdachte verklaard dat hij ingevolge de voor zijn bedrijf geldende ISO-normen zijn cliëntdossiers vulde en dat alle vereiste gegevens aanwezig waren, maar dat er in de dossiers is geplukt.

Voorts heeft verdachte aangevoerd dat hij na 9 april 2013 nog een bedrag van € 1.900,-- aan kantoorkosten heeft gemaakt, welk bedrag hij in overleg met de curator van de rekening van [bedrijf 1] heeft opgenomen. De bedragen die hij voorafgaand aan het faillissement heeft opgenomen zijn vermoedelijk besteed aan het voorschieten van geld aan cliënten in verband met uitgaven voor voeding, kleding of hun woning.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Het bedrijf [bedrijf 1] is gevestigd op 20 oktober 2010 en vanaf 23 november 2010 is [bedrijf 1] actief geweest (activiteiten: maatschappelijke opvang voor volwassenen met verblijfsaccommodatie / opvang voor volwassenen in crisissituaties). Verdachte was enig aandeelhouder van [bedrijf 1] (dat handelde onder de naam [zorgorganisatie] ) en tevens bestuurder/directeur.2

[bedrijf 1] is op 9 april 2013 op verzoek van verdachte3 door de rechtbank Zutphen in staat van faillissement verklaard, waarbij mr. B.H.M. Harbers als curator is benoemd.4

Verdachte is eerder bestuurder geweest van [bedrijf 3] BV (hierna: [bedrijf 3] ), welke BV op 12 juni 2012 failliet is verklaard.5 Na dit faillissement zijn de activiteiten van [bedrijf 3] overgedragen aan [bedrijf 1] .

Relevante feiten en omstandigheden

In 2009 zijn [bedrijf 3] en de Triodos bank een leningovereenkomst overeengekomen6, waarbij verdachte in privé een zekerheidsstelling van € 37.500,--7 aan de bank heeft afgegeven. Na het faillissement van [bedrijf 3] heeft verdachte het nog openstaande bedrag van de lening voldaan door van de rekening van [bedrijf 1] bedragen over te maken naar de Triodos bank. De laatste overboeking, ter grootte van een bedrag van € 2.391,33, heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013.8

Op 22 november 2012 heeft verdachte de heer [naam] van [bedrijf 4] Ltd ingeschakeld voor advieswerkzaamheden met betrekking tot het structureren van [bedrijf 1] en ter vergroting van de solvabiliteit.9, 10 [naam] heeft bedrijven benaderd om tot een factoringovereenkomst te komen, hetgeen kostenbesparend zou zijn voor [bedrijf 1] aangezien op die wijze nog maar één debiteur zou overblijven. Volgens [naam] draaide [bedrijf 1] met verlies en was de situatie niet heel beroerd maar wel zorgelijk. Er moest binnen [bedrijf 1] wat gebeuren omdat het anders in het komende jaar mis zou gaan. Dit heeft geresulteerd in een factoringovereenkomst met [bedrijf 5] , gedateerd 15 januari 2013.11

Verdachte heeft reeds op 19 december 2012 namens [bedrijf 1] een brief aan de Belastingdienst geschreven inhoudende een melding van onmacht van betaling en de mededeling dat een financieel adviseur was aangetrokken ter verbetering van de financiële situatie.12

Verdachte heeft in privé meerdere leningovereenkomsten gesloten met [bedrijf 2] . In het dossier bevinden zich twee overeenkomsten, te weten een overeenkomst van 4 maart 2013 betreffende een lening van € 52.000,-- met daarbij een overeengekomen aflossingstabel13 en een overeenkomst van 31 oktober 2011 betreffende een lening van € 100.000,--14. Beide overeenkomsten betreffen een lening van [bedrijf 2] aan verdachte in privé. In verband met de lening van € 100.000,-- heeft [bedrijf 2] als zekerheidsstelling een hypotheek gevestigd op de woning van verdachte.15

Verdachte heeft de door hem in privé geleende € 100.000,-- op 1 november 2011 weer doorgeleend aan [bedrijf 1] .16

Uit afschriften van de bankrekening ten name van [zorgorganisatie] volgt dat in verband met voornoemde factoringovereenkomst door [bedrijf 5] een viertal bedragen is overgemaakt aan [zorgorganisatie] / [bedrijf 1] , te weten;

