Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2017:4020

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-10-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
ak_17 _ 187
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herplaatsing bij een zusterbedrijf binnen hetzelfde concern; no-riskpolis; procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/187

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

HST TransMission B.V. te Enschede, eiseres,

gemachtigde J. Verschuuren,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder [naam] (verder: werknemer) per 23 augustus 2016 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en bepaald dat werknemer geen recht op de no-riskpolis heeft.

Bij besluit van 13 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Werknemer heeft de rechtbank geen toestemming verleend voor het aan eiseres toezenden van stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft om die reden, onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten dat de kennisneming van medische stukken in dit geding is voorbehouden aan een gemachtigde die arts of advocaat is of hiervoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Eiseres heeft geen dergelijke gemachtigde ingeschakeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2017.

Namens eiseres zijn J. Verschuuren en L.F. Brant verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.A. Kuilderd en H.N.M. van Rhee.

Overwegingen

1. Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Werknemer is vanaf 1 december 2010 voltijds als loodsbaas voor eiseres werkzaam geweest. Op 26 augustus 2014 is werknemer uitgevallen. Uit onderzoek in juli 2017 is afgeleid dat werknemer niet langer geschikt is voor zijn werk. Tijdens de zogeheten wachttijd is werknemer als loodsmedewerker aan de slag gegaan bij HST Logistiek B.V.. Werknemer heeft hier met ingang van 23 augustus 2016 een nieuw dienstverband gekregen. Met een vaststellingsovereenkomst van 22 juli 2016 is zijn dienstverband bij eiseres met ingang van 22 augustus 2016 tot een einde gekomen.

1.2.

Werknemer heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Bij primair besluit van 27 juli 2016 is aan werknemer geen WIA-uitkering toegekend, omdat hij na het doormaken van de wachttijd voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. In het besluit is het volgende vermeld:

U hebt geen recht op de no-riskpolis. Dit betekent het volgende: de nieuwe werkgever krijgt geen premiekorting. U kunt geen ZW uitkering krijgen als u ziek wordt, u houdt dan wel uw recht op loon. U heeft geen no-riskpolis, omdat u bij uw huidige werkgever in staat was om uw eigen werk of passend werk te doen”.

1.3.

Eiseres heeft op 29 augustus 2016 bezwaar gemaakt tegen de passage dat werknemer geen recht heeft op de no-riskpolis. Aangevoerd is, dat werknemer niet meer in staat was zijn eigen werk als loodsbaas te verrichten, omdat in die functie onregelmatig wordt gewerkt. Ook andere beperkingen maakten dat werknemer voor dit werk niet langer geschikt was. Als loodsmedewerker bij HST Logistiek B.V. wordt uitsluitend overdag gewerkt en wordt ook met de overige beperkingen rekening gehouden. Er is een re-integratiebureau ingeschakeld om werknemer naar passend werk te begeleiden en dat bureau heeft het nieuwe werk als passend beoordeeld. HST Logistiek is een andere B.V., met een eigen loonheffingsnummer en jaarrekening. Werknemer is ook een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan.

2. Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat ten aanzien van werknemer de no-riskpolis niet van toepassing is. De verschillende B.V.’s zijn zodanig met elkaar verbonden, dat niet gesproken kan worden van re-integratie in het tweede spoor.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1.

Artikel 29b, eerste lid, onder b, van de Ziektewet (ZW), zoals dat luidde ten tijde in geding en voor zover van belang, bepaalt dat de werknemer, van wie in een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat hij op de eerste dag na afloop van de wachttijd, bedoeld in artikel 23 van de WIA of van het tijdvak, bedoeld in artikel 24 of 25, negende lid, van die wet:

1°. minder dan 35% arbeidsongeschikt is,

2°. alsmede op de eerste dag van elf weken voorafgaand aan die dag geen dienstbetrekking had met een andere dan zijn eigen werkgever, tenzij de dienstbetrekking met die andere werkgever reeds bestond op de eerste dag van de wachttijd,

3°. niet in staat is tot het verrichten van eigen of andere passende arbeid bij de eigen werkgever, en

4°. binnen vijf jaar na die dag in dienstbetrekking werkzaamheden gaat verrichten bij een werkgever,

vanaf de eerste dag van zijn ongeschiktheid tot werken recht heeft op ziekengeld over perioden van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte die zijn aangevangen in de vijf jaren na aanvang van de dienstbetrekking.

3.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of op werknemer de no-riskpolis van artikel 29b, eerste lid, onder b, van de ZW van toepassing is. Eiseres stelt zich daarbij op het standpunt dat dit het geval is, omdat met het aangaan van de arbeidsovereenkomst bij HST Logistiek B.V. sprake was van een nieuwe dienstbetrekking bij een nieuwe werkgever in de zin van genoemd artikellid.

3.3.

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag geplaatst of eiseres procesbelang heeft bij een rechterlijke toetsing van het standpunt van verweerder dat werknemer niet in aanmerking komt voor de no-riskpolis. Volgens vaste rechtspraak is sprake van een voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. In zijn uitspraak van 9 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:53) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn rechtspraak over procesbelang verruimd, in die zin dat ook procesbelang zal worden aangenomen indien wordt gesteld dat het bestreden besluit een rechtstreeks gevolg heeft waarvan in een andere (al dan niet bestuursrechtelijke) rechtsverhouding nadeel zal worden ondervonden en de in de voorliggende zaak op bestuursrechtelijke gronden te nemen beslissing voor het al dan niet intreden van dit gevolg beslissend is.

Verder is meermalen uitgesproken dat de bestuursrechter slechts is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:327).

3.4.

Met de toepasselijkheid van de no-riskpolis wordt het aantrekkelijker voor een werkgever om aspirant werknemers die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, in dienst te nemen. Hierin is voor eiseres geen procesbelang (meer) gelegen, nu werknemer per
23 augustus 2016 een nieuw dienstverband is aangegaan bij een nieuwe werkgever, te weten HST Logistiek B.V.. Dit is een juridisch en feitelijk zelfstandig bedrijf met eigen bedrijfsactiviteiten, een eigen inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een eigen aansluitnummer bij het UWV en een eigen jaarrekening. Het bedrijf is op een andere locatie gevestigd dan eiseres. Dat HST Logistiek B.V. en eiseres dochterondernemingen zijn van HST Groep is in de gegeven situatie onvoldoende om beide bedrijven te vereenzelvigen.

3.5.

Ook overigens is niet gebleken dat de beantwoording van de vraag of op werknemer de no-riskpolis van toepassing is kan leiden tot feitelijke betekenis voor eiseres.

4. Dit heeft tot gevolg, dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Hardonk-Prins, voorzitter, en mr. W.F. Bijloo en

mr. R.J. van Lochem, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.