- op 25 januari 2013 een bedrag van € 120.000,--;

- op 12 februari 2013 een bedrag van € 116.368,71;

- op 25 maart 2013 een bedrag van € 68.685,71;

- op 28 maart 2013 een bedrag van € 100.195,--.17

Op 28 februari 2013 is door de Belastingdienst beslag gelegd bij [bedrijf 1] .18

In de periode van 25 maart 2013 tot en met 30 maart 2013 is in totaal € 170.000,-- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 1] naar de rekening van verdachte in privé. Dit betreffen de volgende bedragen: € 62.500,--, € 2.000,--, € 90.000,--, € 8.000,-- en € 7.500,--.19

Van deze € 170.000,-- is een bedrag van in totaal € 120.000,-- overgeboekt van de rekening van verdachte in privé naar de rekening van [bedrijf 2] .20

In de periode van 1 januari 2013 tot en met 24 juni 2013 heeft verdachte verschillende bedragen contant opgenomen van de bankrekening van [bedrijf 1] voor in totaal € 5.100,--.21

Verdachte heeft verklaard dat hij heeft besloten om de salarissen van de medewerkers van [bedrijf 1] over de maand maart 2013 niet uit te betalen en de betaling hiervan op te schorten.22

De curator mr. B.H.M. Harbers heeft een crediteurenlijst verstrekt met daarop verschillende schuldeisers van [bedrijf 1] , waaronder partijen als de Belastingdienst en het UWV. Verdachte en [bedrijf 2] komen op deze lijst niet voor.23

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

In geval van faillissement is bevoordeling van een schuldeiser strafbaar in de zin van de wet indien deze handelingen zijn gepleegd in het zicht van het faillissement. Voor de beantwoording van de bewijsvraag in onderhavige zaak moet dus worden vastgesteld vanaf welk moment het faillissement van [bedrijf 1] voor verdachte voorzienbaar is geweest. Een faillissement is voorzienbaar vanaf het moment dat verdachte zeker weet dat het faillissement – afgezien van onverwachte toevalligheden – onvermijdelijk is.

Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de door verdachte gepleegde handelingen nadat het faillissement van [bedrijf 1] in zicht was gekomen – verricht zijn ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’. Daarmee wordt volgens constante jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van het opzet is derhalve ten minste vereist dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan, alsmede dat de verdachte door die gedraging die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.24

Met betrekking tot de voorzienbaarheid van het faillissement

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de financiële situatie van [bedrijf 1] in december 2012 zorgelijk was. Verdachte heeft echter door het aantrekken van de heer [naam] als financieel adviseur (in november 2012) en door de factoringovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 5] (gedateerd 15 januari 2013), belangrijke stappen gezet om de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van [bedrijf 1] te verbeteren. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op de datum van melding van betalingsonmacht (19 december 2012) het faillissement van [bedrijf 1] nog niet voorzienbaar was.

De rechtbank stelt voorts vast dat op het moment dat [bedrijf 5] op 25 maart 2013 een bedrag van € 68.500,-- op de rekening van [bedrijf 1] heeft gestort. Op diezelfde datum heeft verdachte een bedrag van € 62.500,-- overgeboekt van de rekening van [bedrijf 1] naar zijn eigen privé rekening. Op dat moment wist verdachte van de financiële problemen van [bedrijf 1] , hetgeen de rechtbank mede afleidt uit het feit dat verdachte op 4 maart 2013 nog € 52.000,-- heeft geleend van [bedrijf 2] , welk bedrag door [bedrijf 2] rechtstreeks is overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 1] en uit het feit dat de Belastingdienst op 28 februari 2013 beslag heeft gelegd.

Op grond van deze wetenschap van de penibele financiële situatie van [bedrijf 1] , als ook het feit dat verdachte door die financiële situatie de salarissen van de werknemers van [bedrijf 1] over de maand maart 2013 niet heeft uitbetaald, is de rechtbank van oordeel dat het faillissement van [bedrijf 1] vanaf 25 maart 2013 voor verdachte voorzienbaar was.

Met betrekking tot het opzet op de verkorting van de rechten van de schuldeisers

Voorts ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de in de tenlastelegging genoemde handelingen verricht zijn ‘ter verkorting van de rechten van de schuldeisers’.

- het tenlastegelegde onder A

Nu de rechtbank zoals hiervoor reeds is uiteengezet van oordeel is dat het faillissement van [bedrijf 1] niet eerder dan op 25 maart 2013 voor verdachte voorzienbaar was, kan niet worden bewezen dat de onder A genoemde overschrijvingen van verschillende geldbedragen in de periode van 14 januari tot en met 28 januari 2013 zijn gedaan in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] .

De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder A ten laste gelegde vrijspreken.

- het tenlastegelegde onder B

De onder B ten laste gelegde overboekingen van de rekening van [bedrijf 1] naar verdachtes privérekening van in totaal € 170.000,--, hebben alle plaatsgevonden in de periode tussen 25 maart 2013 en 30 maart 2013, dus in een periode waarin het faillissement van [bedrijf 1] voor verdachte voorzienbaar was. Een groot deel van deze door verdachte naar zijn privérekening overgeboekte bedragen heeft verdachte vervolgens doorgeboekt naar een rekening van [bedrijf 2] .

Deze overboekingen zijn strafbaar als door die overboekingen ten minste de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers is ontstaan en verdachte die aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard.

Door vanaf 25 maart 2013 de op de rekening van [bedrijf 1] staande en bijgeboekte bedragen niet te gebruiken om lonen van de werknemers van [bedrijf 1] te betalen en bestaande schuldeisers als de Belastingdienst te betalen, maar in plaats daarvan deze bedragen naar zijn privérekening over te maken, heeft verdachte zichzelf bevoordeeld en een aanmerkelijke verkorting van de verhaalsmogelijkheden voor andere schuldeisers van [bedrijf 1] doen ontstaan. De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers van [bedrijf 1] ook bewust heeft aanvaard.

- het tenlastegelegde onder C

Met betrekking tot de betalingen aan Triodos bank is de rechtbank van oordeel dat de laatste overboeking, een bedrag van € 2.391,33, die is gedaan op 26 maart 2013, door verdachte is uitgevoerd in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] .

Onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot het tenlastegelegde onder B is overwogen acht de rechtbank bewezen dat verdachte bij deze overboeking (voorwaardelijk) opzet op de verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft gehad.

- het tenlastegelegde onder D

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de periode van 25 maart 2013 tot en met 24 juni 2013 contant geld heeft opgenomen van de rekening van [bedrijf 1] voor in totaal € 2.710,--.25 De in deze periode gedane opnamen zijn naar het oordeel van de rechtbank, op basis van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, gedaan in het zicht van het faillissement.

Uit de aangifte van de curator volgt dat verdachte er niet in is geslaagd om aan de curator aan te tonen waarvoor het opgenomen bedrag is aangewend.26 De stelling van verdachte dat bedragen die hij voorafgaand aan het faillissement heeft opgenomen vermoedelijk zijn besteed aan het voorschieten van geld aan cliënten in verband met uitgaven voor voeding, kleding of hun woning, is niet op enigerlei wijze met stukken onderbouwd en vindt ook overigens geen steun in het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, onder de gegeven omstandigheden, de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers van de BV op de koop toe genomen en tevens bewust aanvaard. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het onttrekken van geld aan de boedel ter bedrieglijke verkorting van de rechtbank der schuldeisers.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij de verklaring van verdachte dat de curator aan hem toestemming heeft gegeven om € 1.900,-- aan contant geld op te nemen in verband met kantoorkosten, zonder dat daarvan in de administratie stukken terug te vinden zijn, ongeloofwaardig acht.

- het tenlastegelegde onder E

De curator heeft verklaard dat hij heeft vastgesteld dat delen van de administratie van [bedrijf 1] , met name zorgovereenkomsten met cliënten, zorgplannen en bankafschriften, niet zijn aangetroffen. Deze ontbrekende delen zijn, ondanks aanmaningen aan het adres van verdachte, ook niet aangeleverd, waardoor niet kan worden aangetoond welke werkzaamheden voor welke cliënten zijn verricht en een aanzienlijk deel van het debiteurenbestand oninbaar is. De curator heeft verklaard dat hij verdachte meermalen verzocht om de ontbrekende delen van de administratie van [bedrijf 1] alsnog te verstrekken.27

De rechtbank stelt vast dat verdachte op de hoogte was van de financiële problemen binnen [bedrijf 1] . Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte, die naar eigen zeggen wist van het belang van deugdelijke dossiers in de administratie van [bedrijf 1] en hiertoe de zogenoemde “ISO-normen” hanteerde28, derhalve ook wist of behoorde te weten dat door het niet of onvoldoende voeren van de administratie een aanmerkelijke kans bestond dat bij een faillissement onvoldoende inzage bestond in de rechten en plichten van [bedrijf 1] , waardoor de rechten van de schuldeisers konden worden verkort.

De stelling van verdachte ter zitting dat hij het in een e-mail van de curator opgetekend verzoek om aanvulling van de administratie abusievelijk over het hoofd heeft gezien, kan zo zijn, maar doet er niet aan af dat de curator reeds vlak na het faillissement aan verdachte de verplichting tot het voeren van een volledige administratie kenbaar heeft gemaakt. De stelling van verdachte dat de curator de administratie zou hebben ontvreemd acht de rechtbank ongeloofwaardig.

De conclusie

De rechtbank acht het onder B, C, D en E tenlastegelegde, zoals hiervoor is uiteengezet, wettig en overtuigend bewezen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

als bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijf 1] BV (tevens h.o.d.n. [zorgorganisatie] ), welke vennootschap op 9 april 2013 in staat van faillissement is verklaard, in de periode van 25 maart 2013 tot 1 juli 2016 in Nederland, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van [bedrijf 1] BV,

1. enig goed aan de boedel heeft onttrokken; en

2. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, één van de schuldeisers op enige wijze heeft bevoordeeld; en

3. niet voldaan heeft aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

immers hebbende verdachte:

B. in de periode van 25 maart 2013 tot en met 30 maart 2013, EUR 62.500,-- en/of EUR 2.000,-- en/of EUR 90.000,-- en/of EUR 8.000,-- en/of EUR 7.500,-- overgemaakt naar de privérekening van verdachte, met als omschrijving "overbr" en/of "Lening" en/of "Lening terug" en/of "Lening aflos" en/of Aflos. lening", en/of

C. op 26 maart 2013 EUR 2.391,33 overgemaakt van de rekening van [bedrijf 1] BV en/of [zorgorganisatie] naar een rekening van de Triodos Bank ten behoeve van de voldoening van een privé schuld van verdachte in verband met de uitwinning van een borgstelling inzake [bedrijf 3] BV, en/of

D. in de periode van 25 maart 2013 tot en met 24 juni 2013 contant geld opgenomen van de rekening van [bedrijf 1] BV en/of [zorgorganisatie] , voor een totaal bedrag van EUR 2.710,--, welk bedrag eveneens niet is verantwoord in een kasboek, en/of

E. niet een volledige administratie gevoerd.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken en ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers op enige wijze bevoordelen en niet voldoen aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10 eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijftien maanden en voorts gevorderd dat de in beslag genomen documentenmap aan verdachte wordt teruggegeven.

7.2

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft aangevoerd dat hij is benadeeld door andere mensen. Deze personen hebben cliënten van hem gestolen. Verdachte heeft voorts gesteld te zijn bedreigd nadat hij niet meer in staat was om salaris aan werknemers uit te betalen en dat hij niet inziet waarom hij een gevangenisstraf zou moeten uitzitten, nu hij de cliënten die hij onder zich had naar zijn beste kunnen heeft geholpen.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte was bestuurder van [bedrijf 1] , een bedrijf dat aan volwassenen in een crisissituatie hulp bood op het gebied van onder meer wonen, werk en dagbesteding. Verdachte heeft in het zicht van het faillissement van [bedrijf 1] tot een totaalbedrag van ongeveer € 170.000,-- aan de boedel onttrokken en zichzelf als schuldeiser bevoordeeld, ten koste van de rechten van andere schuldeisers. Veel van de transacties zijn terug te voeren op een persoonlijk belang dat verdachte had om door hem in privé geleende gelden, die hij had doorgeleend aan [bedrijf 1] , terug te betalen aan zijn schuldeiser. Met name het feit dat verdachte zichzelf ten koste van onder meer de werknemers van [bedrijf 1] heeft bevoordeeld, rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Door het niet voeren van een administratie heeft verdachte bovendien voor mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden problemen veroorzaakt, nu deze mensen door het ontbreken van de administratie van verdachte niet konden aantonen dat zij vanuit [bedrijf 1] zorg hebben ontvangen en hun persoonsgebonden budgetten hebben moeten terugbetalen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten vermelden bij een benadelingsbedrag dat is gelegen tussen € 125.000,-- en € 250.000,-- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen tot twaalf maanden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ter terechtzitting onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan in belangrijke mate van genoemde oriëntatiepunten zou moeten worden afgeweken.

Voorts heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in de afgelopen jaren in soortgelijke zaken door deze rechtbank zijn opgelegd.

De rechtbank heeft zich in matigende zin rekenschap gegeven van het feit dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat, gelet op de aard, ernst en omvang van het bewezenverklaarde feit, zoals hiervoor overwogen, aan verdachte een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd. De rechtbank zal verder een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk doen zijn, teneinde verdachte ervan te weerhouden zich andermaal aan feiten als de onderhavige schuldig te maken.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde documentenmap inhoudende 46 documenten, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed aan de boedel onttrekken en ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van de schuldeisers op enige wijze bevoordelen en niet voldoen aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10 eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 5 (vijf) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van een documentenmap inhoudende 46 documenten aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. A. Skerka, rechters, in tegenwoordigheid van D.A.C. Brockötter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 57092 van 1 maart 2017. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het schriftelijk bescheid, te weten een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van 30 juni 2016, DOC-002, pagina 151 – 153.

3 Een formulier getiteld: eigen aangifte faillietverklaring opgemaakt door verdachte, DOC-037, pagina 532 – 535.

4 Een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2013, DOC-001, pagina 149, 150.

5 Een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2013, DOC-016, pagina 194, 195.

6 Een kredietovereenkomst tussen de Triodos Bank en [bedrijf 3] , DOC 040, pagina 540 – 543.

7 Een akte van borgtocht van 16 april 2009, DOC-041, pagina 551, 552.

8 Een rekeningafschrift ten name van [zorgorganisatie] , DOC-019, pagina 334.

9 Een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 9 april 2013, DOC-001, pagina 149, 150.

10 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 oktober 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

11 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] van 8 december 2016, G-002-01, pagina 580 – 582.

12 Een brief van verdachte van 19 december 2012, DOC-030, pagina 500.

13 Een geldleningsovereenkomst van 4 maart 2013, DOC-031, pagina 501 – 504.

14 Een geldleningsovereenkomst van 31 oktober 2011, DOC-032, pagina 505 – 509.

15 Een hypotheekverklaring van 31 oktober 2011, pagina 510 – 513.

16 Een akte van geldlening, DOC-005, pagina 166 – 169.

17 Rekeningafschriften ten name van [zorgorganisatie] / [bedrijf 1] , DOC-019, pagina 268, 317, 332, 340.

18 Brief van curator B.H.M. Harbers aan verdachte d.d. 10 december 2014, DOC-010, pagina 179 – 181.

19 De rekeningafschriften van [zorgorganisatie] , DOC-019-1 t/m DOC-019-5, pagina 385 – 390.

20 Rekeningafschriften ten name van verdachte, DOC-029, pagina 485, 487 en 488.

21 De rekeningafschriften van [zorgorganisatie] , DOC-019, pagina 230 e.v. en het overzichtsproces-verbaal van [verbalisant] van 1 maart 2017, pagina 22.

22 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 oktober 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

23 Een crediteurenlijst, DOC-004, pagina 161 – 165.

24 HR 11 mei 2010, LJN BL7662 en HR 9 februari 2010, NJ 2010/104.

25 Het overzichtsproces-verbaal van [verbalisant] van 1 maart 2017, pagina 22.

26 Het proces-verbaal van verhoor van aangever B.H.M. Harbers van 24 juli 2015, AG-01, pagina 85.

27 Het proces-verbaal van verhoor van aangever B.H.M. Harbers van 24 juli 2015, AG-01, pagina 83 - 85

28 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 oktober 2017, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.